Stella Artois: the best there is!

Stella Artois vind ik het beste pilsbier dat België voortbrengt. Het is tevens ons bekendste exportbier in het buitenland. Het verschil met Jupiler? Jupiler smaakt goed, maar is het best geschikt om in grote hoeveelheden te drinken. Stella daarentegen, daarvoor neem ik de moeite op te staan uit mijn zetel en naar de frigo te lopen. Voor Jupiler zou ik dat niet doen want het is gewoon bier. Stella is geblinddoekt te herkennen. Het heeft een speciale smaak, en een goeie smaak. Het wordt van alle Belgische pilsbieren ook in het meest aantrekkelijke flesje verkocht. Kan ik hierbij alle bierproducenten oproepen die bruine flesjes achterwege te laten en te vervangen door groene? Ik weet niet waarom, maar uit een groen flesje drinken geeft een frissere indruk dan uit een bruin flesje. Stella zit ook in een bruin flesje, maar in het buitenland meestal in een groen.

 

Op Ratebeer.com krijgt Stella een percentiel van 19. Ter vergelijking: Jupiler scoort 12, Maes idem, Primus 17, Heineken 9 (:D), Amstel 13.

 

Need to say more, Griet? :). En btw: you better thank the wind, not the mountain. :p

Kaas, wijn, koeien, sneeuw, bergen

Het was redelijk onverwacht dat ik alsnog op reis vertrok. Amper een week op voorhand is de beslissing plots uit de lucht gevallen.
“Zou je da nie zien zitten om met oma & opa naar Zwitserland te rijden?”
“Em….bwaja”

En zo geschiedde. Gelukkig moest ik niet alleen rijden maar wisselde ik af met mijn neef. Om de twee uur wisselden we van plaats. Op de autosnelweg rijden is eigenlijk alleen de eerste halve kilometer leuk, wanneer je nog het gevoel hebt snel te gaan. Daarna wordt het saai en is het vooral een oefening in inhalen, achteruitkijkspiegelkijken en kilometers aftellen. Wat wél leuk was, was het stuk op secundaire Franse wegen zich tussen de heuvels slingeren en door stille dorpen zonder dat je ook maar iemand tegenkomt. Dan waan je je in Need for Speed. Maar dan aan 100/u. Of op de Zwitserse autosnelweg die langs het Meer van Genève loopt met zijn vele brede bochten waar je op volle snelheid door kunt gaan, zijn viaducten en tunnels en indrukwekkende uitzichten op het meer en de Alpen. Het was zondag en er was heel weinig verkeer.

Einddoel: Saas-Almagell, in het Saasdal, op 1600m hoogte en vlakbij de Italiaanse grens (die echter alleen met stevige wandelschoenen en goeie conditie te bereiken is). Eindelijk begon de zomer. Ik merkte een vreemde gewaarwording waarbij de poriën in mijn huid verder gingen openstaan en er wat vocht uitkwam. Aan de hemel stond ook een merkwaardige gele vuurbol. 37 graden in het Rhônedal, 25 in Saas-Almagell op het einde van het Saasdal. Ideaal, op een harde droge wind na.

Ik zou het beter wat thematisch aanpakken. Niemand leest trouwens eindeloze teksten, en zeker niet op een blog.  Verwacht geen rode draad, ik schrijf maar wat. Over Batman bijvoorbeeld.

