Roadtrip USA, part XII: highway to heaven

Highway One, alias CA 1 (California 1) is een weg die langs de kust van de Stille Oceaan loopt, ruw genomen van San Francisco naar Los Angeles. Er zijn snellere manieren om in LA te geraken, bijvoorbeeld de klassieke interstate (Amerikaans equivalent van een autosnelweg). Maar veel romantiek brengt dat niet met zich mee. Ik stelde me voor hoe we zoals in de typische reclamespots voor auto’s, over de Bixby Bridge zouden scheuren, langs de woeste oceaankust met het diepblauwe water en witte schuimkoppen, dat zich tegen de grillige rotsen stort. Hoog boven die rotsen: de Highway One die tegen de helling geplakt ligt en de kronkels van de kustlijn volgt. Deze sectie van de Californische kust werd “Big Sur” genoemd, en het stuk van Highway One dat erlangs liep draagt de officieuze titel van ‘mooiste kustweg in de wereld’.

Het was redelijk eenvoudig om vanuit het centrum van San Francisco de felgeprezen Highway One terug te vinden, hoewel we geen detailkaart hadden van het zuiden van de stad. We vertrouwden dus maar over onze (lees: mijn) sense of direction. Al snel stonden we aan de rand van de schuimende golven en terwijl we tankten snoven we de zilte zeelucht op die, meer dan in België, sterk aanwezig was. Ondanks de redelijk frisse temperatuur – er hing redelijk wat mist her en der – zagen we heel wat vroege surfers. De weg liep rakelings langs het kleine strand en zwiepte zich daarna met enkele bochten tussen de rotsen die de kustlijn van daaruit verder uitmaakten, om daarna in de mist te verdwijnen. Na een korte stop waarbij ik het juiste lensmateriaal uit de koffer haalde, begonnen we eraan.

Aanvankelijk kregen we heel wat veelbelovende panorama’s voorgeschoteld. Af en toe reden we door een flard mist, maar die was niet dicht genoeg om de blauwe hemel en de zonneschijn helemaal tegen te houden. Meer zelfs: de mist was zelf een deel van het landschap en droeg bij tot het spektakel. De mist waarvoor San Francisco bekend staat, is evenzeer kenmerkend voor deze kustweg. Ik bespaar u het hele verhaal over zeestromingen e.d. dat erachter steekt.
De mist kwam vanover zee over het land rollen en hij werd steeds dikker, zodat we op een bepaald moment volledig in de soep reden. En die soep bleef hardnekkig dik, tot we bijna in Monterey waren. Toen verdween de mist en steeg de temperatuur gevoelig.

De grootste trekpleister van Monterey is het Monterey Bay Aquarium. We verwachtten zo’n beetje de onderwatervariant van de zoo in San Diego, maar uiteindelijk bleek het niet spectaculairder – zelfs minder spectaculair – te zijn dan het aquarium in Boulogne-sur-mer. Het aquarium was nogal extreem op kinderen gericht, en kinderen maakten dan ook het gros van het veel te grote bezoekersaantal uit. Lawaai, en geschreeuw, en gedrum. Alle informatieborden bevonden zich bovendien nog eens aan de voet van de aquariums (aquaria?), op enkelhoogte. Met andere woorden: er stond altijd wel een kind voor.
Content dat we buiten waren, pikten we 2 droge sandwishes mee uit één van de 25 miljoen eettenten die de straat vulden die naar het aquarium leidde (tussen haakjes: weer typisch Amerikaans om de parkeergarage aan het begin van de straat te bouwen, en het aquarium op het einde, om vervolgens de straat vol te zetten met snackbars), en die allemaal om ter hardst een zeebonk-sfeertje probeerden te faken. We gaven de man die aan de uithang van de parkeergarage de betalingen inde en de slagboom bediende een handvol dollars (op sommige aspecten zijn ze in de VS écht wel niet zo modern), en weg waren we, richting Big Sur.

Het aperitief voor Big Sur was de 17-mile drive. Een kustwegje langs een klein schiereiland waarop Pebble Beach genesteld ligt: een upper-class gemeenschap waar de kasten van huizen alleen plaats moeten ruimen voor de vele golfcourses. De gemeenschap leeft eigenlijk betrekkelijk afgesloten van de buitenwereld en lang de toegangswegen zijn slagbomen met security guards geplaatst. Het was bij één van deze wachtposten dat we 10 dollar moesten ophoesten om de 17-mile-drive onder onze wielen te laten passeren. Het weer was op z’n zachtst gezegd “Belgisch” te noemen met een grijze lucht en een temperatuur waar je amper een 2 voor kon plaatsen. De weg zelf was best aardig, met hier en daar een stopplaats vanwaar je de wilde zeehonden kon bewonderen die op de rotsen lagen te luieren. Af en toe vloog er ook een zwerm pelikanen voorbij. Maar toegegeven: 10 dollar was het niet waard. Toen we terug op Highway One probeerden te komen stonden we in een file, veroorzaakt door voortdurend overstekende badgasten die alle tijd van de wereld hadden, en automobilisten in dure wagens die eigenlijk nergens heen moeten, maar enkel gezien willen worden. Het was zoals de Lippenslaan in Knokke op een zondagnamiddag in juli. De zon maakte korte metten met de bewolking toen we ons eindelijk uit de file wisten te bevrijden en Highway One opnieuw opreden. Big Sur lag vlak voor de bumper. Ik nam mijn camera op schoot, vinger aan de aan-uit switch.

De weg veranderde. De begroeiing aan de rechterzijde werd lager en we werden getrakteerd op indrukwekkende oceaanzichten. Terwijl Evi reed probeerde ik foto’s te maken. En als de hoogte van de vangrail en het geboomte het toeliet kreeg ik enkele bijzonder mooie plaatjes in de zoeker. We reden over Bixby Bridge en verzeilden daarna voor een lang half uur achter niet één maar twee RV’s (mobilhomes) die hardnekkig weigerden opzij te gaan en daarmee een deel van de ervaring verknoeiden. Gelukkig was er nog genoeg droomweg over om van te genieten nadat de twee lastposten gestopt waren op een panoramapunt.

Voor het tweede deel van Big Sur nam ik het stuur over en na het spectakelgedeelte kwamen we bij een vlakker stuk kust met een klein zandstrand en een vuurtoren. Iets verderop stond wat volk verzameld.
Ik vroeg: “Waar staan ze naar te kijken?”
Evi: “Rotsblokken of zo…  …  die bewegen!”
“Wablieft?”
“Het is alleszins iets groots.”
“Wat dan?”
“Tja, olifanten zullen het wel niet zijn.”
“Zeeolifanten misschien?”, zei ik al lachend.

Het volgende moment stonden we voor een afsluiting te kijken op een kolonie van een 50-tal zeekoeien, oftewel elephant seals. Ze lagen languit op het strand, zowel langs als op elkaar. De stank was niet te harden en vanop het strand stegen allerlei reutelende geluiden op, gepaard met het gas dat erbij hoort.

