Impressies vanuit Belgiës belangrijkste museum

Parijs heeft het Louvre, Londen het British Museum, New York het MoMA, Wenen het Belvedere, Rome het Vaticaanmuseum, enz.  Zo heeft Brussel het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van België, wat zo’n beetje het belangrijkste museum is van ons land. Een schande dus dat ik het nog niet eerder bezocht had en de hiervoor genoemde musea wél (behalve MoMA, ik weet niet waarom).

Het was warm, maar het regende toen ik afgelopen dinsdag Outro ontmoette aan het Centraal Station. Uitstekend weer voor een museumbezoek, dat wel. Het Museum voor Schone Kunsten is in omvang natuurlijk peanuts vergeleken met het British Museum of het Louvre, maar u zal waarschijnlijk raar opkijken als ik vertel dat het 2 verdiepingen boven de grond telt, en 6 “onder de grond”. Dat laatste tussen aanhalingstekens want het museumcomplex is tegen de flank van de Kunstberg gebouwd.

Bovengronds was er de “oude kunst”, ondergronds de “moderne” kunst, zijnde vanaf de 19e eeuw. Vreemde vaststelling: stipt om 13u wordt het ondergrondse deel een uur gesloten zodat al het personeel samen kan gaan lunchen. Ja, inderdaad: zoals de Post en de Gemeente! Ik moest daar ook aan denken!

Nog een vreemde – genante – vaststelling: in ruimtes waar het muisstil is klinkt de autofocus van mijn camera als een boormachine, zeker als het nogal duister is. Na 3 keer de aandacht van een volledige zaal op mijn dak te hebben gekregen, ging ik over op manuele focus.

Naarmate we dieper en dieper naar beneden gingen werd de tentoonstelling surrealistischer, kubistischer en abstracter. Toen we in de diepste krocht van het museum aanbeland waren, wisten we zelfs al niet meer zeker of we nu naar kunst aan het kijken waren of naar doodgewone blokjes aan de muur of een ordinair brandblusapparaat. Ik overdrijf niet! We waren letterlijk op zoek naar een bordje aan de muur om te bepalen of iets kunst was of niks meer dan een paar TL-buizen. De blokjes bleken kunst te zijn, de TL-buizen ook, maar dat brandblusapparaat was jammergenoeg niet meer dan een brandblusapparaat. Wel een mooi brandblusapparaat. Ik zou het zeker aan mijn muur kunnen hangen met een bordje “Brandblusapparaat Aan Muur (2008)”.

Dan Flavin

Terwijl ik bovenstaande foto nam, stond ik zonder het door te hebben bovenop een kunstwerk. Een kunstwerk waarvan Outro voordien nog zei: “het zijn gewoon tegels, anders zou er wel één of andere afsluiting rond geweest zijn”. Blijkbaar was dat juist de point van het kunstwerk, nl. dat je erover kunt lopen. Maar dat hadden we toen niet door.

Sommige werken willen blijkbaar de kloof tussen bezoeker en kunstwerk overbruggen. Je kan erover lopen zoals bij de tegels van Carl Andre, of je kan er zelf deel van uitmaken zoals bij Michelangelo Pistoletto.

Ha, kijk! ‘T is ik! En don’t be fooled: dit is geen gordijn. Het is enkel de afbeelding van een gordijn, geschilderd op een spiegel.

In 2009 opent het Magritte-Museum in een bijgebouw van het Koninklijk Museum. Ik hoop voor hen dat ze tegen die tijd wat meer Magrittes zullen hebben want ik vond het eerlijkgezegd wat magertjes.

Al bij al is het museum groter dan je denkt, en zeker z’n geld waard: 3,5€ voor een student, 5€ voor de rest. We zijn 2u binnengeweest en hebben de gewone collectie bezocht, en dus niet de tijdelijke tentoonstellingen (duurder).

I Love iTunes

Zonet heb ik ontdekt dat mijn mp3-speler slechts 1gb telt, en dus geen 2gb. Nota bene: ik heb het ding al bijna 2 jaar. En al die tijd dacht ik dacht dat er 2gb op kon. Tenminste: ik dénk dat ik dat dacht, want ik  ben momenteel een beetje in de war: ofwel heb ik hem bewust gekocht als zijnde een mp3-speler met 1gb opslagruimte (en in 2006 was dat niet uitzonderlijk weinig) waarna ik ergens in between die 1gb mentaal omgewisseld heb voor de overtuiging dat er 2gb op kon, ofwel heb ik hem gekocht terwijl ik dacht dat er 2gb op kon terwijl dat in werkelijkheid slechts 1gb was.