  • BATMAN
    Ik deelde een kamer met mijn bloedverwant van het vierde knoopsgat en zo kom je nog eens iets over jezelf te weten. Van exen weet ik dat ik nogal agressief kan zijn in mijn slaap met een bloedneus als triest hoogtepunt (en het was niet mijn neus). Ik kreeg ook al indicaties dat ik blog in mijn slaap. Mondeling dan. Ik vertel er maar op los, en dat is een verontrustende gedachte. Stel je voor dat ik in mijn slaap mijn wachtwoorden ga beginnen verklappen, of de code van mijn bankkaart, of – erger nog – de naam van bepaalde mensen waardoor er misverstanden gaan ontstaan. Na enige tijd vrijgezellendom is het probleem wat van het toneel verdwenen. Tot Zwitserland dus. Mijn neef wist me gedetailleerd te vertellen dat ik mompel (oef, het is slechts mompelen!) als ik mij omdraai. Hij kon er niet veel uit opmaken behalve één woord: BATMAN.  My hero….  *kuch*
  • RULE BRITANNIA!
    Ik veronderstel dat de meesten dit deuntje wel kennen. Het zat op dinsdag 18 juli de hele dag in mijn hoofd. We vertrokken ’s morgens al om 9u voor een tocht van een hele dag richting naar boven, de Britannia-hütte (3030m). Die had ik vroeger in mijn jeugdige jaren al 2 maal gedaan en ik herinnerde mij een stijle beklimming, vooral in het begin, en op het einde veel rotsen en sneeuw. Het laatste half uur is zelfs volledig in de sneeuw, recht naar boven, over de gletsjer. De herinnering klopte, zo bleek die dag. En waaraan denkt een mens als hij langzaam en ritmisch naar boven gaat, voet per voet zoeken waar je hem het best kunt neerplanten en alleen luisterend naar krekels en je eigen ademhaling? Nergens aan want  in je hoofd weerklinkt het aan één stuk door als een nooit eindigende serenade van koperblazers waaronder 2 uit de kluiten gewassen Alpenhoorns: “RUUUULE BRITANNIA! RULE THE WAVES!…” Vreselijk…..  Konden ze die hut geen andere naam geven? Maar positief ingesteld als ik ben prijs ik me gelukkig dat ik niet op weg was naar de “Kvraag et aan-Hütte of de “Boten Anna-Hütte”.
  • SOOS BOLLN
    Je hoeft je verbeelding nog niet om te schakelen, hou het beeld van de Britannia-historie maar in je hoofd want we blijven op weg. Onderweg kwamen we een ouder koppel tegen. Of beter gezegd: zij kwamen ons tegen terwijl we wat lagen te chillen langs de kant van de weg. De vrouw riep iets onverstaanbaars naar me: “Set uuu woaaat iiiiin hoooof?”
    “Wat vraagt die nu? Of er wat in ons hoofd zit?”.  Mijn neef had er ook niks van begrepen.
    “Bitte?”, riep ik terug.
    “Woa iin hooooof ui de kaaaaaf?”
    Stel je hier gewoon twee verbaasde gezichten voor. Ik koos voor het gemakkelijkste antwoord:
    “Ja!”
    Daarop gingen de twee gaan zitten en begonnen ze aan hun picknick. Ik heb nog steeds geen flauw idee wat ze van ons wilden. Maar het is nog niet gedaan. Een kwartier later gingen ze opnieuw op weg waarbij ze ons voorbijkwamen en de vrouw opnieuw begon te praten. Ik zette snel mijn Stella Artois-pet op mijn hoofd om duidelijk te maken dat we buitenlanders waren en er geen snars van begrepen. Tevergeefs. Het was Duits, maar een heel vreemd Duits waar ik nauwelijks iets van begreep. Ik dacht dat het onbeleefd zou zijn niks terug te zeggen, dus begon ik er maar wat langs te praten in gewoon Duits, waarschijnlijk over dingen die niks te maken hadden met wat ze ons aan het vertellen was.
    -“Wooaa goaaan dé stuuud noooch ooban”
    -“Ja, aber da ist ziemlich viel Wind”
    -“Ui dè muurf da woos dooo?”
    -“Um 9 Uhr sind wir losgegangen”
    -“In du boorg waars nit von uuugen su sheeen”
    -“Ja, und zu Fuss wieder hinunter”
    Mijn laaste vraag voor haar was: “Von wo sind Sie?”
    -“Soos Bolln”
    -“Soos Bolln? :)”, herhaalde ik, en plots realiseerde ik me dat ik schaamteloos haar accent had geïmiteerd. Met een grijns op mijn gezicht dan nog wel. Ze leek het niet gemerkt te hebben. Ze bedoelde waarschijnlijk Saas-Balen, een dorp dat wat verder in het dal lag.
    -Ich meine: woher kommen Sie?”
    -“Aah, aus Ost-Duutshland, wur siiind Flachländer, die buuurge sind fost soe heu!”
    Ik ga toch twee keer nadenken voor ik West-Vlaams praat tegen een Duitser of een Zwitser. Daarom wreef ik het haar nog eens onder de neus: “Wir kommen aus Belgien.”
    Daarna gingen ze weer verder en ik wist wel wat er zou volgen: wij zouden sneller gaan dan hen, ze vervolgens inhalen en de vrouw zou ons weer bestoken met jibberish waarop we antwoorden zouden moeten vinden.
    – “Juu goots fuuul de mit soller!”
    -” Ja, und wir haben es auch nicht gewusst.”
    Toen ik dacht dat we ervanaf waren zei mijn neef plots: “kga min ier een ende zetten”. Wat? Nu al? Dacht ik inwendig. Een haarspeldbocht dieper zag ik het koppel weer komen. Ik zetten mijn zonnebril op en vervloekte mezelf dat ik mijn incognitobril thuis had laten liggen.
    “-Daa soo dir wins aus duur boorn”
    Ik zei niks, maar glimlachte even terug. Ik keek naar beneden, zag haar schaduw passeren, halt houden en ineenzakken. Ik keek op en zag het vrouwmens naast ons op een rots zitten.
    “I meug doa wo rasten”
    Haar man, die tot dan toe weinig gezegd had stond er wat beteuterd bij en ergerde zich duidelijk aan de assertiviteit van zijn wederhelft. Hij ging niet zitten maar bleef ostentatief staan. Mijn neef vond het blijkbaar wel grappig. Hij keek al lachend naar de vrouw, daarna naar haar man en vervolgens weer naar de vrouw. Er viel een ongemakkelijke stilte. Ik deed alsof ik iets zocht op de bodem van mijn rugzak. Ik stak mijn hoofd er bijna volledig in, enkel en alleen omdat de tranen in mijn ogen stonden van het lachen en mijn lip moeilijk in bedwang te houden was. Gelukkig zag de vrouw de awkwardness in van de situatie en stond ze al gauw weer recht om zich uit de voeten te maken. Een bocht hoger zagen we hoe ze een Vlaams gezin met twee kinderen kruisten. De vrouw zei iets tegen de vader van het gezin die een vragend gezicht trok. De vrouw herhaalde haar opmerking waarop de man zich naar de rest van zijn gezin omdraaide en zijn schouders ophaalde. Nog voor de Duitse vrouw opnieuw iets kon zeggen duwde de ongeduldige maar daadkrachtige Vlaming haar met lichte dwang opzij terwijl hij een verontschuldiging mompelde, met zijn vrouw en kinderen in zijn zog. We hebben de Duitsers niet meer tegengekomen die dag.
