Into the wild

Green Jordan

De dag begon zoals de vorige geëindigd was: met een glas zoete muntthee in de schommelstoel op het dak. Ik wist niet zeker of ik die nacht wel geslapen had. Mijn herinnering werd volledig ingenomen door het beeld van de achterkant van mijn oogleden en ik wist niet beter of ik had de hele nacht met mijn ogen dicht gelegen zonder echt te slapen. Om 5u was Greg zo geruisloos mogelijk opgestaan, had hij zijn camera genomen en naar buiten gegaan om de zonsopgang vast te leggen. Ik had even overwogen om hem achterna te gaan maar had in plaats daarvan mijn portefeuille genomen om mijn geld te tellen, en me daarna geïnstalleerd met “De weg naar Mekka” van Jan Leyers. Toen Greg tegen 7u terug was zijn we allebei naar het dak gegaan. Op de drempel van onze kamerdeur lagen twee dode kakkerlakken: één platgetrapte, en één met zijn poten omhoog. Net zoals in het restaurant was ik ook nu blij met de timing van de ontdekking.

Op het dak kwam één van de werkkrachten van het hotel met een glas thee in de hand op ons toegelopen en  hij informeerde of we eigenlijk geen last hadden van onze alcoholverwerkende gids. We antwoordden dat het de eerste keer was dat we hem dronken hadden gezien en dat het voor de rest eigenlijk wel een goeie gids was. De man leek niet bepaald overtuigd. Hij begon te vertellen over een incident in het hotel een tijdje terug waarbij de gids van een Belgische groep teveel had gedronken en daarna een meisje uit een Nederlandse groep had lastig gevallen. De reisorganisatie waarvoor hij werkte was permanent verbannen uit het hotel. We moesten allebei even slikken. Blijkbaar had Nasser een niet al te beste indruk achter gelaten. Terwijl we thee kregen kwam een wat dikkere man, die aan de wallen onder zijn ogen te zien pas was opgestaan, tegenover ons zitten. Hij vroeg naar onze impressies van zijn land. Uiteraard zongen we lof over Jordanië, met zijn prachtige natuur, volstrekte rust en mooie vergezichten.
“We don’t have that in the country where I live”, zei Greg.
-“Where is that?”
-“England”.
-“Aaah, England. I have seen pictures of England. Very green!”
-“Yes because of the rain.”
-“Jordan is dry. Too dry.”
Hij gebaarde met zijn hand over de vallei waar we over uitkeken.
“Not a lot of green here. They should come with airplanes and put water on the land, every day for 4 weeks, and it would be green. Then we could use the land.”
-“Right…right….”, zei Greg vertwijfeld bij het aanhoren van het megalomane plan van de Jordaniër.
Ik als notoir hater van neerslag probeerde het enthousiasme wat te temperen.
“In my country, there is also a lot of rain. And it is also very green. But we can’t see the beauty of the nature because the sky is grey all the time and we never see any sun. Without the sun, there are no colours and everything is dark and depressing. In Jordan, the sun shines every day, so every day you see the beauty of nature.”
De man knikte instemmend.
“What’s your country”.
-“Belgium”.
-“Aaaah, Belgium.”  En opnieuw knikte hij instemmend, alsof hij mijn afkomst goedkeurde. “Welcome to Jordan”.

Dodentocht

De twee vrouwen oversliepen zich en toen ze zich naar het ontbijt spoedden stonden we al klaar op het binnenpleintje om te vertrekken op de wandeling. Hier en daar had ik gelezen dat stevige wandelschoenen aangewezen waren, en ik had bijgevolg mijn bergschoenen aangetrokken. Voor de volledigheid was ik ook in lange broek, gewoon omdat ik bergschoenen onder een korte broek gewoonlijk voorbehoud voor bergwandelingen, waar ik nauwelijks volk tegenkom en waar geen vrome moslimmannen mij nastaren.