Deze mooie maar genante intro dient enkel om me bij het merk van mijn mp3-speler te brengen: Sony. Ooit de gigant op het vlak van draagbare audio, toen we het nog courant over een “Walkman” hadden, zoals we het nu over een “iPod” hebben. Terwijl de iPod de tour opgaat van Bic, Coca-Cola en Kodak (de merknaam vervangt het algemeen Nederlandse woord), kan ik mijn gerief nog met recht en rede een “Walkman” noemen want dat is de merknaam waardoor Sony wil aanknopen met hun glorierijk verleden.
Geen kwaad woord over het materiaal dat ze bij Sony produceren. Allemaal heel degelijk, allemaal heel mooi, gemakkelijk te gebruiken, duurzaam …  Maar van software kennen ze er niks. Hun mp3-spelers spelen alleen het beschermde ATRAC-formaat, dus al je MP3’s moeten eerst omgezet worden naar ATRAC’s voor je ze kunt afspelen op je flashy Walkman. Je kunt je bestanden trouwens enkel op je Walkman krijgen door gebruik te maken van Sonicstage, Sony’s versie van itunes of Winamp.

Sonicstage is het slechtste stuk software dat zich op mijn harde schijf bevindt. Waag het niet ene keer teveel te klikken, want een crash zal geschieden. Het werkt traag, een bestand dat afgespeeld wordt kun je niet verwijderen en een minuut later nog steeds niet, je krijgt geen lijst van albums of playlists of wat dan ook, lelijke interface, weinig opties, bugs all around bij het importeren van bestanden, foutmeldingen, en als je een hele map vol muziek wil importeren en er zit daar één bestand tussen dat hij niet herkent dan zal hij een foutmelding geven waarna de hele actie afgebroken wordt en hij zal niet eens zeggen wélk bestand het probleem veroorzaakt heeft.

Wat zou het zalig zijn om één mediaplayer te kunnen gebruiken met één bibliotheek, van waaruit je rechtstreeks je mp3-speler kunt volstouwen met muziek. IPod-gebruikers denken ongetwijfeld hetzelfde. Ze willen graag Winamp gebruiken maar zijn voor een deel veroordeeld tot het vermaledijde iTunes. Welnu, je zal mij misschien gek verklaren maar ik gebruik iTunes als mijn standaard mediaplayer. Vrijwillig. Zonder ipod. Omdat ik het een supergoed programma vind. Voila, het is eruit.

Laat ik maar even snel de nadelen van iTunes opsommen zodat ik ervanaf ben:

  • Je kan niet automatisch cd-covers downloaden, enkel handmatig
  • Je kunt hem niet uitbreiden met allerlei addons en plugins (gesteld dat ik dat zou willen).
  • Je krijgt geen rangschikking van artiesten of albums aan de linkerzijde, enkel playlists. Voor al de rest is er de magische zoekknop waarmee je, in tegenstelling tot in Windows Mediaplayer, de zoekresultaten al te zien krijgt terwijl je aan het typen bent (find as you type). Oei, dat is eigenlijk een voordeel.
  • ITunes voegt alles wat je afspeelt automatisch toe aan je bibliotheek. Nummers die je later verwijdert van je schijf krijgen in iTunes dus een “!” naast de titel. Voor mij is dit geen probleem want ik speel een nummer pas in iTunes als ik weet dat ik het niet meer zal verwijderen. Het standaardprogramma voor audiobestanden is Winamp, wat ik dus gebruik om iets éénmalig te beluisteren. Als het de moeite is dan speel ik het even af met itunes of ik importeer het in iTunes. Maar ik kan eventueel met wat goeie wil aannemen dat dit voor sommigen een nadeel is, en daarom plaats ik het erbij.