Ter hoogte van San Luis Obispo viel Highway One samen met highway 101 en werd het een snelweg. Verderop zagen we een laatste keer de zee en daarna draaide de weg landinwaarts. Rollende geuvels, akkers, wijngaarden, en een ondergaande zon die vaag door de avondnevel doorschemerde. Op die manier reden we naar Santa Maria, het dorp met de veelbelovende naam waar ons voorlaatste motel van de reis lag. Ik keek al uit naar een flesje Californische wijn op een terrasje op het dorpsplein toen we Santa Maria binnenreden en mijn ballonnetje genadeloos doorprikt werd. Street View geeft een treffend beeld van het typische Amerikaanse dorp waar Santa Maria geen uitzondering op is.

santa maria

Hoeveel rijstroken heeft de Kerkstraat in uw dorp?
Oogluikend keek ik naar elke Mc Donalds, Taco Bell, Subway of Pizza Hut terwijl we door het dorp reden. Hoogst waarschijnlijk was er nergens een normaal restaurant te vinden. “Waar gaan deze mensen naartoe als ze een terrasje willen doen??”
Mijn gebeden werden verhoord op wonderbaarlijke wijze. Nadat we een heleboel groezelige motelletjes voorbij waren gereden reden we de parking van het onze op: een statig gebouw in Europese stijl met watervalletje bij het portaal. Watertandend lazen we de uithangborden: hotel, pool, spa, wellness-center, massage, restaurant. Na het inchecken liepen we met valiezen en al rechtstreeks naar het restaurant dat zich vlak naast de receptie bevond.
“Table for 2? No problem! This evening at about…..8? Wonderful. See you tonight!”
We namen onze intrek in een ronduit Victoriaans ingerichte kamer en vluchtten toen naar het restaurant, vastberaden onze laatste dollars kwijt te spelen. We waren op één koppel en een eenzame eter na, de enige gasten. Een onbemande piano speelde restaurantliedjes en een jonge serveuse stelde zich op een familiaire manier voor als onze bediende voor die avond. ‘Wine served by the glass’ stond er op de menukaart.
“A bottle? No problem!” En we grijnsden alledrie.
Als ik me in de nabijheid van de zee bevind heb ik de neiging vis te bestellen, dus kregen we een half uur later een bord zeevruchten voorgeschoteld, het mooiste dat ik in mijn leven al gezien heb. Krabbenpoten, mossels, onbekende vissoort, schelpen en sint-jacobsvruchten. Ik moet zeggen: het smaakte zo goed dat de stukken krabbenpoot nét niet door de lucht vlogen. Eensgezind gooiden we er ook nog eens een dessert tegenaan; nee, dat verwarmd zwembad zal hoogstens voor morgenochtend zijn.

De volgende dag hoefden we niet ver meer te rijden, dus schakelde ik mijn wekker voor één keer uit. In LA zou er immers ook een zwembad zijn….

Roadtrip USA, Part XI: Quite a city…

Toen we van ons hotel naar downtown San Francisco liepen vielen ons 3 dingen op: ten eerste zagen we om de haverklap een bedelaar of drugsverslaafde. In fact waren we die morgen nietsvermoedend temidden de drugsverslaafden en bedelaars gaan zitten in een beduimeld koffiehuis. Ten tweede was het veel kouder dan verwacht. Een frisse zeebries ging door de straten en de zon gaf nog weinig warmte op dit moment van de dag. Ten derde was de af te leggen weg beduidend langer in werkelijkheid dan op papier. Dit gezegd zijnde, genoot ik met volle teugen van de wolkenkrabbers die afstaken tegen de staalblauwe hemel, de stedelijke ambiance die er heerste en het vooruitzicht een volledige dag in deze stad te mogen doorbrengen. We verkenden allereerst het financial district met de vele chique hotels, banken en kantoorgebouwen. In de jaren ’70 was hier een netwerk aangelegd van verhoogde voetpaden die een verbinding vormden tussen kleine winkelcentra. Langs deze voetpaden lagen er terrasjes en was er groen aangebracht. Alleen viel er op dit moment van de dag nog niet veel volk te bespeuren. We kwamen uit bij The Pyramid, het hoogste gebouw van de stad en met een voor de hand liggende vorm. We stonden op de hoek van de straat wat te draaien en te keren met de kaart, discussiërend over wat de meest logische volgende stap zou zijn van ons bezoek, toen we onderbroken werden door een man in maatpak. Hij raadde ons aan om langs het water naar Fisherman’s Wharf te wandelen.
“You get a lovely view over the bay there and if you wanna eat, there are several places where you can eat just along the way”.
Verbaasd over de hulpvaardigheid van die man gingen we graag op dat voorstel in, zij het via een short cut.

Via de kade, waar een Mexicaans zeilschip voor anker lag, bereikten we Fisherman’s Wharf met de beroemde Pier 39. Het was er ongehoord toeristisch en we waren er getuige van hoe schaamteloos commercieel Amerikanen kunnen zijn. De hele pier was omgebouwd tot “vissersdorp”, verdeeld over twee niveaus en volgestampt met souvenirwinkels, visrestaurants, winkels waar allerlei gadgets verkocht worden en fastfoodstalletjes. Er was entertainment, muziek en een constante pretzelgeur. Je zou er permanente agorafobie kunnen opdoen als je een deel van je verstandelijke vermogens niet eventjes opbergt. Dus deden we dat en liepen met een grote grijns en de portefeuille in aanslag mee met de stroom, die pier op. Evi kocht er 2 pullovers terwijl ik tussen de gepersonaliseerde sleutelhangers mijn naam zocht, en ik kocht er een T-shirt terwijl zij tussen de autonummerplaten neusde. Zo was iedereen tevreden en konden we naar de rand van het staketsel gaan om enkele clichéfoto’s te maken met op de achtergrond Alcatraz. Lang kon Amerika’s beruchtste gevangenis onze aandacht niet vasthouden want we werden aangetrokken door het ge-onk van de zwerm zeeleeuwen die de helft van de jachthaven bezetten. De drijvende pontons werden bijna volledig ingenomen door de bruine vetjassen, wat leidde tot hysterie bij de toeristen op de kade. Met kinderlijke blijdschap deed ik mee en ik fotografeerde de aandachtsgeile beesten met elke lens die ik had.

Commercanten zijn het, die San Franciscanen. Ze drukken de naam van hun stad op alles waarop er een naam te drukken valt, en verkopen het vervolgens alsof het een bekend merk is waarmee iedereen gezien wil worden. En dat is het ook. De naam “San Francisco” bleek een beter merk dan LA en Las Vegas tesamen. Ik kreeg een eigen staaltje van deze koopmanskunst voorgeschoteld toen ik in de etalage van een camerawinkel aan het rondkijken was. Na een 5-tal seconden stond er al een verkoper naar mij. Het was een vijftiger van Aziatische origine en met kapotgerookte tanden. Hij zag er allesbehalve betrouwbaar uit maar veel leek ik niet te verliezen te hebben als Europeaan in de VS. Een lens zou hier beslist goedkoper zijn dan thuis. Hij leek mijn gedachten te kunnen raden.
“You’re looking for a tele objective?” Hij keek even snel naar de camera die kruislings over mijn schouder hing. “Pentax?”
-“Do you have one?”
-“Of course!!”
Hij liep naar de toonbank en doorzocht een kast. Hij haalde er een doos uit met een Pentaxlens van 75 tot 200mm. Hij wenkte naar mijn camera en ik legde hem op de toonbank. Zonder tijd te verliezen verwisselde hij vliegensvlug de lenzen en nam een paar testfoto’s die hij vervolgens toonde. “That’s a very decent objective, only 200$. Try it!” Aangenaam verast door de zoomcapaciteit van een telelens nam ik binnen enkele foto’s.
“You should go outside! This is an objective for outside! I trust you. Besides: your wife, fiancee, girlfriend or whatever is here with me.” Aarzelend ging ik naar buiten. Toen ik weer binnenkwam trok ik een sceptisch gezicht. “Autofocus isn’t quick enough. Do you have other objectives in this price range?”
“Yes yes!” De man knikte driftig en schoot weer zijn kast in. Hij haalde een Sigma boven. 50 tot 300 mm. “This is a very good objective. 300mm and a switch for macropictures”. Opnieuw ging ik over tot de test. De lens focuste veel gemakkelijker dan de vorige en lag ook beter in de hand.
Ik vroeg of hij de Pentaxlens er nog eens wilde opschroeven. Terwijl hij daarmee bezig was stak hij een preek af over het feit dat ik slechts één UV-filter had voor 2 lenzen. “I am only giving you advice. You can do what you want. But UV-filters are essential protection!”