  • BLAAS-PUF-HIJG
    Ik ben me ervan bewust dat deze drie woorden de geschiktheid van deze blog voor jongere kinderen geen goed gaan doen, maar de schade die kunt heeft aangericht, is toch niet meer te herstellen. Waar was ik? Oja, we zaten daar dus weer op de rotsen terwijl het Duits echtpaar samen met hun spraakgebrek achter de rotsen verdween. Ik verwonderde me er toen al wat over dat mijn teergeliefde neef toch wel veel rust nodig had. Dat was 10 jaar geleden toch nog niet het geval geweest. Het verschil tussen 18 en 28 is blijkbaar enorm. Naarmate we verder bergop gingen, ging het steeds meer bergaf met hem. Tenslotte moest hij om de 10 meter blijven staan om uit te blazen. Ikzelf zat zelfs nog niet in de rooie dus op een bepaald moment nam ik een kleine voorsprong tot aan de top van een kleine rotsheuvel. Boven waaide mijn pet van mijn hoofd en ik kon hem nog niet opnieuw te pakken krijgen. De wind gierde door merg en been. Bevend trok ik zo snel mogelijk mijn trui aan. Té snel blijkbaar want ik had mijn rugzak nog aan. Na de trui volgde nog een regenjas en ik trok de kap van mijn trui diep over mijn hoofd terwijl ik op mijn sukkelende neef wachtte. Het haar op mijn blote benen stond kaarsrecht en achter me wachtte de sneeuwgletsjer ons. Wat is bergwandelen toch leuk! En ik weet bij god niet waarom ik mijn blog vol steek met onbelangrijke details als dit! Ik heb het over het haar op mijn benen for crying out loud!
  • NIGHTMARE
    Oh, wat hebben we daar veel en goed gegeten. Mijn grootouders zijn van de gulle soort. De soort die je voortdurend willen trakteren en geen “neen” als antwoord dulden. Telkens was het weer interessant voor ik en mijn neef om mijn oma te observeren in een restaurant. Er was namelijk wat wij na een tijdje “nightmare” gingen noemen. Op nightmare volgden “nightmare 2 & 3”. Nightmare kwam neer op de angst voor teveel eten. Telkens ze haar bord voor zich kreeg was haar reactie iets in de aard van “oei oei, das veel te vele wi!”. Dan keken mijn neef en ik mekaar aan en zeiden met een lichte knik “nightmare part 1”. Part 2 zou voor halfweg het bord zijn als uiteindelijk de bevestiging komt dat het inderdaad te veel is en part 3 is voor bij het dessert (altijd een Coupe Colonel: citroensorbet met wodka). Ja, ironisch genoeg vroeg ze achteraf altijd een dessert. Ik vraag zelden een dessert. Ik vind het hele concept van nagerechten ronduit sadistisch. Je eet je buik rond met dingen die je eigenlijk koud zouden moeten laten (figuurlijk dan) zoals aardappelen, wortels of bloemkool (ooit al eens iemand horen zeggen “heerlijk! aardappelen!!?). En daarna, als je echt niks meer opkunt komen ze af met de lekkerste dingen die je je kunt inbeelden. Dat is gewoon cynisch en misselijke humor (letterlijk dan). Daarom eet ik geen desserts tot ze er het voorgerecht of het aperitief van maken. Het is immers veel makkelijker om wortels of aardappelen af te slaan met als reden dat je totaal vol zit dan dat je chocolademousse of een Coupe Colonel kunt afslaan. Bij die laatste zit je toch altijd weer met een gevoel van “toemme toch, had ik maar niet zoveel patatten en karroten gegeten!!”. Ik dwaal af. Ik heb een fantastische foto van mijn oma tijdens haar (eerste) gevecht met een volledige pizza. Ik twijfel nog of ik hem ooit publiceer :). Haar gezichtsuitdrukking is in ieder geval onbetaalbaar en heeft een mengeling van paniek, “ik zit vol” en “hoe eet je dit ding?”. Er bleek achteraf nog een bijkomende reden te zijn hoewel ze die lange tijd niet wilde toegeven: ze lustte de salami niet die erop lag omdat die warm had. Het was mijn neef die erachterkwam wanneer ze hem een stuk van haar pizza aanbood. Toen hij het aannam zei ze “nimt anders e bitje mir van dieë salami, t’ i goeie wi!” (neem anders wat meer salami, het is hele goeie!).
    “Als oma zegt dat iets lekker is, bedoelt ze bijna altijd het omgekeerde om ons zo ver te krijgen dat we ervan gaan proeven en haar dus gaan helpen in het bestrijden van haar nightmare”, dixit mijn neef. En ze gaf toe! Dergelijke geslepenheid had ik van mijn brave oma toch niet verwacht. Ik was uiteraard een brave jongen en ik ben erin geslaagd na het verorberen van mijn pizza nog een vierde van die van mijn oma op te eten. Daarna kwam de dessertkaart en was ik zoals gewoonlijk de enige die het op een schnapps hield.
    De vreemdste maaltijd was op de laatste avond: fondue. We kregen en schoteltje met stukjes steak. Daarbij hoorden een 5-tal sauzen die de serveuse één voor één in ons bord kwakte in een halve cirkel. Midden in die cirkel kwam, hou je vast, een hoopje fruit. Ik kan jullie allemaal aanraden eens mayonaise te doen op druiven of appels! Het feest was compleet toen ze met frieten afkwamen. Niet alleen was dit de eerste keer in Zwitserland dat ik mayonaise kon eten op mijn frieten, de combinatie met de stukken appelsien was gewoon……..*zoekt wicked adjectief*………..”exotisch”!! Een foto van mijn bord (zoals het er in het begin uitzag, en dus voordat het veranderd was in een zwembad van saus en sap van fruit) vind je op Flickr.