Tijdens de wandeling, en nu moet het er even uit, heb ik mij ontzettend geërgerd aan Rowan. Ik heb niet het flauwste idee waarom ze die morgen voor sandalen koos maar nog voor we een stap gezet hadden kon ik al zeggen dat het voor haar de flater van het jaar zou worden.
De hoteluitbater bleek ook de gids te zijn die ons door het reservaat zou loodsen. Ik schat dat zijn leeftijd met een 6 begon, hij sprak amper Engels maar bleek van het type ‘actieve 60 plusser’ te zijn. We gingen van start over een stijl, rotsachtig bergpad dat ons recht de vallei in voerde. Als ik tot dan toe had gevreesd dat het meezeulen van bergschoenen in mijn bagage een nutteloze inspanning zou worden, dan was die vrees nu volledig verdwenen. Ik kon ze wel kussen.
Rowan raakte al spoedig achterop omdat haar voeten voortdurend elk een eigen weg uitrolden over de losse stenen. Na een half uur deed ze haar beklag bij de gids. Die stamelde dat het pad straks beter zou worden en daar scheen ze voorlopig vrede mee te nemen. Haar voeten hadden intussen dezelfde kleur aangenomen als het pad.
We kwamen uit op een brede onverharde weg die zich in dalende lijn door de vallei slingerde. Het was redelijk steil, en dat was ook te zien aan de bezwete gezichten van enkele toeristen die uit de tegenovergestelde richting kwamen. We volgden de weg een eindje, af en toe halt houdend om over de rotswanden uit te kijken op zoek naar wilde dieren en genietend van de loepzuivere stilte. Maar toen we opnieuw voor een smal pad kozen dat langs de helling liep, sloeg Rowan permanent aan het zeuren.
“Can’t we keep on following that nice road into the valley?” “You said it would be easier by now.” “This is not what I had in mind when I imagined a walk”.
En zo ging ze maar door. Ik liep zo ver mogelijk vooraan zodat ik haar slechts in de verte hoorde klagen in dat ééntonige Londense accent. Ik dacht terug aan enkele bergtochten die ik in mijn leven had gedaan waarin een brede onverharde weg met veel losse stenen, de hoofdrol speelde. Ik herinnerde me vooral de intense saaiheid, de pijn aan mijn knieën en mijn voeten, en het met opengesperde mond naar boven staren op de stukken bergop. Als het van Rowan afhing zouden we die weg helemaal naar beneden volgen tot we onze voeten niet meer zouden voelen en bijna door onze knieën zouden zakken, en daarna op het heetst van de middag langs dezelfde weg terugkeren. Bergop.
Bij de volgende pauze, ergens in een koel bosje aan een waterbron, waar we onze gezichten verfristen, liep Rowan naar de gids en stelde voor dat ze op haar eentje zou terugkeren naar de weg, en zo zou terugkeren naar het dorp. Hij kon weinig enthousiasme voor haar plan opbrengen en het verwonderde mij dat ze dat als leerkracht niet inzag. Wat voor gids zou iemand alleen laten terugkeren in een onbekend gebied?
Daarna ging het enkel nog bergop, wat in principe de terugkeer inluidde. De weg was stijl en de zon scheen ongenadig. Ik was blij dat ik eerst naar Zwitserland was geweest en daarna naar Jordanië, en niet omgekeerd.

Het einde van de klim scheen niet in zicht te komen toen het einde van de fles water al lang bereikt was. We stopten even onder een boom en zagen een man in legeruniform ons van boven tegemoet komen. Van een pad was nog nauwelijks sprake en Rowan was aan het fantaseren over een complot tegen ons omdat Nasser ervoor gezorgd had dat we geen ingang voor het natuurpark moesten betalen.
“He’s taking revenge on us just because we didn’t pay the 7 dinars”.
Niemand van ons ging mee in die theorie, en niemand ervoer het pad op dezelfde manier als zij (…waarschijnlijk omdat wij wél schoenen aanhadden).
De man in uniform hield een ketel thee in zijn hand.
“Bedouin tea?”
Niemand behalve ik leek happig om op dat moment thee te drinken behalve ik. De woorden ‘drank’ en ‘dorst’ gingen in een lichtkrant door mijn hoofd. We klommen een eindje hoger tot bij de rotsen voor ik een beker thee kreeg. Het was een vuil geval met een overdaad aan zand dus aarzelde ik aanvankelijk alvorens de thee naar binnen te gieten.
Plotseling verscheen onze gids met een stok waarop een menselijke schedel prijkte, als een soort ‘surprise’.
“Old bedouin burial ground”, glunderde de man in uniform. Ik maakte snel een foto van de gids met de schedel, een beeld dat op zijn minst compromitterend kon worden genoemd in de ogen van iemand die de context niet kent.
Later zou ik van Rowan horen dat de man in legeroutfit haar de rekening van mijn thee kwam presenteren.
“I can’t believe he wanted to charge me for your tea!”
-“I can’t believe he actually wanted to charge for that!”, zei ik.

De terugweg tot aan het dorp ging door ‘the garden’: een dicht struikgewas waardoor onafgebroken het geluid van stromend water klonk en waarin iedere plant wel een eetbare vrucht droeg. De gids stopte verschillende keren om ons achtereenvolgens een tros druiven, braambessen en vijgen toe te steken.
Wat minder in dank werd afgenomen waren de doornstruiken die weelderig over het pad krulden. Schrammen waren ieders deel, behalve het mijne. Na mijn schoenen kon ik nu wel mijn lange broek kussen. Rowan was niet in de stemming om de pracht van de plaatselijke flora te bewonderen want ze was ziedend op de gids. Nadat ik haar voorbij een moeilijk stuk had geholpen door zoveel mogelijk doornstruiken opzij te drukken met mijn voet, hoorde ik haar tegen de arme man van leer trekken. Ik liep snel wat verder naar Greg en Griet maar haar stem bleef hoorbaar.
“I’m very angry with you!!”
-“I’m sorry.”
-“I don’t care about your sorry…”

We lachten groen en prezen ons gelukkig dat onze walk in the woods bijna achter de rug was.

Ik kwam als eerste terug aan het hotel waar Nasser, de chauffeur en nog wat anderen voor de ingang druiven zaten te eten. Ik kreeg terstond een tros in de handen geduwd.
“How was it?”, vroeg hij monter. Van een kater leek geen sprake.
-“For me very good. But people with sandals will say otherwise.”

Hello!