Ik testte de Pentaxlens nog eens en informeerde even of hij toevallig ook de nieuwere Pentax 50-300mm had. Dat was het geval en de test was ook heel positief. De verkoper daarentegen minder. “Too expensive!”, zei hij. “400$!” Dat was een teleurstelling. Ik had gehoopt die lens voor een prijsje uit Amerika te kunnen meenemen. De verkoper zag mijn twijfels en zei toen: “if you buy an objective, ánd a UV-filter, I’ll give you a second filter for the tele objective for free!”.
“And how much do you charge for a filter?”, vroeg ik.
“39 dollars”.
In België kost een UV-filter al snel 50 euro en mijn beslissing was snel genomen. Toch haalde de man op de valreep nog eens de klassieker aller verkoperstrucs boven. “I would go for the Sigma. I have been using it myself for a while and I am very satisfied.”
“Ja, dat zal wel”, dacht ik bij mezelf.
De deal was beklonken en ik wilde betalen, maar Evi hield me tegen en haalde zelf haar portefeuille boven. “Vervroegd verjaardagscadeau!”, zei ze. Het was niet de plek om uitgebreid te gaan protesteren dus liet ik me met graagte trakteren. Toen we in de vooravond op onze hotelkamer het factuurtje controleerden zagen we dat de slinkse verkoper ons de tweede filter wél had aangerekend en dat hij natuurlijk de “taxes” niet vermeld had.

Onze wandeling ging verder naar de top van Telescope Peak vanwaar we een fantastisch uitzicht hadden op de prachtige mist die de Golden Gate Bridge aan het zicht onttrok. Daarna gingen we naar beneden langs de übertoeristische Lombard Street, zogezegd de steilste straat ter wereld, die in een reeks van haarspelden naar beneden ging, versierd met bloemen in alle kleuren van de regenboog.

In Chinatown heerste een agressieve drukte, vol spuwende en roepende Chinezen die langs winkels kuierden (of stilstonden) waar allerlei levende etenswaren werden verkocht. Over een bak vis vloeide een klein straaltje water om de dieren in leven te houden. Mensen porden in hun flank waarna ze krampachtig met hun vinnen sloegen, in een strijd met de verstikkingsdood. Het was degoutant en we lieten ons plan om die avond Chinees te gaan eten varen.

In het hotel hielden we siesta tot ik ‘s avonds met het lumineuze idee afkwam om de Golden Gate te gaan bezoeken. In de Rough Guide had ik een restaurantje in die buurt opgemerkt waar we daarna iets zouden kunnen eten. Evi gidste me door de straten van San Francisco en die kunnen ellendig zijn voor automobilisten. Ik probeerde me de techniek “starten op een helling” te herinneren terwijl ik een straat bergop reed in een helling van minstens 25°. De kruispunten lagen telkens op een platform die als zodanig korte pauzes zijn in de beklimming of afdaling (zie ook diverse actiefilms waarin helse achtervolgingen worden gehouden op deze hellingen van San Francisco. Meestal zie je de auto’s door de lucht zoeven en bumpers aan diggelen vliegen.) Toen we aan de top van de berg kwamen was de richel zo scherp dat je als automobilist onmogelijk kon zien wat zich aan de andere kant bevond. Ik duwde me tegen de rugleuning van mijn stoel en probeerde zo hoog mogelijk te zitten. De neus ging omlaag toen we over de richel reden en aan de andere kant gaapte een afdaling die even steil was als de beklimming.
“Stel je voor dat de remmen hier…”
-“Zwijg!”

Het was al donker toen we de parkeerplaats opdraaiden aan de voet van de beroemde brug, die nog steeds volledig in de mist lag. Onder het motto “beter dit dan niets”, gingen we door het hek de brug op. Links van ons raasde het verkeer in twee richtingen, daarbij heel wat herrie makend telkens een auto over één van de vele drempels reed die dwars over het wegdek liepen. Het was een hele wandeling toen we eindelijk bij de eerste toren kwamen, die we enkel konden zien tot aan de eerste dwarsbalk.
“Tjah, dit is het dan….”
Veel viel er voor de rest niet over te zeggen en met de harde, koude wind in het gezicht liepen we terug naar waar we vandaan kwamen.

Hier begint het meest tragische verhaal van de hele reis. Het begon toen we volledig de weg verloren in de zoektocht naar het restaurant. Op het gevoel af reden we door een kalme woonwijk, in de hoop een drukke bekende straat tegen te komen die wél op de kaart stond. Toen we daar eindelijk in geslaagd waren en we het restaurant gelokaliseerd hadden (het was toen kwart voor tien) begon de zoektocht naar een parkeerplaats. Stel je dit voor: een residentiële buurt met relatief brede straten en op het eerste gezicht parkeerplaatsen te over. Alleen: als je erdoor rijdt merk je dat alle vrije plaatsen vlak voor garagepoorten liggen. En er zijn héééél wat garagepoorten, soms wel 2 of 3 per huis (!). Gedurende ongeveer 20 minuten zochten we tevergeefs naar een parkeerplaats, maar helaas. Met een lege maag keerden we terug naar het hotel in de hoop dat het aansluitend hamburgerrestaurant of de pizzeria aan de overkant van de straat nog open zou zijn. Toen we bijna bij het hotel waren bleek dat we niet mochten inslaan in de straat waar we zouden moeten inslaan, en voor we het wisten belandden we op de snelweg richting Bay Bridge. Een kolossale omweg bracht ons – uiteindelijk – terug aan het hotel, volledig gefrustreerd dat we er toch elke avond weer in slaagden te laat aan te zetten. We liepen naar het hamburgerrestaurant, dat blijkbaar 5 minuten eerder de deuren gesloten had. Terug op onze kamer belden we naar de pizzeria van de overkant van de straat (waarvan het menu op elke hotelkamer lag), maar ook die had de boeken voor die avond gesloten. Met een humeur dat heel ver onder nul lag belde ik tenslotte de Pizza Hut. Toen ik – eindelijk – verbinding had en een pikante pizza had besteld, vroeg de man aan de andere kant van de lijn waar er geleverd moest worden.
“Best Western, 7th street”, antwoordde ik.
“Then you should call Pizza Hut in Geary Street. That’s closer by”.
Tweede poging. Wachtmuziek. Daarna wachtmuziek en toen nog meer wachtmuziek.
“Pizza Ut ow can I elp you?”
Het was een overduidelijke Aziaat die heel onduidelijk Engels sprak. Ik begreep amper iets van wat hij zij, maar ik gaf antwoord op de vragen die hij normaal zou moeten stellen.
“mioiiijf, fh,qiuhq,lizu?”
“A big hot&spicy with cheesy crust.”
“mdkqjsmijmioejè!’çruoeizmm?”
“Delivered.”
“Mmzqoi jfm,jn  gjfdkslmqhgkjfsdlqj?”
“Best Western, 7th street, room 48.”
“mlqkjmsfioeo  h,qiomhc’e,izjr?”
“Cash”
“Jukilompfrdeszqa?”
“Pardon??”
“Jukilompfrdeszqa?”
“Sorry, I don’t understand.”
“Jukilompfrdeszqa?”
*hand op de hoorn* Tot Evi: “jukilompfrdeszqa????'”
“Sorry, I really can’t understand.”
“Hm okey. Em….” *fluistert iets tegen iemand die blijkbaar naast hem zit* … “Wea you from?”
“I’m in the Best Western, 7th street!”
“No no, I mean: wea you live?”
“Em, I live in Belgium. I’m on holiday”
*stilte*
“Woa is yoa oldel fo… today?”
“My order?? One big hot&spicey with cheesy crust.”
“Okey. Em. We ave problem. Hot&spicey. Other also hot?”
“Hm, yeah ok.” Het kon me allemaal niet veel schelen, ik wilde eten!”
“Wea you want pizza deliveled?
*zucht* “Best Western 7th street, room 48″
“qmqozeijklwxfi?”
“Yes”
“…. goodnight?”
“Goodnight.”

En toen gingen we naar de bar van het hotel die om mysterieuze redenen al om 23u zou sluiten. Evi bestelde een glas wijn waarna de barvrouw haar sommeerde een identiteitskaart boven te halen die nog in de hotelkamer lag. Alleen achterblijvend bestelde ik een glas Anchor Steam, typisch bier uit San Francisco, terwijl ik mijn identiteitskaart voorlegde.

Deze blogpost wordt veel te lang. Niet alles is verteld maar ik kan het ook in sneltempo. Evi’s glas rode wijn heeft ons een whopping 11 dollar gekost. 11 dollar!! Voor het eerst betaalden we geen fooi. Onze pizza is op tijd aangekomen. In de doos zat een margharita met bitter weinig kaas en schijfjes groene chilipeper. Die was vuurspuwend pikant dus haalden we de schijfjes er één voor één af, om nog enkel een mager belegd stuk deeg over te houden. Het zijn geldverdieners, die San Franciscanen. En het zijn deugnieten ook!