Ik zou nog veel kunnen zwanzen. Over de fly-attack bijvoorbeeld op de laatste dag toen we op weg waren naar Plattjen, een hut die één of andere idioot 500 meter hoger dan oorspronkelijk had geplaatst wat ons een extra half uur klimmen kostte. Ik werd de hele beklimming achtervolgd door een zwerm vliegen die het net zoals de Belgische vliegen op mijn oren gemunt hadden. En they were in the hair!!!!  In the hair zeg ik je!!!!! Ik liep erbij als een incontinente zwerver met kapotte sluitspier die zich in de laatste 13 jaar niet meer gewassen heeft.

Een kleine ontgoocheling over Saas-Almagell: er zijn veel meer Vlamingen en Nederlanders dan vroeger. Je kan dus niet meer met de mensen lachen zonder dat ze je verstaan. Ik spreek uit ondervinding.

Schimmel

Ik zit hier weer te schimmelen op mijn werk. Het is nu 23u49 en ik zit achter de receptie van Spermalie in Brugge dat tijdelijk dienst doet als onderkomen voor een zwerm muzikanten van het Festival van Vlaanderen. Alle gasten zijn binnen. Ze zitten op hun kamer, een deel slaapt waarschijnlijk al. Als ik mij omdraai zie ik een groot bord met haakjes dat normaal volhangt met kamersleutels. Maar nu hangen er maar een paar sleutels van kamers waar het slot kapot is of zo. Nog een uur en 10 minuten en dan ga ik mijn slaapzak pakken en naar mijn kotje op de eerste verdieping trekken waar ik de eerste avond een bed gevonden heb dat ik uitgekozen heb als mijn persoonlijk “vertrek”. Dat “kotje” mag je redelijk letterlijk nemen trouwens.
Morgenochtend mag ik om 6u er weer uit om koffie te zetten en de boel hier weer in gang te steken achter de receptie. Om 8u mag ik naar huis. Dat zijn dus maximum 5 uren slaap. Dat is lastig, vooral in het begin. Maar nu went het al. Ik ben elke dag minder moe. Als ik om 9u thuis opnieuw in mijn bed kruip val ik zelfs niet meer in slaap (dat gebeurt later wel als ik naar de koers zit te kijken). Ik zou beter wat verder schrijven aan mijn blogpost over mijn reis die al bijna een week achter de rug ligt. Ja, dat ga ik doen!