Onze chauffeur stond zichtbaar te trappelen om verder te rijden, en wij met hem, dus sloegen we het middagmaal in het hotel af om onze reis verder te zetten. De hotelcrew wuifde ons uit terwijl het busje zich door de smalle straatjes wrong. Volgende halte: Petra.

We reden door verschillende kleine dorpjes waar schijnbaar enkel 10-jarige kinderen woonden. Zonder uitzondering zwaaiden ze ons lachend toe terwijl ze “helloooo!” riepen. Jommekes avontuur in “Kinderen baas” zou hier perfect mogelijk zijn geweest.
We stopten in een snackbar om te eten en hoewel ik niet overdreven hongerig was verorberde ik mijn ‘chicken shwarma’ alsof ik in dagen niet gegeten had.

Het was een ontspannen namiddag die grotendeels bestond uit autorijden en genieten van het vooruitzicht van een normaal bed en een douche. Ik realiseerde me plots dat ik zo ver ik kon kijken niks anders zag dan een zandvlakte en ik besefte dat ik me voor het eerst in mijn leven in een echte woestijn bevond. Hier en daar zag je een tent, of een eenzame dromedaris staan, met op de achtergrond een kleine wervelwind die plaatselijk veel stof deed opwaaien. Rechts voor ons, in de heuvels, lag Wadi Musa, het dorp dat de toegangspoort vormt naar de historische site van Petra.

One dinar. One!

Wadi Musa deed me denken aan een skioord. Overal waren hotels en restaurants en het vertoonde tekenen van relatieve rijkdom, vooral vergeleken met de dorpjes waar we eerder die middag doorgereden waren. De benoeming van Petra tot één van de nieuwe wereldwonderen zal de inwoners geen windeieren gelegd hebben. We stopten voor een gebouw waarin zich een mythische bron zou bevinden.
“Here is one of the places where Moses hit the rocks and water came out”, zei Nasser. We stonden op de rand van wat ik het best kan beschrijven als een klein zwembad, gevuld met klaarhelder water dat vanuit een rotsachtige tunnel gestroomd kwam.
“It is said to have healing power!”
Greg, die farmaceutische wetenschappen gestudeerd had, nam de proef op de som en dronk enkele slokken water uit zijn hand. Die beker liet ik liever aan me voorbijgaan. Het water uit de kraan was ook zogezegd te drinken en ik wilde mijn darmen in hun oorspronkelijke staat behouden.
Naast de bron was een souvenirwinkel waar zandfiguren in flesjes verkocht werden. Net toen we onze rug wilden draaien om terug naar de wagen te lopen verscheen een jonge verkoper (hij was een jaar of 11). In zijn handen hield hij een Palestijnse keffiyeh (in zwart-wit), die hij mij terstond om het hoofd wilde leggen.
“No thank you!”, zei ik lachend terwijl ik hem ontweek, en ik maakte me zonder omkijken uit de voeten.

Het hotel was degelijk. We kregen er vruchtensap als welkomstdrink en ik was blij nog eens iets anders te kunnen drinken dan water om de dorst te verdrijven. De douche in onze kamer was er één naar mijn hart: hoe je ook aan de kraan draaide, het water bleef stromen. Het leek een uitstekend excuus om er extreem lang onder te blijven staan. “Ik moest wel zo lang douchen, anders zou het waterverspilling zijn”.
Jammergenoeg douchte Griet voor mij en kreeg ze als eerste met het ‘probleem’ te maken. Ik werd te hulp geroepen en kon het water dan toch stoppen door aan de douchekop te draaien.

We hadden 4u voor we met z’n allen zouden gaan eten dus gingen Griet en ik, na gedoucht en gerust te hebben, op verkenning in Wadi Musa. We zochten een bakkerij om sandwiches in te slaan voor de volgende dag. Gewapend met een plannetje uit de Lonely Planet, waar de bakkerij in kwestie in vermeld werd, trokken we de straat op. Maar wat begon als een gecontroleerde oefening in oriëntatie, mondde al snel uit in natte-vingerwerk waarbij we alleen zeker waren van de richting van het dorpscentrum. Onderweg werd ons om de haverklap “hello!” toegeschreeuwd door spelende kinderen. Ook hier waren er geen volwassenen te bekennen. We zagen een jongen van pakweg 11 te paard onze richting uitkomen. Het was de jongen van de souvenirwinkel. Ik zag de bui al hangen.
“You want to ride the horse?”
-“No”
-“Where are you going?”
-“The shop!”
-“Common, jump up, I’ll take you!”
We schoten in de lach.
“With three people on one horse? Are you insane?”
-“Common, it’s no problem!”
Hij was duidelijk getraind in omgang met toeristen. Om ze te overtuigen, blijf zo lang mogelijk doorzeuren.
Wij pasten eveneens onze beproefde tactiek toe: negeren. We bogen ons over het plannetje en deden of we controleerden of we nog steeds op de juiste weg waren. Uiteindelijk joeg hij zijn paard voorwaarts en het nerveuze dier zette een galop in.

De weg bracht ons gelukkig recht naar het centrum. Daar waren geen kinderen meer te bekennen, enkel starende mannen. Bij elke winkel, elke bar en elk restaurant stond wel een kerel voor de deur die ons binnen probeerde te lokken.
“Where from?”
-“Hawai”
-“Welcome. Come take a look inside.”
-“Talk to the hand.”