De rest zijn voordelen en het eerste is al direct zo gigantisch groot dat het alle nadelen compenseert:

  • Met iTunes kan je met één klikje je volledige bibliotheek verzamelen waarbij alle bestanden gekopieerd worden naar één centrale map (iTunes Music). In die map wordt alles automatisch verdeeld in submappen volgens artiest en daarbinnen nogmaals in submappen volgens album.
    Orde! Overzicht! Gemak!
    Vervolgens kun je overal op je computer de muziekbestanden die overal zo’n beetje uitgezaaid staan verwijderen zonder het risico te lopen dat je ze volledig kwijt zal zijn. Het bestand krijgt ook automatisch de naam die je eraan geeft in de bibliotheek. Dwz: een bestand dat voordien “track1” heette zal de naam “01 Silence” krijgen, bij artiest zal “Portishead” komen te staan en bij album “Third” als je dat zo in je iTunes-bibliotheek hebt ingevuld. En andere mediaplayers zullen dat gewoon overnemen.
  • Eenvoud! Er staan enkel playlists in de linkerkolom en geen 45 verschillende dropdownmenu’s die elk 38 sub-dropdownmenus hebben zoals in Winamp (artiest, album, genre, classificatie, jaar, what else is there?), waarbij je dan nog eens 89 keer moet dubbelklikken om eindelijk bij het nummer in kwestie uit te komen dat je zocht. Ondertussen is het overzicht volledig verdwenen. Al die soep bestaat in iTunes uit één zoekveld.
    Voor lijstjesmensen zoals ik zijn playlists trouwens de max. Ik heb er minstens 60 denk ik.
  • Je kunt zowat alles doen met een minimum aan klikverrichtingen. Nummers van plaats wisselen? Sleep ze gewoon. In playlist plaatsen? Kopieer en plak, of selecteer ze en sleep ze naar de playlist. CD importeren? 1 klik. Je kunt zelfs nummers verwijderen terwijl ze spelen of een lijst oproepen van alle dubbele titels. Je kunt zelfs nummers in iTunes op het klembord kopiëren en plakken in windows explorer zonder naar de locatie te gaan waar het bestand is opgeslagen.
  • Als je een iPod hebt, tja… Makkelijk he?
  • Als iemand anders op hetzelde netwerk ook iTunes gebruikt kun je elkaars bibliotheek delen.
  • Coverflow: een virtuele plank waarop je cd’s staan, waar je door kun gaan bladeren met het scrollwieltje. Je hebt inderdaad wel de cd-covers nodig die je alleen handmatig kunt toevoegen.

  • Nog een voordeel t.o.v. Windows Mediaplayer: in plaats van een tabblad “afspelen”, een tabblad “mediabibliotheek”, een tabblad “CD rippen”,… is er één enkele pagina. En de opties staan onder Bewerken > Voorkeuren en nérgens anders. En het zijn er geen 3 miljard, maar alleen de belangrijke. Ha!

Ik heb in het verleden Windows Mediaplayer, Winamp en Mediamonkey gebruikt. Geen van de drie kwam in de buurt van iTunes want bij geen van de drie kon ik mijn bibliotheek zo gemakkelijk verzamelen en bij geen van de drie kon ik mijn collectie zo gemakkelijk onderhouden en beheren.

Waarom wordt er dan zoveel geklaagd over iTunes door iPodgebruikers? Vraag het aan Joost. Waarschijnlijk beheren ze hun muziek liever zelf in Windows door voortdurend te knippen en te plakken.
Winamp schijnt daarbij ook heilig te zijn. Dat heb ik niet zelf ondervonden, maar ik heb het van horen zeggen. Het enige wat ik ondervond waren skins, skins en nog meer skins, en opties, opties, opties, nog een paar opties, tabellen, kolommen, zoekvelden, structuren al dan niet in boom, en plugins! Plugins everywhere! En crashes! Vooral crashes! Etjebeh!

All I wanna do is… BENG! BENG! BENG! BENG!

And Tjingggg! And take your money.

Ik hoorde het voor het eerst vorige week in “Kvraagetaan” op Stubru, terwijl ik op mijn koersfiets zat. Aanstekelijk! Aanstekelijk! Onthouden! Paper Planes! M.I.A.! Denk aan Gorki, Maarten. 5 minuten was het nummer voorbij en het was al uit mijn geheugen gewist. Vandaag schoot het me te binnen dat er “ergens” een nummer op Stubru was dat ik wilde onthouden. Maar ik wist niet meer welk. De playlist van Stubru is één grote rommelboel, dus daar vond ik het niet in terug, en een mail bleef onbeantwoord.