Ten slotte nog 2 woorden die bij me opkomen: Cadillac en kersen

Tour 2007

Ik krijg dinsdagavond tijdens een msn-gesprek opeens een link toegestuurd naar een online-artikel van de Standaard: Vinokourov is betrapt op bloeddoping. Mijn eerste gedachte was “wow! surprise! verrassing! mijn voorspelling komt uit!”.  Dat laatste schoot door mijn hoofd omdat een paar uur daarvoor mijn broer nog verklaarde dat Vino de enige was die hij nog vertrouwde, waarop ik had gerepliceerd dat ik die Kazach misschien nog minder vertrouw dan Rasmussen. Zijn banden met Ferrari, zijn startverbod in de Tour vorig jaar, zijn grenzeloze ambitie,….  Die ambitie bleek inderdaad grenzeloos te zijn.
Maar waar ik naartoe wil is dit: ik was niet gechoqueerd! Ben ik al zo cynisch geworden dat ik het hele gedoe al gewoon ben en gewoon kick op sensatie? Neen, ik denk het niet. Toen ik hoorde van Vino’s bedrog was ik tevreden. Tevreden omdat de bedrieger gepakt is en waarschijnlijk nooit meer terugkomt in de wielrennerij. Blij omdat ik meer wist dan de dag ervoor, omdat het masker weggenomen was, omdat de onwetendheid ietsje kleiner is geworden. Je hebt natuurlijk altijd vermoedens, maar je weet het nooit zeker. Het wielrennen begint op de Mol te lijken, maar dan met meerdere mollen. Wie zijn de bedriegers? Welke prestaties zijn niet normaal? Wiens naam duikt op welke lijst op? Wie werkt met welke dokter? Allemaal heel intrigerend. Het is een soort oorlog met aan de ene kant de media, de fans en de zuivere renners. Alleen weten we niet welke renners zuiver zijn en kunnen we dus ook niet met zekerheid onze medestanders identificeren in de strijd. Aan de andere kant heb je de gedopeerden, de bedriegers. Ze worden gesteund door malafide dokters en verzorgers. Alleen weten we niet wie die bedriegers zijn. Voor hetzelfde geld is iemand uit ons eigen kamp die we 100% vertrouwden een bedrieger? We weten ook niet wie de andere bedriegers zijn die de gedopeerde renners bijstaan. Handelt een renner op zijn eentje of wordt het binnen de ploeg georganiseerd? Het zou stof kunnen zijn voor een reality-show.

Ondertussen wordt de strijd steeds feller. En wel omdat de media militanter worden, met in Frankrijk L’Equipe die voorop gaan in de strijd, als de generaal onder de media. In Duitsland komt er steun vanwege de televisiezenders die zonder blikken of blozen het uitzenden van de Tour gestaakt hebben na het eerste dopinggeval. In België hadden we de eenzame ridder van HLN, Maarten Michielsen. Maar die ondervond dat hij te weinig grond onder zijn voeten had en dat hij, waarschijnlijk in zijn grenzeloze ambitie en enthousiasme, te vroeg in de aanval is gegaan. Merk op hoe de media steeds agressiever worden in hun bewoordingen. Voorpagina van De Morgen: “Vinokourov vermoordt Tour”.  Dat zijn woorden als een klok.
Ook de toeschouwer wordt militanter. En daar reken ik mezelf toe. We pikken het niet langer, en dat mocht Armstrong al meermaals ondervinden tijdens zijn laatste Tours waarin hij voortdurend uitgejouwd werd. Ook Rasmussen werd uitgejouwd omdat hij de pretentie had in zijn gecontesteerde gele trui, met zijn gecontesteerd imago en zijn gecontesteerde voorbereiding in gecontesteerde oorden de publiekslieveling, Contador, te verslaan in de laatste kilometer van de Koninginnerit.
En zo komen we bij Rasmussen. Voor wie rijdt, of reed die eigenlijk? Ik zal het antwoord geven: voor zichzelf en voor zichzelf alleen. Met alle mogelijke middelen wou hij de Tour winnen. Zo graag zelfs dat hij gisteren in de laatste beklimming een panische angst toonde voor de toeschouwers, die hem rauw lusten want de toeschouwers horen bij ons, en ze menen Rasmussen ontmaskerd te hebben als een indringer, als één van het andere kamp. Ik heb medelijden met Rabobank. Medelijden met Boogerd en Dekker. Medelijden met de ploegleiding. Die zijn al die tijd aan het lijntje gehouden door Rasmussen, die loog over vanalles en nog wat, die lak had aan de ploeg en gewoon zijn eigen weg ging. Rabobank, die moesten gewoon zorgen voor zijn truitje, voor zijn fiets, voor eten en een bed ’s nachts en een massage na de streep. En niet te vergeten: voor een leger helpers die hem de hele dag uit de wind moesten houden. En zo gebeurde het dat Michaël Boogerd, iemand met een grotere staat van verdienste en een mooier palmares dan Rasmussen, zich in zijn allerlaatste Tour mocht opofferen voor de Deen. Zo gebeurde het dat het talent Tomas Dekker zijn eigen ambities mocht achterwege laten en bijgevolg dus nooit zal te weten komen hoe lang hij de kopgroep zou zijn kunnen blijven volgen als hij niet de hele dag voorop had moeten rijden. Rabobank was voor Rasmussen een vehikel voor persoonlijk succes. Wat had Rabobank aan Rasmussen behalve publiciteit? Die publiciteit werd trouwens hoe langer hoe meer negatief.
Rasmussen is in mijn ogen een echte freak, een fanatiekeling, een typische dopinggebruiker. Als je te kleine schoenen gaat aantrekken om gewicht uit te sparen, als je alle vijzen in je fiets gaat uitboren omdat een holle vijs minder weegt, dan heb je een probleem. Als hij de moeite neemt voor dat soort krankzinnig, ja zelfs dwangmatig gedrag, dan is het niet moeilijk je in te beelden dat hij ook bereid is om zich te doperen. Als je dan ook nog eens controles gaat ontlopen, als je gaat verzwijgen waar je gaat trainen en er zelfs over liegt, dan zie je zijn geloofwaardigheid onder het absolute minimum dalen, dat ik het VDB-minimum noem. Toch hoorde ik in de verslaggeving van de rit op de Nederlandse tv gisteren nog steunbetuigingen voor de kip. “Hij verdient het omdat hij dingen presteert die je van hem vooraf nooit had verwacht”.  Dat vind ik een vreemde redenering. Hetzelfde kon je dan ook zeggen van Vino en Landis. Maar die reden op speciale benzine. Op de Nederlandse tv hebben ze blijkbaar niet door dat Rasmussen controversieel is omwille van doping. Ik vraag me af of ze hetzelfde zouden gezegd hebben als Rasmussen voor pakweg Euskaltel reed.