We vonden onze bakkerij probleemloos. Een rek tegen de muur lag vol plastieken zakken, gevuld met sandwiches. Alleen waren de zakken niet doorzichtig en stond er nergens te lezen hoeveel stuks zo’n zak bevatte. Ik riep de hulp in van de man achter de kassa.
“How many are in the bag?”
-“One dinar.”
-“No, I mean how many are inside?”
-“…one dinar.”
-“Yes, I know. But I want to know – hoooow – many – sandwiches – are – in – the – bag.” En ik ging met mijn handen langs de zak op en neer om het geheel van de sandwiches op één of andere manier te benadrukken. De man leek in de war.
“One dinar.”
We werden radeloos. Intussen moest die man toch al doorhebben dat ‘one dinar’ niet het antwoord op onze vraag is??
-“Do you understand our question?”
-“One dinar”
Een tijd later, toen ik aanstalten maakte om de zak te openen en de inhoud zelf te gaan tellen, kreeg de kassaman de ingeving er een personeelslid dat wél Engels verstond erbij te roepen.
“12”, zei die.
-“Excellent”, zei ik. Ik zag af van het idee om de verkoper nu om de prijs te vragen in de vrees dat de ironie niet zou overkomen, en dus legde ik een dinar op de toonbank bij het naar buiten gaan.

Bij een kruidenier gingen we op zoek naar een pot Nutella. Die vonden we niet en we wilden terug naar buiten gaan, maar net op dat moment stond de uitbater op en vroeg “what were you looking for?”, in perfect Engels, zonder enig accent.
“Nutella”
-“Hmmm, let’s seeee”, zei de man en hij liep de winkel in. Hij liet zijn ogen de rekken afgaan terwijl hij met zijn hand over zijn kin wreef.
“I’m sorry, but apparently I can’t help you.”
-“No problem.”
-“Have a nice evening!”
-“Bye”

Als de man van de bakkerij het ene uiterste betekende, dan was dit het andere.

Stappen in Wadi Musa

Met Nasser hadden we om 20u afgesproken in de lobby. Toen we daar een kwartier voor het afgesproken tijdstip aankwamen bleken de familie Flodder, en even verder Greg en Rowan, een Amstel-festijn te hebben opgestart. Een bediende was juist bezig Rowans glas van een onzichtbare schuimkraag te voorzien toen we erbij kwamen zitten.
“How much does it cost?”, vroeg ik aan Greg.
-“4 JD”
-“4?? I think I’ll pass”.
– “You wanna drink?” Rowan duwde haar glas een eindje in mijn richting.
– “No thanks”
– “Why not?”
– “It’s your beer.”
– “Yes, and I’m offering you some.”
– “No, really”
– “If I ask you if you want to drink, I don’t ask it out of politeness. I’m really offering you some”.
– “Ok then”
Ik nam een slok van haar glas en bedacht intussen dat de eerste slok altijd de beste is. Hierna zou ik geen Amstel meer willen. Maar zo had Rowan het niet begrepen: 2 minuten later begon ze opnieuw.
“You want to drink again?”
-“No, thanks”
-“I mean it!”
-“Me too!”
-“Are you refusing out of politeness or because you really don’t want?”
-“Because I really don’t want.”
-“Ok, then.”

Blijkbaar was Rowan in de Amstel-val gelopen en probeerde ze er krampachtig uit te raken. Ik voelde er weinig voor haar daarbij te helpen. Mijn vorige ervaring was nog niet lang genoeg voorbij.

Naast ons werd de familie Flodder tot onze ergernis steeds luidruchtiger. Gelukkig kwam Nasser, weliswaar een kwartier te laat en al wat aangeschoten, de lobby binnengewandeld.
“Let’s go guuuys!”

Onderweg naar het dorpscentrum zeverde hij erop los, nodigde hij de hello-kinderen uit om met ons mee te gaan (waar ze gelukkig niet op in gingen), en pikte hij een volgzame straatkat op. Rowan bleek van het type te zijn dat tegen dieren praat alsof ze haar werkelijk begrijpen.
“Hello mister cat, how are you? You are so cute! Oh yes you are! Oh yes you are! Are you coming with us?” …