Gelukkig hoorde ik het deze morgen in Music@work. Het is de hotshot, en maar goed ook want ik was het opnieuw direct vergeten en het stond alweer niet in de playlist.

Een heleboel gezever voor een videoclip dus, van M.I.A. en Paper Planes (De nineties zijn blijkbaar weer in…).

No Country For Old Men

Ik heb hem dan toch eindelijk gezien afgelopen weekend, No Country For Old Men. En hij was goed. Heel goed zelfs. Hoewel: niet supergoed.

Adjectieven. Dat is wat je nodig hebt om deze film te omschrijven. Geen zinnen, enkel adjectieven. Hier komen ze.

Fatalistisch, pessimistisch, eenzaam, zinloos, spannend, ruw, bikkelhard, stil, mooi, beschrijvend, dromerig, verrassend, adembenemend, zwart.

Dat zegt op zich al genoeg om hem te gaan bekijken als je hem nog niet gezien hebt. In tussentijd ga ik hieronder wat doorleuteren om er toch nog een deftige post van te maken.

Als er iets “gebeurt” in deze film, als er iets aan het verhaal wordt toegevoegd, dan is het stil. Er wordt niet gesproken, er gebeuren alleen dingen en als kijker observeer je en trek je je conclusies. Inderdaad, dat zien we ook bij de broers Dardenne. En er is geen muziek, óók zoals bij de broers Dardenne. Daar houdt de vergelijking wel op want deze film is wél spannend.

Je vraagt je nu af: hoezo “als” er iets gebeurt? Waaruit bestaat de rest van de film dan?
Voor de rest krijg je dialogen die ogenschijnlijk nergens over gaan. Banaliteiten, anekdotes, wat situatiehumor, een beetje psychologie. Die scènes zijn het terrein van Tommy Lee Jones, die de lome fatalistische sheriff speelt die wat achter de feiten aanloopt. En de feiten, dat is de andere, interessantere, plotlijn: die van Moss (Josh Brolin) die toevallig een bom geld gevonden heeft, en de moordenaar die hem achtervolgt om dat geld te bemachtigen. Deze plotlijn is de “stille” plotlijn. Geen woorden, amper daden zelfs. Zorgvuldig opgebouwde spanning in prachtige landschappen, duistere motels, obscure stadjes.

Je laat je zo meeslepen dat je op den duur gaat denken dat dit de hoofdplot van de film is. Maar dat is het niet. Uiteindelijk gaat deze film over het werk van de Sheriff, dat nutteloos lijkt en hij weet het. Met de leeftijd komt de wijsheid en vervalt het cowboymasker. En die wijsheid zegt dat het inderdaad geen land is voor ouwe mannetjes. De andere mannen op leeftijd die in de film opdraven kunnen er trouwens van meespreken.

Ja, het einde is controversieel. Maar als je hetgeen ik hierboven geschreven heb in gedachten houdt, dan valt het nog best te begrijpen.

26 mei

Al de hele dag heb ik een vervelende stuiptrekking tussen mijn ribben in mijn linkerzij. Een beetje hetzelfde zoals wanneer het spiertje onder je oog ongecontroleerd gaat trillen, maar dan op de plaats van je lichaam waar je de meeste kietels hebt. Voortdurend grijp ik naar de plaats van de trilling in de hoop hem te kunnen onderdrukken maar dat lukt niet. Hop, daar gaan we weer.

Die nutteloosheid….. ik krijg spontaan zin om te blokken, iets wat normaalgezien enkel in de vakantie kan voorvallen.

Stuk-de-mulle

“Het zal me leren de fietsterrorist uit te hangen”, denkt het deel van mijn verstand dat doorgaans een aureooltje boven het hoofd heeft hangen.
“Waw, ik ben een held!”, denkt het deel dat te last heeft van een overdosis zelfvertrouwen.
“Het was zíjn schuld, ik kon er niks aan doen”, denkt het deel dat veelal eens mijn gezond verstand komt lastigvallen.
“Het was zijn, schuld maar ook een beetje mijn eigen schuld”, denk mijn gezond verstand dan weer.