Ik ben blij dat Rabobank van start gaat in de rit van vandaag. De Tour is al genoeg verknoeid voor die mannen, je laat ze dan beter niet naar huis gaan met dat als hun laatste herinnering aan de Tour. Je geeft ze beter nog de kans om er iets van te maken als gewone coureur in de buik van het peloton waar ze eindelijk opnieuw een praatje kunnen maken met hun collega’s of in een ontsnapping waar ze kunnen tonen waartoe ze nog in staat zijn. Geef ze het plezier van de laatste rit op de Champs Elysées waar ze opnieuw toegejuicht zullen worden, en laat dat hun laatste herinnering zijn aan de Tour van 2007. Of voor Boogerd: de laatste herinnering aan de Tour in het algemeen.

Back!

Hello folks, I’m back. En gelukkig in één stuk. Ik heb genoeg meegemaakt om een boel interessante dingen te schrijven. Daar begin ik zo snel mogelijk aan.

CU soon dus 😉

I’m off!

De komende week geen blogactiviteit. Ik ben met congé naar Saas-Almagell in Zwitserland. Mijn grootouders gaan daar elk jaar naartoe en bij wijze van goede daad van het jaar zullen ik (en mijn neef) hen voeren. Het wordt een weekje jeugdnostalgie want het is ondertussen al mijn tiende passage daar. Hopelijk kan ik een boel mooie foto’s schieten.  Allez vooruit, duimen dat ik niks tegenkom.  Volgende post op zaterdag 21 juli of zondag 22 juli.

Wiedaschauen, tschüss, pfiati und moach’s guat!

Cactusfestival (vervolg)

img_0005-1.jpgToen we zondagmiddag op het festivalterrein aankwamen stelden we vast dat zelfs een beveiligd en omheind Minnewaterpark niet Japanner-vrij was. Er stonden er 10 op het podium te zwaaien met saxofonen, schuiftrompetten (meer schuif dan trompet) en met gebalde vuisten. Het was het Tokyo Ska Paradise Orchestra en die veroorzaakten – zacht uitgedrukt – redelijk veel ambiance. Hun enthousiasme was aanstekelijk en het was alsof elk lid van de band zichzelf frontman waande. Ze renden heen en weer, zwaaiden met hun instrument en sprongen op en neer in een bittere onderlinge strijd om de meeste aandacht. Maar het was zeker niet slecht voor mensen zonder hoofdpijn. Jammer dat ik niet één van die mensen was.