Roadtrip USA, part X: If you’re going to SaanFraanCiscoo

De aanblik van krioelende mieren bovenop het kadaver, en een mierenhighway die over de muur naar het venster liep, bezorgde me rillingen toen ik de volgende ochtend wakker werd. We ontruimden zo snel mogelijk onze kamer, laadden alles in de koffer van de auto en gingen daarna ontbijten in een diner, een steenworp verderop. Als een hongerige beer verorberde ik er een riant ontbijt met omelet, tomaat en worst. Ik kreeg er al gauw spijt van bij de gedachte aan de bochtige weg naar Yosemite die ons te wachten stond. Inderdaad: dit park hielden we nog niet voor bekeken en ons vertrek naar San Francisco wilden we dus zo lang mogelijk uitstellen (we hadden daar sowieso 2 nachten in het vooruitzicht).

De terugweg van Mariposa naar Yosemite Valley leek korter dan de dag ervoor en tegen de middag kwamen we aan op de parkeerplaats van Yosemite Village. Van daaruit reden er gratis bussen naar allerlei plekken in het dorp zoals de winkel, de souvenirwinkel of het visitor center. In elk nationaal park dat we tot dan toe bezocht hadden was het visitor center een vaste afspraak. We zochten er naar posters, nuttige folders, plannetjes etc. Hier wilde Evi per se een witte trui van Yosemite National Park vinden, dus met dat doel wilden we naar het visitor center. We zagen een wegwijzer met daarop “visitor center: 1 mile” en daaronder een symbooltje dat een voetganger moest voorstellen. We lieten de horde wachtenden achter aan de bushalte en gingen te voet op pad. Onderweg kwamen we voorbij de “store”, de “general store”, de “sports store” en het post office en het werd ons al snel duidelijk dat het visitor center met opzet in de verste uithoek van het “dorp” geplaatst was (ik plaats “dorp” tussen aanhalingstekens omdat het eigenlijk eerder een wirwar is van kronkelige wegen met hier en daar een gebouw, een parkeerplaats of een camping, met vooral veel bomen die voor totale desoriëntatie zorgen en aldus resulteren in één grote verkeerschaos van draaiende en kerende auto’s met bestuurders die een blik in hun ogen hebben die zoveel uitdrukt als “waar is de uitgang??”).
Het visitor center was niet veel soeps. Het was er vooral druk en iemand in mijn nabijheid had een slecht werkende sluitspier. Op zoek naar frisse lucht dwaalde ik wat rond en belandde uiteindelijk weer buiten in de hitte. Daarna hebben we zowat elke winkel afgelopen en vanalles gekocht (drank, middageten, beleg voor het middageten, een draagtas, postzegels) behalve de witte trui. Geen moment te vroeg bereikten we opnieuw de auto want ik voelde de drang om opnieuw de wildernis in te trekken en begon daarom lastig te doen.
Second objective: find trailhead. We waren van plan de “Mist trail” te bewandelen naar de top van een waterval. De naam kwam van de nevel die door de waterval geproduceerd werd en de naar verfrissing snakkende bezoeker een aangename verkoeling bezorgde. Maar we moesten dus de start van de wandeling zien terug te vinden, wat men in de VS gewoonlijk “trailhead” noemt. Op het kaartje lag het op het uiteinde van de wirwar van straatjes, maar in werkelijkheid is de helft van deze straatjes verboden toegang en is er ook een deel eenrichtingsverkeer. Details die ze vergeten te vermelden hebben op de parkplannetjes. Ik reed dus verkeerd, keerde om, reed terug, dacht dat ik op de juiste weg kwam, tot een verbodsbord de weg versperde en we met drie wagens tegelijk (ik was heus niet de enige sukkelaar) enkele zware verkeersovertredingen moesten begaan om terug te keren, waarbij ik een half geparkeerde bus voorbij moest die de weg versperde en ternauwernood een tegenligger kon ontwijken die plotseling vanachter die bus opdook. Zwetend en knarsetandend kwamen we ten slotte op een parkeerplaats terecht die volgens de kaart een kleine mars van de trailhead verwijderd was maar dichterbij rijden was totaal onmogelijk. Overal stonden waarschuwingsborden voor beren en aan de rand van de parkeerplaats waren berenbestendige kastjes opgesteld zodat langparkeerders hun kostbaarheden (lees: etenswaren) ergens in kwijt konden. Bij het verlaten van de parkeerplaats riep een man die zopas geparkeerd had ons toe of we enig idee hadden waar het trailhead zich bevond.

We liepen langs een met bomen omzoomde laan in de richting van het trailhead, turend tussen de bomen naar berenleven. Tevergeefs. We bereikten het trailhead waar tot onze teleurstelling véél volk vandaan kwam en ook véél volk naartoe liep. Ik had een wandeling in de ruige bossen in gedachten gehad. In werkelijkheid kregen we een steiloplopend asfaltpad voorgeschoteld dat bezaaid was met toeristen in hagelwitte sportschoenen en ditto opgetrokken kousen. Hier en daar waren ook teenslippers te bespeuren. De terugweg beloofde slecht nieuws te worden voor mijn knieën. Voorbij een brug over het woeste water werd het pad aantrekkelijker. Geen asfalt meer, steeds meer rotsen maar ook steeds steiler. Vanaf een bepaald punt was het eigenlijk een primitieve trap, uitgekapt in de rotsen en met heel hoge treden. Voor Evi’s knieën was dit te ver in de rode zone, dus zou ze achterblijven terwijl ik, met de top van de waterval in zicht, verder zou gaan. De trappen werden nog hoger maar mijn lange benen konden er niettemin twee tegelijk nemen. Ik draaide rond een bocht van waarachter een wind, verzadigd van nevel van de waterval, in mijn richting blies. De verfrissing was welgekomen maar maakte tegelijkertijd het pad nat en glibberig.
Na een goed kwartier was ik boven. Een kabbelend bergriviertje stroomde naar de rand van de granieten afgrond. De richel waarover het water naar de diepte stroomde was bijna perfect recht en het water was glad als een spiegel. Zo vredig deze overgang was, zo ruw was de manier waarop het zich naar beneden stortte. Met veel kabaal stortte het zich op de rotsen aan de voet van de waterval, daarbij de befaamde nevel producerend, een dicht gordijn dat zelfs hoger reikte dan de top van de waterval.
De afdaling langs de smalle trap was minder evident voor mijn grote voeten maar ik kwam zonder blauwe plekken opnieuw bij Evi. Samen begonnen we aan de lange, saaie afdaling langs het asfaltpad waarbij het droge geklapper van rubberen schoenzolen op het harde wegdek enkel overstemd werd door het gekwetter van twee Amerikaanse tienermeisjes die ons kruisten en honderduit vertelden over allerlei oppervlakkigheden, en door het gekreun van onze meniscussen. Het was 15u toen ik achter het stuur kroop en we koers zetten naar San Francisco. Jammergenoeg zonder bloemen in ons haar.

Seasick Steve begon voor de derde of vierde keer aan de eerste track van zijn album toen we de tolhuisjes van Bay Bridge bereikten, die het vasteland verbond met het schiereiland waarop San Francisco ligt (nee, de Golden Gate ligt nog wat verder). De rit was lang en saai gebleken, en iedereen reed rapper dan ik, hoewel ik mezelf al een snelheidsovertreding van 5mph had toegestaan. Gewillig betaalden we 4 dollar om vervolgens stapvoets de enorme brug op te rijden, mee met de eindeloze stroom verkeer, verdeeld over een 5-tal baanvakken.
Het vinden van ons hotel in San Francisco was een makkie. Ik hoefde maar één keer op het laatste moment van baanvak te veranderen, hopend dat ik daarbij niemand van de weg reed. We reden de parkeerplaats van het hotel in, stapten uit, en werden verwelkomd door – eerst – de koude zeelucht van 20°C, en daarna door de overduidelijk homoseksuele receptionist. Holebi’s in San Francisco. Er zijn toch nog zekerheden in het leven. Vooral in Amerika, waar ze wel van hun eigen clichés houden. De man was ergens in de dertig, had geblondeerd haar, opzijgekamd met een lijnrechte scheiding, een ring in de neus, enkele piercings in de oren, en een ring aan elke duim. Voor de rest zag hij er, met zijn strakke kaaklijn en harde blik, redelijk ernstig uit. Nieuwigheid: de portier zou onze auto parkeren. Ik wierp met een half oog een blik in de richting van de parkeergarage met zijn übersmalle parkeerplaatsen, en daarna met plezier de autosleutels in de richting van de portier die ze met de glimlach opving. Maar toen we ‘s avonds wilden vertrekken naar een Baskisch restaurantje dat in de buurt lag en dat door Rough Guide aanbevolen werd, stond hij nog steeds geparkeerd in de parkeerplaats vlak voor de ingang, waar ik hem enkele uren eerder had achtergelaten.