Na 8 jaar ben ik nog eens met de fiets op mijn bek gegaan. En als ik een manier had moeten kiezen waarop dat zou moeten gebeuren, dan was het wel deze geweest: een ongeval waarbij je in je recht bent. Omstaanders blijven staan, vrouwen houden een hand voor hun mond en schijnen zich zorgen te maken om mijn fysieke averij, mensen maken aanstalten mij te helpen maar keren op hun stappen terug wanneer ze zien dat ik al vrij snel weer recht krabbel. Als je als jongere spontaan op je bek gaat omdat je nu eenmaal niet met een fiets kan rijden, dan is dat een afgang. Als je op je bek gaat als gevolg van je eigen roekeloosheid, dan is het ook een afgang. Maar niet als je er niks aan kon doen.

Het was een klassiek ongeval. Ik rijd door de Vlamingstraat en ter hoogte van de Stadschouwburg nader ik 2 wagens die quasi stilstaan. Ik wil de eerste wagen voorbijsteken, wanneer die plots hetzelfde wil doen. De wagen houdt in en laat mij voor. Ik steek de tweede wagen voorbij, maar plots slaat die linksaf. Ik kan niet meer stoppen, gooi mijn remmen dicht, mijn achterwiel komt van de grond, ik probeer met mijn voeten op de grond mij tot stilstand te brengen, maar het is te laat. Ik maak een niet onzacht contact met de zijkant van de wagen en ga tegen de grond, waarna ik mijn fiets half op me krijg.

De bestuurder, een zestiger, komt verschrikt kijken of ik geen noemenswaardige kwetsuren heb opgelopen. “Sorry meneer, ik weet mijn weg hier niet zo goed en….” Plots zag hij het nieuw aangelegde fietspad dat in de tegengestelde richting liep. “O, u reed waarschijnlijk op het fietspad!”
“Neenee, ik stak u gewoon voorbij.”
“Je bent nogal geschrokken waarschijnlijk.”
“Nogal.”

Ik besloot maar niet te zeggen dat ik nogal snel aan het rijden was en dat ik gewoonlijk voorbijsteek zonder echt na te denken. Bovendien was mijn halve aandacht bij de andere wagen, die eigenlijk voor mij wilde voorbijsteken waardoor ik het manoevre van de eerste wagen een fractie te laat had opgemerkt. Stel dat ik niet had voorbijgestoken, dan had die tweede wagen het gedaan, en was er sprake van een “echt” ongeval. (Goed he van mij!).

Ik zette het voorlicht recht, controleerde de ketting van de fiets, de pekkel, de remmen, de spatborden en alles bleek intact te zijn. Gelukkig maar, want het was de fiets van mijn pa. Mijn eigen fiets is er wat erger aan toe, zoals de trouwe lezer wel weet.
Ik controleerde ook even of mijn gsm nog heel was, want die zat in mijn zak op dat moment. Wat vuil aan de elleboog, een schrammetje op mijn handpalm, en dat was alles.

Ik schudde de geschrokken automobilist de hand en wenste hem nog een prettige dag. Nu zit ik achter mijn laptop te typen terwijl mijn elleboog wat dik begint te worden en beweging doet lichtjes pijn. Er hangt een beetje bloed aan mijn geschaafde knie die ik eerst niet had opgemerkt. Nuja, medische kosten zullen er wel niet aan verbonden zijn.

Nu wordt het een beetje freaky: de vorige keer dat ik met mijn fiets een stuk-de-mulle maakte was in 2000 (ja, dat herinner ik me nog heel goed!). Maar vandaag was dit eigenlijk het tweede incident met de fiets. Deze morgen, toen ik met mijn koersfiets onderweg was, was het ook bijna van dat. Ik weet niet hoe ik me toen heb kunnen rechthouden, maar ik weet wel dat als ik toen gevallen was, ze de 100 hadden mogen bellen. Ik maakte een scherpe bocht om de brug over de Stinker & de Blinker (het Leopolds- en Schipdonkkanaal) op te rijden, en mijn snelheid was hoger dan anders. Midden in de bocht maakt mijn pedaal contact met de grond en maakt mijn achterwiel enkele bruuske zwiepen waarbij ik wonder boven wonder rechtop kon blijven. Eigen schuld, want ik had een belangrijke regel gebroken: hou in de bocht altijd de pedaal aan de binnenkant van de bocht omhoog. Ik ging minstens 30 per uur op dat moment, dus ik dankte het lot dat deze beker aan mij voorbij ging. De afrekening kwam dus deze namiddag. Alsnog.