We aten op een terrasje met (luidruchtige) lokale livemuziek op de achtergrond. Ik betaalde 6 dinar voor een kebab die qua omvang 3 keer kleiner was dan de shwarma van die middag (waar ik 3 dinar voor betaald had, drank inbegrepen). Gelukkig voor mij had Greg niet veel trek en mocht ik zijn kip overnemen. Nasser at wat soep en dronk voor de rest arrak. Zijn vertelsels werden steeds inhoudslozer met als toppunt een simpel verhaaltje dat hij uitrok tot romanformaat. Tegen de tijd dat de rekening kwam, was er enkel nog een dikke nevel in zijn hoofd. Er scheen een probleem te zijn met de rekening en het aandeel van de taksen daarin. Nasser hertelde wel 5 keer onze rekening, er stellig van overtuigd dat hij dat wel even voor ons zou kunnen regelen. Dat zou hij waarschijnlijk ook gekund hebben als hij nog over een korte-termijngeheugen had beschikt en niet vergeten was hoe hij moest hoofdrekenen. Toen hij voor de zesde keer aan Rowan vroeg wat zij voor haar eten moest betalen, had ze er genoeg van. Ze nam de rekening uit zijn handen en vroeg de ober ons geld terug. Ze bekeek de rekening en legde het gevraagde bedrag op tafel. Daarna legde ze er de fooi bij en daarmee was de kous af. Wij gingen naar het hotel en Nasser zou “a little bit later” komen. Het was maar al te duidelijk wat hij daarmee bedoelde.
Rowan zeurde over de rekening, ik keek verlangend naar de blikjes frisdrank die in rijen in koelkasten lagen die voor winkeldeuren stonden, en in de verte spatte vuurwerk uit elkaar. Ik voelde me, en ik was waarschijnlijk, een rariteit in het straatbeeld. Ik keek uit naar de volgende dag, want dat zou ongetwijfeld een hoogtepunt van de reis worden.

– Wordt vervolgd –

Advertenties

The goggles didn’t help

Ter aanvulling van gisteren: het fameuze restaurant

Rowan - ik - Greg - Griet

Rowan - ik - Greg - Griet

Wake-up call

De volgende morgen rinkelde de telefoon. Ik had net mijn kleren aangetrokken en mijn hoofd onder koud water gestoken om wakker te worden. Ik keek naar het toestel en er brandde een rood lichtje bij “reception”. Ik nam op.
“Hello?”
“Hello sir, […] waiting for you at the reception”. Ik verstond de reeks woorden die voor ‘waiting’ kwamen amper, maar er waren slechts 4 mensen in Amman die mogelijk op ons konden staan wachten.
-“We’re down in a second”, zei ik.
En tegen Griet: “Shit, ze staan ons al op te wachten! Ik dacht dat we 9.30u afgesproken hadden.”
Op dat moment was het 8.30u. In zeven haasten propten we onze bagage in onze rugzak want die dag zouden we Amman de rug toekeren en met de werkelijke trip door Jordanië beginnen.
10 minuten later verschenen we zwetend aan de receptie. De receptionist stond te bellen en gebaarde ons even te wachten. De rest van ons reisgezelschap was nergens te bekennen. Er was enkel een ietwat dikkere man met een snor. De receptionist legde de hoorn neer en zei iets in het Arabisch tegen de besnorde man. Daarna wendde hij zich tot ons.
“You are checking out?”, vroeg hij, doelend op onze rugzakken.
-“Eh, yes”
-“You have to go to the airport?”, vroeg hij daarna terwijl hij kort zijn blik naar de man met de snor verplaatste. Blijkbaar was die laatste een chauffeur.
“Nooo, we’re going to the Dead Sea! We’re with a group, and we were supposed to be here at 9u30!”
De mannen wisselden weer wat Arabische woorden.
“9.30?”, vroeg de man met de snor ons toen?
-“Yes, Nasser said 9.30”, zei Griet.
-“Nasser said 8.30 to me”, zei de man.
Ik glimlachte en trok mijn wenkbrauwen op. Ik kende onze gids amper een dag maar wist nu al dat het maken van afspraken niet zijn grootste talent was. We lieten onze rugzakken achter aan de receptie en gingen ontbijten. Other things could wait.

Tourist trap

“This is Madaba. It’s a nice town. I think you’ll like Madaba”, zei Nasser terwijl hij uitstapte.”
“How long will we be out?”, vroeg Greg omdat hij niet wist of hij zijn rugzak moest meenemen.
“About half an hour”, zei Nasser.
“Een half uur om Madaba leuk te vinden? Dan moet het wel heel sterke troeven hebben”, dacht ik bij mezelf. Die troeven had het niet. Wat het wel had was een kerk. Niks speciaals denk je misschien, maar stel je dan eens een dorp voor met een moskee.
Wat de kerk speciaal maakte, waren de mozaïeken die binnen lagen en die een kaart van het Midden-Oosten voorstelden. Alles was mozaïek: de vloer, maar ook wat normaal schilderijen zouden moeten zijn. Het waren mozaïeken die aan de muur hingen.
Nasser had zijn uitleg gegeven in een bijgebouwtje en toen wij de eigenlijke kerk binnen gingen bleef hij buiten om te roken. Even verdacht ik hem ervan toch een overtuigde moslim te zijn omdat hij de kerk niet betrad. In Jerash had hij ook het ganse principe van de ‘oproep tot gebed’ van de moskeeën uitgelegd. Hij kende die oproep glad van buiten. Maar anderzijds was er het roken en het drinken dat alles tegen sprak. Kortom, een moeilijk geval.