Terwijl we wat lui lagen te wezen op wat eens gras moet geweest zijn trad Ojos De Brujo op. Wat ervan op de folder te lezen stond was aantrekkelijker dan wat ze in werkelijkheid produceerden. Het was nogal rommelig. Er was een soort modern flamengo maar dan zonder ritme en structuur. Ze hadden ook een dj maar die leek meer begaan met het tonen van zijn kunstjes dan met het ondersteunen van de set. Zelfs wie vol goeie wil vlak voor het podium stond en zelfs na het eerste nummer nog steeds het beste ervan wilde maken door eenvoudig mee te klappen, kwam in de problemen. Er víel helemaal niet mee te klappen want er was geen ritme, geen groove, geen constant tempo. Er viel echt geen lijn in te trekken. Net zoals op een fuif met een amateur-dj die te graag zijn mixkunstjes toont en daarom om de haverklap tracks afbreekt om een nieuwe aan te boren. Achter ons probeerden een paar mensen te dansen wat een grappig zicht opleverde. Iets dat het midden houdt tussen de slangbewegingen van de zanger van de Rakes de dag ervoor en de kniezwengel.

De Congos dan. Reggae is wel leuk. Vooral als het mooi weer is. Het is een subjectieve interpretatie maar Raggae is vooral hoormuziek en geen luistermuziek. En zelfs al hoor je het dan kun je het maar zo lang verdragen als je gemoedstoestand toelaat. Het werkt alleen als je je uitstekend voelt en de zon schijnt. En het moet vakantie zijn. Die voorwaarden waren slechts gedeeltelijk ingevuld: op een festival word je eerder gedwongen te luisteren, het weer was niet zo goed en de gemoedstoestand was ongeveer 75% terwijl voor reggae toch wel minstens 80% vereist is. En daarbij: ik kan de geur van wiet niet verdragen. Telkens een reggaegroep optreedt verandert het festivalterrein in een open haard en gaan de rookdetectoren in het naburig hotel af.
Na 40 minuten luisterplezier treedt er een bepaald gevoel op dat ik niet kon plaatsen tot Griet het heel treffend beschreef tijdens Horace Andy de dag ervoor. Het “tijdsvacuüm”. Door het monotoon ritme, de monotone melodieën, het monotone stemgeluid, en de monotone beweging van de mensenmassa (er is blijkbaar maar één manier om te dansen op reggae waar totaal niet van af te wijken valt), begint alles te vervagen. Je hoort enkel nog die muziek en die bassen, je zit in dat gras, je doet niks en je hebt niks te doen. Als je dan vergelijkt met de voorgaande weken van examenstress dan is het besef van het tijdsvacuüm plots heel groot. Het tijdsvacuüm heeft ook zijn positieve kanten. Je kan je beter concentreren op hetgeen je doet, áls je tenminste iets aan het doen bent. Studeren bijvoorbeeld. Maar over studeermuziek heb ik al genoeg verteld de laatste tijd. De Congos klonken beter dan Horace Andy in de zin dat het minder lichtvoetig was. Maar het tijdsvacuüm was onvermijdelijk. Vooral als je in tussentijd een Zweedse puzzel aan het oplossen bent.

O, heren van Buffalo Tom, ik bewonder jullie mateloos! En tegelijk vind ik jullie ook maar niks. Ik bewonder jullie omdat jullie met zoveel begeestering op dat podium staan, zoveel enthousiasme, en omdat jullie écht kunnen zingen. Maar ik vind jullie muziek maar niks. Ik ben niet zo voor die platte rock die alleen rock is om rock te zijn. Je weet wel: gitaar, basgitaar en drum, veel gejump en veel passioneel gedoe, de behandeling van de micro alsof het een laatste houvast is boven een diepe afgrond. Het dóet mij niks meer. Ik mis iets in die muziek: een originele rif, een catchy refrein, een bepaald motief, een aanstekelijke bass, een trigger die het haar op mijn armen laat rechtstaan. Maar dat was er niet bij jullie. De songs die jullie zongen klonken hemeltergend gewoon en oppervlakkig en jullie waren zelf ook hemeltergend gewoon en oppervlakkig. Waarom keek ik naar het podium? Geen idee want er was niks te zien buiten 3 mannen in T-shirt en jeansbroek. Maar goed dat jullie het deels compenseerden door jullie enthousiasme. Maar visueel was er niks aan. Jullie probeerden het publiek mee te krijgen maar dat lukte niet echt. Het deed me aan Elvis Costello denken, maar die heeft tenminste nog zijn pianist die een groot showgehalte heeft. Ik heb er een term voor gevonden: mannenmeteenmidlifecrisisrock. De recensent van De Morgen is blijkbaar zo’n man want hij gaf Buffalo Tom 4 sterren.