Het restaurant bleek, nadat we erin geslaagd waren het te vinden, een voltreffer. De Spaans/Frans aandoende garçon bediende ons met veel humor en ik at er voortreffelijke mosselen in sherrysaus. De hele avond zagen we groepjes schaars geklede tienermeisjes voorbij het raam dartelen, giechelend en mekaar aanstotend bij elk jong manspersoon die ze aan de overkant van de straat in de mot kregen.
Toen we opnieuw aankwamen bij het hotel was mijn parkeerplaats ingenomen. Ik liet de auto dan maar ergens in het midden van de doorgang staan, in de buurt van waar de portier getoond had dat ik hem mocht zetten. Hij maakte lachend het vanggebaar met zijn handen en ik mikte de sleutels erin.

Roadtrip USA, part IX: everything is bigger

Bakersfield was een hellhole. Echt niks aan (voor zover onze beoordeling kon reiken want we waren er maar één nacht). We waren dus blij toen we de volgende dag weer naar het noorden konden vertrekken, want daar lag Yosemite National Park op ons te wachten, volgens velen het mooiste nationale park van allemaal. We reden een drietal uur door een landbouwlandschap met vooral veel fruitbomen. De weg en het landschap veranderden toen we de zuidrand van Yosemite bereikten: heuvels begonnen steeds meer bergen te worden, bedekt met uitgestrekte bossen, en daartussen slingerde de weg zich naar boven. Evi probeerde in het spoor te blijven van een Landrover die een sticker van Yosemite droeg en voor ons dienst deed als “haas” op het kronkelige parcours, maar de bestuurster sneed de talloze bochten keer op keer aan met een gezwindheid alsof ze de weg dagelijks vijf keer aflegde. Het was met klamme handjes dat ze de oprit van een winkel opdraaide om water te kopen.

Dat we Yosemite ongebruikelijk via het zuiden binnenreden gaf ons de mogelijkheid om een uitstapje te maken naar Mariposa Grove, in een zuidoostelijke hoek van het park. Een “grove” is zogezegd een plek waar “redwoods” groeien, gigantisch bomen met roodachtige stammen waarvan de giant sequoia de meest bekende is. “Gigantisch” is zelfs een understatement, zo bleek toen we de parkeerplaats opreden die zich als een lus om een enorme boom krulde waarvan de stam een omtrek had van minstens 15m. Wikipedia geeft enkele interessante weetjes over deze bomen: de Sequoiadendron Giganteum is samen met de Sequoia Sempervirens (alias Coast Redwood) de grootste boomsoort op aarde. Je vindt ze uitsluitend langs de westkust van de VS, en in het geval van de Giant Sequoia: op de westflanken van de Sierra Nevada. De hoogste boom meet 115m (een Coast Redwood). De hoogste Giant Sequoia is 95m hoog. Om verder te gaan over Giant Sequoia’s: ze worden gemiddeld 50 tot 85 meter hoog en ze zijn ‘s werelds grootste bomen gemeten naar volume hout. Een Sequoia weegt zoveel als 16 blauwe vinvissen en is daarmee één van de grootste levende organismen ter wereld. De oudste sequoia is 3500 jaar oud (!!!!). De bomen zijn resistent tegen vuur, maar in het park zagen we wel veel bomen die erdoor aangetast waren. Een deel van hun stam was zwartgeblakerd, maar de boom is zijn geheel te groot en het hout te massief om door het vuur verteerd te kunnen worden. De zwakheid van de sequoia? De wortels, die niet zo diep in de grond gaan, maar zich eerder uitspreiden zoals naaldbomen dat meestal doen. Vlakbij de parkeerplaats zagen we een boom die naar verluid 200 jaar geleden was omgevallen. Het ding lag er nog zo goed als intact bij, de wortels hoog in de lucht rijzend. De hoogste boom van Yosemite meet 75m. Wij hadden hier ter plekke geen weet van dus hielden we een wandelingetje tot de zogenaamde “Grizzly Giant“, de tweede boom van het park, en ‘slechts’ 64m hoog.

Na de verstikkende hitte van Death Valley was Yosemite opvallend “fris” in de zin dat de lucht er aangenaam naar naaldwoud rook en het er een aangenamere 35°C was. Nog steeds warm genoeg voor een picknick, dus kochten we één en ander in een winkeltje om daarmee aan de kant van de weg, naast het water op een bank te gaan zitten. Een groot gezin braadde vlees op de barbecue en ik overtrad met plezier de wet door in het openbaar een blik bier open te trekken. In alle opzichten de zaligheid zelve, maar eigenlijk brandde ik van verlangen om gewoon verder te rijden en verderop te voet de wildernis in te trekken.

Vlak voor de weg doodliep parkeerden we de auto aan het trailhead van de wandeling naar Sentinel Dome, een granieten berg met afgeronde top die uitzicht bood op Yosemite Valley. De tocht was licht, de berglucht verkwikkend en het uitzicht van de top grandioos. We klommen recht naar de top van de granieten koepel en aan onze voeten ontvouwde zich een vallei die bezaaid was met dichte bossen en waar sprookjesachtige watervallen op uitkwamen. De randen werden gevormd door steile rotskliffen.We keerden terug om water in te slaan en vertrokken prompt op een tweede tocht naar een tweede uitzichtpunt dat afgebakend werd door een afgrond die je naar adem deed happen. Enkele tienerjongens kropen op hun buik tot bij de rand om in de diepte te kunnen kijken. Aan de andere kant van de vallei stak “El Capitan”, de hoogste rotswand van Noord-Amerika, 900 meter boven de groene valleibodem uit.

Op de terugweg vervoegden we de drommen toeristen die aan de ingang van Yosemite Valley het meest gefotografeerde beeld van het Nationale Park nog maar eens op de gevoelige sensor wilden vastleggen. Het kon me niet veel schelen dat ik een kuddedier was geworden want het zicht dat zich bij het uitkomen van de tunnel ontvouwde maakte mijn ogen waterig. We raakten in gesprek met een gezette vijftiger die dezelfde camera had als ik en die oprecht geïnteresseerd was in onze reis. Hij vertelde over zijn legerdienst in San Francisco waar hij elke morgen wakker werd met het beeld van de Golden Gate Bridge in de rollende mist. “Aaah San Francisco….  that’s….quite a city.” Hij lachte even alsof hij een verre herinnering bovenhaalde. “…quite a city…” We schudden handen en haastten ons naar de auto om de toeristentrein voor te zijn. Mariposa, het dorp waar ons motel lag, betekende nog ruim een uur on the road.

Een aardig dorpje, Mariposa. En een aardig motelletje, zo op het eerste zicht. Langs de hoofdweg zagen we tal van restaurants en bars, en we verheugden ons op een avond waarop we niet zouden moeten toegeven aan een Subway, Pizza Hut of Mc Donald’s. Nee, dit was een écht dorp. Rough Guide stuurde ons naar een modern restaurant met een uitgebreide wijnkaart, heerlijk eten en een goedlachse uitbater die ons met enige trots vertelde dat de lokale Cabernet Sauvignon die we besteld hadden geproduceerd was door een persoonlijke vriend van hem.
Met voldane glimlach en een klein stukje in de hielen van onze voeten keerden we naar het motel terug. Het lachen verging ons wel toen we op de muur een groot keverachtig wezen ontdekten dat veel weg had van een grote kakkerlak, maar dan zonder voelsprieten en mét vleugels. Ik zette er snel mijn schoen tegen waarna het schepsel in platte toestand in de hoek op de grond viel. Ik vertikte het om het kadaver (want zo kun je het het beste omschrijven) op te ruimen. Na een grondige inspectie van de kamer op ander levend wezen kroop ik aarzelend tussen de dekens en droomde ik met veel tussenpauzes van allerlei beestjes. Wat ik ondertussen niet kon zien, was dat een dichte kolonne mieren de kamer binnendrong via een kier in het raam om te beginnen met de ontleding van het kadaver dat in de hoek lag.