Take a look inside, guys”, zei Nasser nadat we geparkeerd hadden naast een klein wit gebouwtje op de flank van Mount Nebo. We hadden Madaba intussen achter ons gelaten en waren halverwege de klim naar de top van de bijbelse berg. In het gebouwtje werden mozaïeken gemaakt zoals deze die in de kerk van Madaba aan de muur hingen. Mensen zaten aan tafels met een tang steentjes in stukken te knijpen en te sorteren volgens kleur. Allemaal hadden ze één of andere handicap. Een man in rolstoel vertelde ons gelaten het proces van mozaïekmaken, daarna mochten we rondkijken in de rest van de ruimte die een grote winkel bleek te zijn van mozaïeken en allerlei andere souvenirs. Ik vroeg me af wat Nasser kreeg om hier op gezette tijdstippen een busje toeristen af te leveren. De winkel was groot, bijna een kleine supermarkt, en er ontspon zich een soort kat-en-muisspel. De man in de rolstoel week geen meter van Griet en Rowan, en ikzelf zag vanuit mijn ooghoeken voortdurend verkoopsters mij subtiel benaderen, waarschijnlijk om mij op een onverwacht moment te overvallen en me een keffiyeh om het hoofd te wikkelen voor ik boe of ba kon zeggen. Ik verplaatste me snel naar een afdeling waar het vol antieke spullen stond om daar wat onverschillig geïnteresseerd te staan doen maar al gauw zag ik van achter een hoek een man verschijnen, die vastberaden leek mij een antiek onderzettafeltje te verpatsen. Ik nam de benen naar de hoek waar het vol zout uit de Dode Zee stond, dat een heilzame werking zou hebben op de huid. Het duurde niet lang voor ik van twee kanten werd ingesloten. Griet kwam naast me staan en pakte een pot zout vast.
“Niet vastnemen!”, zei ik nog, maar het was al te laat. Ik ontsnapte op het nippertje, maar Griet zat in de val. Terwijl ze de uitleg aanhoorde over de wondere wereld van zout koos ik voor de uitgang.

Dead Sea Experience

Boven op Mount Nebo keken we uit over het Beloofde Land, net zoals Mozes ons had voorgedaan op het einde van Exodus. Onder ons lag de Dode Zee, gewikkeld in een deken van nevel.
“You are lucky because the view is very clear today”, zei Nasser. “From now on we go downhill because there…”, en hij wees naar beneden, “…is the lowest place on earth. 420 metres below sea level. You will also notice that it’s 10 degrees warmer than here. It will be so humid you can barely breathe.”

De gewaarwording toen ik uit de auto stapte aan de ingang van één of ander resort aan de Dode Zee kun je met moeite onder “to notice” klasseren. De hitte kletste me eerst een paar keer om de oren om zich vervolgens aan mij vast te hechten als een vleermuis in je haar. De plakkerige hitte deed de meren in Noord-Italië degraderen naar 4de klasse in de categorie ‘zwoel’, en okselvijvers traden uit hun oevers om okselmeren te worden.
Nadat we binnen van het buffet gegeten hadden gingen we naar de oever van het meer om de Dead Sea Experience aan den lijve te ondervinden. Je hoeft niet ver te lopen om te voelen dat het water je naar boven duwt. Al gauw word je een menselijke dobber en ga je automatisch horizontaal. Het was gewoon zalig ondanks het water dat zo warm was als in je bad thuis.
Zo ging het een tijdje goed. “Don’t let the water into your eyes”, had Nasser gezegd. Ik dacht “how hard can it be?” Maar ergens weet je wel dat het onvermijdelijk zal zijn. Ergens is er wel één, slechts één luttele rebelse druppel die de aanval zal inzetten. En zo geschiedde. Ik begon me te vervelen en besloot eens op mijn buik te draaien, te zitten, op mijn zij te liggen, etc. Daarbij werd mijn haar nat en van mijn haar begon het water aan de afdaling richting ogen. Mijn wenkbrauwen gaven zich al snel gewonnen tegen de overmacht en plots voelde ik mijn rechteroog gigantisch pieken. Ik voelde ook hoe het water dichter bij mijn ander oog kwam dus dat kneep ik zo hard mogelijk dicht. Met twee dichtgeknepen ogen en een piekend rechteroog zocht ik mijn weg naar de oever, af en toe een oog open forcerend om me te oriënteren. Tot overmaat van ramp kwam er een druppel water op mijn lip terecht. Het is misschien maar een druppel, maar wanneer je het begint te proeven is het alsof je een theelepel zout in je mond hebt. Het moet een lachwekkend zicht geweest zijn: ik die met twee krampachtig toegeknepen ogen al spuwend, op de tast mijn weg naar de oever probeerde te banen. Op een misdadig lange afstand van de waterkant stonden de douches.
Toen ik mij had bediend van het wassende water en terug aankwam bij de oever, zag ik de anderen op hun handen en knieën door het ondiepe water scharrelen, alsof ze chocolade-eieren aan het zoeken waren. De waarheid was grappiger: de modderige bodem had van Rowans teenslets de diepste teenslets ter wereld gemaakt door hem met rubber en al heelhuids te verslinden. Slechte zaak voor Rowan want schoeisel is aan de Dode Zee een noodzakelijk attribuut. Deels om je voeten van snijwonden te behoeden in het zoute water (hoewel je het beter waterig zout zou noemen), maar nog meer om je voetzolen te besparen van derdegraads-brandwonden als je over de hete aarde terug naar het hotel/kuuroord/resort/whateveritwas terugliep. Het was als zoeken naar een naald in een hooiberg, maar ik toonde toch even mijn goede wil door op mijn beurt als een varken in de modder te beginnen graven. Die modder was uitzonderlijk vettig, zuigend en diep. Ik kon mijn hele arm er loodrecht in boren, maar moest wel heel hard trekken om hem terug te krijgen. Ik zou het dus beter niet met mijn been proberen als ik daar van mijn leven nog gevoel wilde hebben.
Rowan vond haar slets niet meer terug, maar vond wel een andere, dus kon ze met twee verschillende sletsen teruggaan. Maar niet voordat we ons volledig met modder ingesmeerd hadden want, zo zegt men, die heeft een geneeskrachtige werking. Ik moet toegeven: achteraf voelde mijn vel aan als de huid van een bloedworst.