De ander Tom dan maar. Tom McRae that is. Grappige Brit. Goed in het bespelen van zijn publiek en van zijn gitaar. Mooie tedere nummers. Allemaal goed en wel, ware het niet dat er een aantal downsides zijn aan zijn optreden. De belangrijkste daarvan is dat je na een uur zin krijgt om jezelf van kant te maken. My God, wat was dat depressing op den duur. Wat moet die man een ellendig leven hebben! Er was ook iets tekort op het podium. In het midden stond McRae met zijn gitaar, rechts van hem een pianist en links een cellist. Geen drummer dus. En dat was er tekort aan. Misschien zijn de originele nummers ook zonder drum, maar als je ze live opvoert mét drum dan verras je tenminste nog een beetje en je geeft jezelf de ruggegraat die je nodig hebt als je op een festival optreedt. Dat had Gotan Project goed begrepen want die hebben een vette bas onder hun nummers geschoven die normaal geen vette bas hebben. De leemte werd door McRae zelf nog eens goed in de verf gezet toen hij uit armoede op de klankkast van zijn gitaar begon te tokken. Niettemin mooie nummers. Maar na een uur heb je er wel genoeg van. Ik toch.

Gabriel Rios was zoals verwacht: zichzelf. De X-factor spatte van het podium terwijl de meisjes rond me zowat een zenuwinzinking kregen. Het is altijd weer een totaalspectakel, die Rios. Hij heeft een goed bezette band achter hem staan, bestaande uit 6 man (waaronder één vrouw), hemzelf niet meegerekend. Elk afzonderlijk doen die bandleden niet zoveel. Niemand eist echt de aandacht op, en in zekere zin Rios zelf ook niet. Hij gaat nooit hartstochtelijk aan zijn micro hangen, gaat niet op en neer springen, gaat headbangen. Hij blijft altijd heel koel. Een soort koelheid die heel warm aandoet tegen de achtergrond van zijn muziek. Ik weet niet of het een rol is die hij speelt, of dat hij echt zichzelf is, maar hij bevestigt wel het clichébeeld van een Don Juan.
Afzonderlijk eist er dus niemand vanachter Rios’ rug dus echt de aandacht op, maar ze zijn wel heel goed op elkaar ingespeeld. Het totaalgeluid was overweldigend, en heel erg afgelikt. Als ik zeg dat Gabriel Rios was zoals verwacht, dan bedoel ik dat positief. Heel positief. Verwachtingen ingelost dus.
Tot slot nog één opmerking tot de mensen die rechts vooraan stonden: ik hoop dat jullie je geamuseerd hebben met die irritante blauwe ballon.

De Vlammende lippen dan. De beste omschrijving is: hahaha. Grappig gezelschap. Hij kwam ten tonele in een reusachtige opgeblazen ballon waarmee hij over het publiek rolde. Op het podium: figuren die variëren van Spiderman tot losgeslagen kerstmannen. Maar wat doen die kerstmannen daar? Nee, het is geen retorische vraag. Wat déden die daar in godsnaam? Deel van de show, meneer. Maar waarom moet er show zijn? Om de totale ervaring en muziekbeleving te vergroten meneer. Maar op welke manier vergroten kerstmannen de ervaring en muziekbeleving? Geen idee meneer.
Honderden laserlichtjes (waar kwamen die vandaan?), díe vergrootten de beleving in zekere zin. Vraag me niet hoe dat komt, maar geef toe dat het toch een “waauw-effect” oproept. Positief trouwens dat zanger Wayne Coyne niet te beroerd was wél een opmerking te maken over die laserlichtjes en zelfs opriep hem ermee te beschijnen. Dit in tegenstelling tot Rios die deed alsof hij niet merkte dat er een rode straal zijn iris aan het verbranden was. Kerstmannen roepen geen “waauw-effect” op, maar een “wtf?-effect”. Ook de opgeblazen ballon vergrootte de beleving want die riep een “omg-effect” op. De kerstmannen waren dus pure kitsch en die mogen voor mijn part dus weggelaten worden tijdens rockconcerten. Eigenlijk mogen kerstmannen in het algemeen ook weggelaten worden. De muziek van Flaming Lips is niet direct mijn genre. Ik vind het niet slecht maar ik zal er ook nooit geld uitgeven voor een cd of één van hun concerten. Maar door een opeenvolging van “waauw”- en “omg”-effecten namen ze een goeie start. Zo goed zelfs dat we opveerden en op de banken gingen staan om het beter te kunnen zien. Het showgehalte in combinatie met één van hun bekendste nummers als opener zorgde ervoor dat we even bleven plakken. Maar de lijm begon hoe langer hoe meer te lossen. Dat had niet zozeer te maken met het optreden zelf, dat verrassend leuk en fris was, maar wel met onze benen die begonnen te protesteren. Na een half uur hielden we het dus voor bekeken en beluisterd.

Balans: leuke tweedagse beleefd. En als ik te kritisch overkom: ik bedoel het niet zo. Het is nu eenmaal gemakkelijker iets interessants te schrijven over groepen die je slecht vond dan over groepen die je goed vond. In het tweede geval ga je al snel slijmerig overkomen.