Roadtrip USA, part VIII: Ovenvers

Op de dag dat we onze langste rit voor de boeg hadden (van Las Vegas naar Bakersfield, zoek maar op Google Maps), bleven we veel te lang in ons bed liggen. Maar dat was nog geen ramp: het betekende enkel dat we Death Valley door zouden moeten op het warmste moment van de wag. Death Valley is zonder twijfel de warmste plek in Noord-Amerika en ook het diepste punt in de Verenigde Staten (een 80-tal meter onder de zeespiegel). De vallei ligt in de regenschaduw van de Sierra Nevada, en is dus al sowieso veroordeeld tot het woestijnschap, en ligt daarbij ook nog eens in een depressie waar de warmte amper uit weg kan. Vanop de hoogten aan de rand van Death Valley zie je de valleibodem letterlijk bakken in de zon. Als je in de vallei rondloopt voel je de warmte door je schoenzolen priemen en als je je hand op de grond legt moet je hem na 5 seconden noodgedwongen terugtrekken om niet te verbranden. De temperatuur overdag fietst vlotjes over de 50 °C. ‘s Nachts koelt het af tot 38 graden. Waarom dit inferno in godsnaam tot Nationaal Park is benoemd zouden we met onze eigen ogen kunnen zien als we erdoor zouden rijden, maar daarvoor moesten we er eerst geraken. Na een half uur waren we al hopeloos op de verkeerde weg. Nietsvermoedend misten we de afslag van de interstate waardoor we noodgedwongen een alternatieve route in mekaar moesten knutselen “langs de kleine baantjes”. Die moesten ons naar Good Springs voeren, daarna naar Mountain Springs en vervolgens naar Pahrump waar we opnieuw op de geplande route zouden komen. Een tweevaksbaan voerde ons door de woestijn tot in het stoffige plaatsje dat door één of andere leukerd Good Springs genoemd was. Overal lag er rommel maar er was geen levende ziel te bekennen, alsof iedereen gevlucht was bij de aanblik van twee vreemdelingen, de eerste twee in tien keer zoveel jaar. Volgende halte: Mountain Springs. Wel vervelend natuurlijk wanneer je merkt dat in Good Springs de wegwijzer nog niet is uitgevonden. We reden dus maar wat op goed geluk rond in de hoop op een weg te belanden die in de richting van Mountain Springs voerde. We dachten die gevonden te hebben, tot het asfalt ermee ophield. Aan de andere kant van het dorp hadden we meer geluk en vonden we een weg die wel verderliep. Niet naar Mountain Springs, zo bleek, maar naar Ripley, een zo mogelijk nog veel stoffiger nest aan de andere kant van een tweetal  becactuste bergpassen. We vonden er een levend iemand, namelijk een vrachtwagenchauffeur die aan de kant van de weg een hek aan het sluiten was.
“You wanna go where?”
“Pahrump.”
“Oh shit….”
“…?”
“Two options: you drive back to the interstate and get the right exit; or you take the second on the left to Pahrump, but it’s a dirt road that gets really bumpy and it lasts for 16 miles or so”.

De beslissing was snel genomen. Snelheidsbeperkingen redelijk losjes interpreterend reed ik terug naar de interstate, op zoek naar de juiste afslag. We bevonden ons al terug in Las Vegas toen we hem vonden (hij kwam dus véél vroeger dan verwacht) en met een bijkomende vertraging van twee uur bevonden we ons eindelijk op de weg naar de Valley of Death. We kozen ervoor het park helemaal in het zuiden binnen te rijden om er zolang mogelijk door te kunnen rijden. In Pahrump jawel) namen we de afslag en al snel bevonden we ons weer in het midden van de woestijn met in de omgeving slechts één andere eenzame wagen, ergens ver weg in mijn achteruitkijkspiegel. We staken enkele verlaten bergpassen over, waarna we telkens opnieuw uitzicht kregen op een verse uitgestrekte en verlaten woestijnvallei. Maar na de laatste pas die we overstaken zagen we de weg enkel dalen, zo ver als we maar konden kijken. Het was het begin van Death Valley.

De weg leek zich eindeloos naar beneden te slingeren en onderweg werden we getrakteerd op een steeds buitenaardser lijkend landschap. Indrukwekkende rotsplooiingen, kleurencombinaties, onder een verzengende zon waarbij we in de verte het asfalt wazig zagen worden. we bereikten uiteindelijk de dalbodem, die heel uitgestrekt en plat bleek te zijn, als een reusachtige braadpan die links en rechts werd afgebakend door maf uitziende rotsformaties. We voelden de hitte door de autoruiten dringen. De weg slingerde ons constant richting rotswand en dalbodem. Na ongeveer een uur kwamen we bij badwater: het diepste punt van Death Valley, en plek waar eeuwenoud water aan de oppervlakte komt na een lange weg door onderaardse geologische lagen. Het water kan er nergens heen dus verdampt het, waarbij het zout als residu achterblijft, onder de vorm van een dikke korst die her en der uit het water stak. Na 5 minuten aan de rand van het water gestaan te hebben begon de intense hitte zijn tol te eisen. Ik voelde het zweet langs mijn nek lopen en er stak een wind op. De grill veranderde nu in een heteluchtoven want de wind was bijzonder heet.
De airco klopte overuren toen we een eindje verder een afslag namen naar de Devil’s Golfcourse. De meeste plekken in Death Valley hebben een verwijzing naar de hel of de duivel. Naast Devil’s Golfcourse waren er ook bijvoorbeeld The Devil’s Cornfield en Dante’s View. We bereikten de Golfcourse na een eindje over een onverharde weg gehobbeld te hebben. De benaming was in wezen ironisch bedoeld want het bleek om een patattenveld te gaan van hompen zoutsteen. Hier en daar zaten er kleine gaatjes in de grond, en die zou de duivel blijkbaar graag gebruiken om een balletje te slaan. We verlieten Death Vally (de vallei, nog niet het park) via het Panamint gebergte. Borden langs de kant van de weg geboden ons de airconditioning af te zetten zodat de motor bergop het loodje niet zou leggen, maar dat advies legden we maar al te graag naast ons neer. We hadden het volste vertrouwen dat ons bakje ons zonder problemen over de pas zou voeren, maar ik hield de temperatuur van de motor wel nauwlettend in de gaten. Via een niet minder dan prachtige weg reden we tenslotte het park uit en het was al na 18u toen we aan de voet van de Sierra Nevada kwamen. Bakersfield lag aan de zuidelijke grens van het gebergte en met tegenzin reden we zuidwaarts. De volgende dag moesten we opnieuw naar het noorden en ik wist bijgod niet waarom onze reisroute, die we als pakket geboekt hadden, ons langs deze stad wilde voeren. Het was een aanzienlijke omweg richting Yosemite National Park. Niet alleen zouden we zeker nog 2 uur in de wagen moeten doorbrengen, de volgende dag zouden we ook nog eens 3 uren autosnelweg moeten verteren voor we de geur van Yosemite zouden mogen opsnuiven.

Bakersfield was wat ik ervan verwachtte: een zielloze stad zonder centrum, zonder bars, zonder restaurants, en met een dambordpatroon. Onze kamer was ruim, maar rook naar sigaretten; en het zwembad was verkwikkend, maar al na 5 minuten ijskoud. De zoektocht naar eten duurde tot ik per ongeluk tegen de rijrichting in begon te rijden en ik het zoeken beu was. Het zou die avond Subway worden. Tot overmaat van ramp weigerde de uitbater van de nachtwinkel naast de Subway ons alcoholische drank te verkopen omdat onze Belgische identiteitskaart “unfamiliar” was voor hem en hij mijn rijbewijs niet eens wilde bekijken. Gelukkig maakten ze in het benzinestation veel minder problemen (geen) waardoor we onze frigobox alsnog met een sixpack konden verrijken.
Eten en slapen. Het is niet het klassieke einde van een dag als je op reis bent, maar het is wel het klassieke einde van een dag als je roadtript.