Na een siësta aan het zwembad – één van de twee momenten waarop het strandvakantiegevoel tijdens deze reis zou opduiken – was ik toe aan bier. Geen water meer, maar bier. En het kon me niet schelen dat het me 4 JD zou kosten, ik zou een moord begaan voor een frisse pint. Toen ik mij weer had aangekleed stond de Amstel-val mij met opengesperde armen in een kom-eens-hier-gebaar op te wachten. Een bar, een blik Amstel, een plastiek bekertje. Zieliger kon het niet maar ik kon nauwelijks wachten. Drie grote deugddoende slokken en dat was het. De vierde slok was er één van “wtf is me dat???” en de vijfde één van “ik heb heimwee naar het Dode-Zeewater.”
“I think Leffe is delicious!”, zei Rowan en ik kon haar wel slaan om zoveel gevoelloosheid.

Road trip

We verlieten de sauna van de Dode Zee en het busje nam ons mee de bergen in. Weidse vergezichten ontplooiden zich voor ons terwijl de motor van de Hyundai hoge octaven zong om ons boven te krijgen. De chauffeur en Nasser waren duidelijk in een felle discussie verwikkeld waarbij de chauffeur het niet kon laten Nasser aan te kijken als hij iets tegen hem zei. Op die momenten kwamen we soms gevaarlijk dicht tegen de rand van de weg met bijhorende afgrond, of soms helemaal op de linkerrijstrook.
Rowan probeerde ons ongemak subtiel duidelijk te maken aan de twee mannen vooraan: “Nasser, do a lot of accidents happen on these roads”?
-“No, people are used to driving here.”
De boodschap was niet aangekomen, maar ik had het te druk met foto’s te maken om tegelijk voor mijn leven te vrezen. Mannen kunnen slechts met één ding tegelijk bezig zijn weet je wel.

Wasted state of mind

Na een betrekkelijk lange rit kwamen we aan in het dorpje Dana, op de rand van het gelijknamige natuurreservaat dat in wezen een diepe kloof was, met donkerrode wanden, en diverse soorten aan fauna en flora. Het uitzicht zou adembenemend geweest zijn als de zon er niet vlak in ons gezicht stond. Het dorpje zelf was verlaten. Het was volledig opgetrokken in natuursteen (in tegenstelling tot de betonnen huizen overal elders in het land) en het wordt in deze toestand beschermd als een soort erfgoed. Er waren enkel drie geïmproviseerde ‘hotels’. Het onze bestond uit een binnenplaatsje waar aan beide kanten kamers op uitgaven. Aan één kant had men op het dak met glas en staal een soort veranda geconstrueerd, en die afgedekt met een zeil in plaats van een dak. Op het dak aan de andere kant stond niks behalve een bank en een schommelstoel voor twee personen. De twee daken konden bereikt worden door een primitieve stalen trap die eigenlijk niet meer was dan een ijzeren gaas waar men een trapvorm in had geslagen.
Er bleek een probleem te zijn met de reservatie: te weinig kamers gereserveerd. Er waren slechts 3 kamers i.p.v. 5 (de chauffeur, Nasser, Greg, Rowan en één voor Griet en ik). Het was natuurlijk geen enkel probleem voor mij om samen te hokken met Greg, en voor Griet om samen te hokken met Rowan (“hopelijk valt ze snel in slaap”,dixit Griet). Maar Nasser wilde niet samen met de chauffeur op een kamer, dus hij zou een kamer gaan zoeken in een ander hotel.
Toen we later die avond samen op het dak een fles Mount-Nebowijn, die we uit Amman hadden meegenomen, zaten meester te maken (die de titel ‘hard core‘ kreeg want hij steeg snel naar het hoofd), kwam Nasser plots door de poort aangewaggeld. Ik zag aanvankelijk enkel zijn voeten door het bladerdak van een boom op de binnenplaats maar ik herkende zijn broek en schoenen.
“He seems to be wasted”, zei ik.
Toen hij de trap op zwalpte wisten we het zeker. Compleet dronken.
“Hiiiigh guuuuuuuys”, zei hij met een gigantische smile op zijn gezicht terwijl hij een soort sierlijke intrede maakte met wijd opengesperde armen en benen, als een goochelaar die “tadaaaaa” zegt nadat hij het konijn uit de hoed heeft getoverd.
“Can I join you?”
-“Sure”
Hij kwam wijdbeens tussen Rowan en ik zitten waardoor we subtiel tot tegen de rand van de bank schoven. Met veel gegesticuleer begon hij allerlei verhalen te vertellen waarin de pointe ontbrak maar die hij zelf ogenschijnlijk bijzonder grappig vond. Het duurde niet zo lang voor de vrouwen gingen slapen. Greg had nog geen zin en ik zag mijn kans schoon om die schommelstoel eens uit te testen.