Gerechtigheid?

Bestemming Knokke-Blankenberge, vrijdag 23 mei 2008, 17u30, vertrek in Brussel-Centraal

Voor mij zat een sjofele man met een zielige hondenblik in zijn ogen. Hij droeg een maatpak, maar tegelijk lagen zijn halflang haar in slierten langs zijn kaal voorhoofd. Hij trok een blikje Jack Daniels open waardoor ik subtiel nog meer aandacht aan hem ging besteden. Zorgvuldig plaatste hij het geopende blikje op de grond tussen zijn twee voeten om er af en toe zorgvuldig even van te drinken. Telkens beëindigde hij zijn slok met een lange zucht wat een wiskylucht in mijn richting stuurde.

Ik keek even naar mijn twee andere medereizigers, of beter: medereizigsters. De twee meisjes kenden elkaar ogenschijnlijk niet en zaten tegenover elkaar aan het raam. Gedurende de 25 minuten van ons leven die we samen doorbrachten heb ik met meisje 1 één woord (“sorry”) en met meisje 2 zes woorden (“mag ik er even uit a.u.b.?”) gewisseld waarbij die zes woorden eigenlijk van meisje 2 afkomstig waren. Ik beantwoordde haar vraag niet maar stuurde haar een glimlach terwijl ik opstond zodat ze haar stoel kon verlaten.

Wat kun je te weten komen over volkomen vreemde mensen in 25 minuten? Wel, de wiskyliefhebber tegenover me bleek een Gentenaar te zijn want hij las de Gentenaar. Het meisje naast me (meisje 2) was geïnteresseerd in roddels en showbiz. Tegelijk was ze niet echt van het superspontane en sociale type. Gedurende die hele rit had ze namelijk niet één keer haar ogen van het roddelblad op het tafeltje afgewend. Toch leek me dit een leuk meisje. Ik weet niet waarom, het is enkel een gevoel. Dit gevoel werd mogelijk veroorzaakt door het contrast met meisje 1. Meisje 1 was geen bitch of zo, het was enkel het soort meisje in wiens buurt ik niet graag vertoef.
Meisje 1 was van het actieve type, te merken aan haar slordiger haar, haar sportieve schoenen en haar trekkersrugzak. Ook zij las een roddelblad, maar 2 keer nam ze haar gezin om 2 luidruchtige telefoongesprekken te voeren. Het eerste was het soort telefoongesprek dat in mijn geval een sms zou zijn, bestaande uit één zin: “ik kom aan om 18u30.” Het tweede telefoongesprek zou ik al helemaal niet voeren: ze belde naar haar pa om te zeggen wanneer ze thuis zou zijn en hem tegelijk nog mee te geven welke plannen ze die avond had. Voor de geïnteresseerden: ze ging die avond gaan eten met haar vriend/man en een ander koppel of zo. Sommige mensen houden van telefoneren. Ik niet. Tenzij het is om noodzakelijke info uit te wissen. Noem mij associaal, het is gewoon zo. Ik bel niet naar mensen enkel om te bellen, of om een klapke te doen. Een gesprek is geen gesprek zonder de lichaamstaal.

In Gent stapten ze alledrie van de trein en bleef ik alleen achter. Het treinstel werd gevuld met een groep gepensioneerden waaronder een verontrustend groot aantal oude vrouwtjes met hoge enthousiaste stemmen. Een ander oud gepensioneerd vrouwtje dat al sinds Brussel in de trein zat, keek even over haar schouder naar de bende permanenten dat kwam binnengewandeld, schudde even met haar hoofd in ergernis, keek naar mij en trok haar wenkbrauwen op alsof ze wilde zeggen “wat een bende kiekens!”. Ik glimlachte even maar vond het onderwerp niet interessant genoeg om er nog verder interactie over te hebben, dus ik richtte mijn aandacht weer schijnbaar op mijn boek.

Als iedereen op die trein zoals ik zijn of haar belevenissen zou uitschrijven…… dat zou één langerekt avontuur zijn!