Roadtrip USA, deel VII: Whatever happens in Vegas…

Op dag 8 (deel 7 dus) bracht ik geen milliseconde door voor het stuur van één of ander rijdend vehikel. Daarmee bedoel ik noch de auto, noch de propaangeleide bus die ons door Zion Canyon voerde. Dat klopt: in Zion National Park namen we voor de gelegenheid de bus, om de simpele reden dat dat de enige mogelijkheid was om dit mormonen-gedreven park binnen te komen. Aanrader volgens Rough guide, maar in werkelijkheid verkies je toch eerder een vervoermiddel dat airconditioning heeft in de gegeven omstandigheden. De bus tufte aan een slakkengangetje door de ongetwijfeld prachtige kloof die Zion is, maar de ruiten waren verduisterd en konden slechts een tiental centimeter ver open schuiven zodat er van sightseeing en fotografie weinig sprake kon zijn. Er zat niks anders op dan ter plekke te zitten zweten en wat meewarig naar elkaar glimlachen. Op de terminus stapten we samen met alle andere zwetende Amerikanen uit en waagden we ons aan een miniem wandelingetje in de omgeving van het klaterende riviertje, wat onze dorst nog wat verder aanwakkerde. Dorst. Dat was eigenlijk al een constante op de hele reis geweest, in tegenstelling tot honger. Die ochtend hadden we genoten van een stevig ontbijt in een typisch Amerikaanse “diner”. Je kent ze wel uit de films: met van die hoge zitbanken, waarbij je rug aan rug zit; een draaiende ventilator aan het plafond en een onaantrekkelijke uitbaatster die ter tijd en stond je kop koffie komt hervullen. Omelet met tomaat en Zwitserse kaas lag er op mijn bord. En een grote kan thee. Het was het beste ontbijt in lange tijd. En nogmaals: lang leve Utah!

De weg voerde ons dus door Zion National Park, door de mormonen zo genoemd omdat ze in ‘Zion’ geloven, net zoals de reaggae-beweging. Een aards-paradijs weet je wel. Vanaf het moment dat we het park binnenreden vond ik dat al een treffende omschrijving: het aards paradijs. Onze monden vielen open bij het zien van zoveel natuurpracht. Woeste rotspartijen in diverse warme kleuren omgaven ons en mijn rechterwijsvinger, die op de sluiterknop van mijn camera lag, ging over op automatische piloot. Dit had ik nog nooit gezien. In geen enkel gebergte in de hele wereld. Hier konden ze in Zwitserland enkel over dromen. We hoopten dat Zion Canyon, zoals gezegd enkel toegankelijk per bus, nog mooier zou zijn, maar in feite konden we ons moeilijk een landschap voorstellen dat nog mooier kon zijn dan wat we zonet gezien hadden. En inderdaad: Zion Canyon kon de beelden op ons netvlies niet meer overtreffen. Voldaan sprongen we opnieuw in onze auto om Utah achter ons te laten en koers te zetten naar het zanderige Nevada.

In Nevada mag alles: te snel rijden, gokken en drinken. Het was al te merken toen de snelweg een hoekje van Arizona afsneed en niemand nog enige aandacht leek te besteden aan de snelheidsbeperking. Een vlugge blik op de kaart leerde ons dat de higway waarop we ons bevonden eigenlijk enkel via een grote omweg toegankelijk was voor de Arizoniaanse politie en dat wisten de plaatselijke bestuurders duidelijk ook. In Nevada werd het nog erger: daar werden we voor het eerst ingehaald door een vrachtwagen. Ik herhaal: door een vrachtwagen. Aan de woestijn kwam zichtbaar geen einde tot we in de verte de casinotorens van Vegas zagen opdoemen. Evi ging in overdrive en had hier en daar wat kalmering nodig om op het juiste baanvak te blijven.

Het eerste contact met de hitte van de woestijnstad schroeide onze wenkbrauwen eraf. Happend naar adem repten we ons naar de verkoeling van onze – laat ons zeggen, redelijk aanzienbare – motelkamer. Veel tijd was er niet te verliezen want Vegas lag redelijk letterlijk om de hoek. Dat zegt wel niks over de effectieve afstand tussen ons motel en de Strip want de tocht door de heteluchtoven leek eindeloos aan te slepen. Dat “slepen” mag je trouwens aan de letterlijke kant interpreteren want Evi’s schoen was er in geslaagd welgeteld 10 meter vol te houden alvorens het ding – om het eenvoudig uit te drukken – in twee brak. Beste lezer, u wil niet, nooit, never ever… met een vrouw op stap zijn in een temperatuur van minstens 40 graden terwijl één van haar schoenen naar de verdoemenis is. De focus werd aldus prompt verschoven naar de dichtstbijzijnde schoenenwinkel. Ha! Vegas! Schoenenwinkels te over, zo hoor ik u denken. Maar neen, think again. Blijkbaar hadden alle schoenenwinkels de dag daarvoor hun biezen gepakt (vermoedelijk om ons een loer te draaien) waardoor de dodentocht 4 keer langer duurde dan strikt noodzakelijk. Uiteindelijk rolden we onszelf binnen in één schoenenzaak die zich niet op tijd uit de voeten had kunnen maken en kon Evi zich uiteindelijk nog voorzien van een vers paar voetbescherming.

Zonder dat we het doorhadden bevonden we ons toen al in de Venetian. De place to be voor alles wat fake-Italiaans is (maar wel gezellig. Ze hebben er zelfs een ‘lucht’. Ja, google dat maar eens.). Van daar ging het naar de Mirage voor de dolfijnenshow die toen al lang gesloten was; en naar Caesar’s Palace, wat in mijn optiek het grootste complex op de Strip moet zijn. De Bellagio was de volgende in de rij, en we waren – alweer – 5 minuten te laat om van het befaamde buffet te kunnen genieten. Next best thing was het Frans restaurant voor de gevel van Paris vanwaar we konden genieten van het fonteintjesspektakel op het kunstmatig meer van de Bellagio.

Vegas: tonnen pret, maar niks is echt. Beter uw verstand op nul zetten en gewoon laten meeslepen door de manie.

Om terug bij ons hotel te komen waren we allerminst van plan de hele weg opnieuw te wandelen. We waren al op zoek naar een taxi toen we voorbij een pijl kwamen waarop “monorail” stond. We wisten dat de monorail voorbij ons hotel kwam dus was de beslissing snel genomen. We kwamen op een lange roltrap terecht die uitkwam in de gokzalen van de Flamingo. Nieuwe  bordjes leidden ons helemaal tot achterin de zaal waarna we weer een trap afgingen. Die leidde naar een verlaten winkelcentrum en we begonnen eraan te twijfelen of de bordjes ons echt wel ergens heen voerden. 10 minuten later waren we helemaal aan het einde van de lange wandelgang van het winkelcentrum gekomen waarna een nieuw bordje ons rechts af deed slaan, en een eind verder nog eens rechtsaf. Daar bevonden zich de betaalautomaten voor de monorail. Toen we nog eens een kwartier later eindelijk over de rail richting bed aan het schuiven waren en naar buiten keken richting Strip, zagen we dat we om de monorail te bereiken een ondergronds parcours hadden afgelegd dat zich al bijna kon meten met de lange weg naar het hotel. Een metaalachtige stem verschaftte de gewoonlijk niet zo snuggere Amerikanen met wat nuttige uitleg over de monorail: “the word ‘monorail’ comes from the Greek word of ‘mono’, which means ‘one’, and ‘rail’ which means….well yeah, just ‘rail’”. Het zijn toch rekels he, die USA-ers…..

Roadtrip USA, part VI: Bryce Canyon, buitenaardse makelij

Sta mij toe dag 6 over te slaan daar ik toch de hele dag in bed lag terwijl mijn witte bloedcellekes slag leverden met één of ander boosaardig virus waarvan ik hoop dat het het Mexicaanse was (dan ben ik er al vanaf). En de hele dag stond Evi aan mijn zijde om van tijd tot tijd een compresje te leggen, een citroensapke te persen of bemoedigende woordjes te spreken. Fact of the matter is dat ik op zondagmorgen wakker werd zonder koorts en ik de oorlog voor gewonnen verklaarde. Dartel als een jong veulen ramasseerde ik mijn boeltje en togen we op weg naar de Bryce Canyon. Onderweg stopten we even om over de rand van Marble Canyon te gluren, naar het panorama over Horseshoe Bend, een beeld dat ik een paar weken eerder nog in een aardrijkskundeles gebruikt had. Het is op de wandelweg naar Horseshoe bend (door Rough Guide “small sandy hill” genoemd, en in werkelijkheid….. tja, gewoon een kleine zanderige heuvel), dat ik op mijn limieten gebotst ben. De enige manier voor mij om boven te komen was zwaar hijgend en zwetend, om nog maar van het slakkengangetje te zwijgen. Het was duidelijk dat ik het op mijn gemakske zou mogen doen, daar in de Bryce Canyon.

We staken de staatsgrens over en bevonden ons in Utah, die ik prompt tot mijn favoriete staat van de VS proclameerde. Weg zanderige heuvels, weg kale woestijn, weg eenzame rotsen. Het landschap werd groener, de rotsen werden roder, bossen tekenden zich af aan de horizon. De armoedige indianenhuisjes hadden plaatsgemaakt voor idyllische huisjes met veranda’s en bloemenperkjes. Er kwamen far west-dorpjes met sympathieke winkeltjes, mormoonse kerkjes en roadside diners. Het was alsof we zonet een vriendelijker deel van de VS binnengereden waren. Maar dat gold niet voor de dieren die het ongeluk hadden in de buurt van de highway geboren te zijn. We zagen meer roadkill dan in welke andere staat dan ook, en het waren geen hagedissen of eekhoorntjes oh neen. Het waren fullsized herten die opengereten aan de kant van de weg lagen. Ik speurde vanuit de auto de bossen af aan de kant van de weg, maar ik kon geen levende herten ontwaren tussen het geboomte.

In Bryce Canyon National Park hadden we geen enkele moeite ons motel, Ruby’s Inn, te vinden, omdat het leek alsof alles aldaar eigendom was van Ruby’s Inn: Ruby’s campground, Ruby’s General Store, Ruby’s Car Wash, etc. Het was te vroeg voor de check-in, dus reden we door naar een andere herberg waar ook een restaurant te vinden was. Rough Guide noemde het eten in Ruby’s Inn “consistently atrocious”, dus daar wilden we ons liever niet aan wagen.

Een “salmon burger” was er mijn deel. Mét frieten. En mayonaise!! Ik kapte direct de hele pot mayonaise over de frieten heen, en juist op dat moment kwam de serveuse vragen of alles naar wens was. Ik durfde haar niet rechtstreeks aan te kijken, maar ik kan me voorstellen dat ze raar opgekeken moet hebben bij deze vreemde West-Europese gewoonte.

Ik had een constante puf toen we ons uiteindelijk naar de rand van Bryce Canyon begaven, en ik voelde me als een ballon die elk moment kon opstijgen. Los van het opgeblazen gevoel, voelde ik me toch al veel beter dan die morgen dus een wandeling kon er wel af.
De eerste aanblik van Bryce was verbluffend. Het was alsof God, nadat hij de Grand Canyon, de haven van Rio en de Great Barrier Reef had geschapen, nog een enorme chunk energie over had waarmee hij al het voorgaande tesamen tot polderlandschap degradeerde. Bryce was waarschijnlijk het meest intense landschap dat ik ooit in mijn leven had gezien. Oranje-rode rotspieken schoten uit de wand, tientallen meter hoog, en bovenop deze pieken rustten soms grotere rotsblokken, hoodoo’s genaamd, en balancerend in een fragiel evenwicht tot de wind vond dat het welletjes was en er eentje de dieperik in stuurde. Een wandelpad vertrok van het uitzichtsplatform waar wij ons bevonden en slingerde zich tussen de rotspilaren de afgrond in. We gingen op pad, in het gezelschap van een horde Spanjaarden (of Mexicanen. Ze spraken in ieder geval Spaans en iedereen in een straal van 20 kilometer kon het horen), die er niet beter op gevonden hadden dan teenslippers aan te trekken voor de tocht. Ik heb niks tegen teenslippers, maar op een pad als hetgene waarover we toen gingen leek het toch wel ietwat….. bespottelijk. De Spanjaarden waren zelf van een heel andere mening en voelden zelfs de neiging om ons, met onze stevige bergschoenen, te tonen hoe zij dat pad eens in teenslippers zouden aanpakken. Het bracht mij tot enig ooggerol, maar ik voelde niet meteen de behoefte om met deze luidruchtige malloten in competitie te gaan. Ik wilde gewoon zo ver mogelijk bij hen uit de buurt blijven, was het niet achter hen, dan wel voor hen uit. Het werd het tweede, want de groep stopte om de haverklap voor weer maar eens een nieuw idioot groepsportret waarin iedereen om ter belachelijkst het woordje “cheese” probeerde uit te spreken. Over elke fotosessie werd er telkens op voorhand uitgebreid gecommuniceerd tussen de leden van de groep die zich op diverse plekken op het pad bevonden. Het leidde tot een hels over-en-weer geschreeuw binnen de kloof en het werkte ongelooflijk op het systeem.

Anyway, we wisten de groep leeghoofdige toeristen gelukkig af te schudden waardoor we op een bepaald ogenblik in zekere rust en stilte van het landschap konden genieten. Met uitzondering van de Amerikanen, want die hoor je altijd en overal. Het bracht mij opnieuw bij de bedenking dat de Amerikanen de schoonheid van hun eigen land eigenlijk niet verdienen. Serieus: geef die mensen een leeg, lelijk en kaal land dat ze naar hartelust kunnen volplanten met Burger King, Mac Donald’s, Taco Bells, Jack-In-The-Boxes en Subways, en ze zullen een oppervlakkig maar gelukkig leven leiden. Geef al die natuurpracht in plaats daarvan aan een volk dat het verdient en ernaar hunkert. Een volk dat er ook mee omgaat zoals het hoort. Maar bestaat er eigenlijk zo’n volk?

Relatief probleemloos raakte ik opnieuw boven, afgezien van de obligate hoestbui na de inspanning, en het was wat ons betreft tijd om in te checken. Ruby’s Inn bleek meer te zijn dan zomaar een “motel”. Het was een heel bedrijf dat zowat 70% van de toeristische sector in Bryce Canyon in handen leek te hebben: een gigantische lobby, waarvan de muren uitgerust waren als een heus dierenmortuarium. Herten, bergleeuwen en wasbeertjes staarden de bezoekers levenloos aan vanaf hun plek boven het open haardvuur. Een leger van vier of vijf receptionisten werkten als aan de lopende band de check-in af van de niet-aflatende stroom toeristen. Aan de lobby grensde de general store en een heuse souvenirwinkel. We werden verwezen naar een comfortabele kamer, ergens in het Elk-Block (mannetjeshertblok, of reeblok (?)). Na gewassen en uitgerust te hebben waagden we ons die avond nog aan een kleine queeste waarbij we op zoveel mogelijk uitzichtspunten de zonsondergang wilden bewonderen. Het lukte ons geen enkele keer want we waren veel te laat vertrokken. De zon zat al achter het geboomte nog voor we één voet in de auto hadden gezet. Niettemin deed het goed om Bryce te kunnen zien zonder één enkele toerist in de omgeving. Op Fairytale-point zagen we langzaam de duisternis over ons neerdalen en viel het ons op dat er geen enkel, maar dan ook geen enkel geluid op te pikken viel in een heel wijde omgeving. Het was peacefulness van de meest pure soort, en zo was onze avondlijke uitstap toch meer dan geslaagd te noemen (hoewel ik toch gehoopt had iets van Bigfoot te kunnen horen, ruiken of zien).

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.