Zo gebeurde het dat Greg, Nasser en ik nog tot half één hebben zitten kletsen op dat dak. Het verbaasde me hoe snel Nasser nuchter werd. Hij vertelde over zijn familie, over vrouwen in het algemeen (waarin hij verrassend conservatief uit de hoek kwam), over zijn schotelantenne en over de ramadan. Hij legde het systeem uit hoe aan de stand van de maan de begindatum van de ramadan wordt bepaald en hoe het de komende jaren steeds zwaarder zal worden naarmate de vastenperiode dichter en dichter opschuift naar het heetst van de zomer. “It’s impossible not to drink a whole day long when it’s 40 degrees outside.”
Hij vertelde ook over het probleem met de reservatie en waarom hij een ander hotel is gaan zoeken.
“I need some personal space”, zei hij. “Some privacy”.
Dat begrepen we allebei maar al te goed. Maar toen zei hij iets vreemds: “It’s not for my mind, my mind is ok. It’s for my body. I have certain needs.”
“I think he means his bottle bottle of booze”, zei Greg me toen Nasser even naar het toilet was.

De volgende dag zouden we met een andere gids het park in trekken en Nasser beloofde dat hij hem zou vragen ons op zijn mooiste tocht mee te nemen. “Because I love you guys, really!”.

The Hose

Onze kamer was simpel vierkant met een houten deur en een raam met een luik. De muren hadden geen bekleding want de buitenmuur en de binnenmuur waren dezelfde. Er bengelde een peertje aan het houten dakgebinte boven ons hoofd. Greg begon prompt de matras te controleren op ‘bed bugs’. “Look for the black dots. That’s their poo!”  Gelukkig waren er in geen van beide matrassen tekenen van bed bugs te vinden.

Het sanitair viel best mee want er was één toilet dat geen “poo hole” was, zoals Greg het plastisch uitdrukte. Nuja, een gewoon toilet is nog altijd op z’n Jordaans: je mag het toiletpapier niet in het toilet gooien, maar in de emmer die ernaast staat. Anders riskeer je een plaatselijke en onsmakelijke vorm van wateroverlast. Eigenlijk dient toiletpapier enkel om de handel af te drogen nadat je met behulp van een waterspuit (eveneens naast het toilet te vinden) en je linkerhand (die je bijgevolg nooit mag gebruiken om te eten) alles proper gewreven hebt (sorry voor de mental image). “The Hose” was een begrip geworden onder ons vier en er was geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht die werkelijk te gaan gebruiken.

Shikaka!

Toen ik terugkwam nadat ik mijn tanden had gepoetst wees Greg me op een nerveus gepiep ergens in het dak. “We have a bat”, zei hij.
Mijn haren gingen onmiddelijk overeind staan. Op één of andere manier krijg ik net iets té vaak te maken met die creatures of hell als ik op reis ben.
We noemden ons nieuw, maar voorlopig onzichtbaar huisdier Shikaka, en ik ging met een ongemakkelijk gevoel slapen. “The spirit shall overcome”, ging het door mijn hoofd toen ik het licht uitdeed.

– Wordt vervolgd –

ps: is dit nog te doen of wordt het te lang? Is het eigenlijk wel interessant? In ieder geval is het te lang om ideaal blogmateriaal te zijn. Maar ik schrijf nu dan ook voor mijn vast publiek. Feedback aub.

I’ll tell you a story

Nasser

“Let’s stop here”, zei Nasser.
De minibus stopte aan de overkant van een brug over een riviertje. Er was nog een andere auto geparkeerd en wat verderop stonden een man en een jongetje gebogen over wat een schildpad leek te zijn. Rowan stak onmiddellijk een verhaal af over haar eigen schildpad die er net zo uitzag en waarvan ze niet wist wat zijn land van herkomst was. Zelfs in de zoo konden ze het haar niet vertellen. Maar nu ze in Jordanië dezelfde schildpad zag wist ze het! Ik glimlachte flauwtjes, de grootste blijk van interesse die ik voor haar huisdier kon opbrengen.
Nasser, onze gids, stak een sigaret op. Het zou een vast ritueel worden: we stoppen even voor een uitzicht of wat uitleg en tegelijk geeft het hem de gelegenheid te roken.
Het woord “kettingroker” schiet mijns inziens te kort om het rookgedrag van Nasser te beschrijven. Zijn nicotineverslaving bleek echter het minste van zijn problemen te zijn, in tegenstelling tot zijn drankverslaving. Elke avond was hij stomdronken. Gelukkig behoorde hij tot de soort van de plezante dronkaards zodat het voor ons niet meer dan een kleine vervelendheid betekende.
Met zijn Afrikaans bloed, grijze ringbaard en zwart haar deed hij me denken aan Morgan Freeman, maar dan 30 jaar jonger. Hij was Palestijns van oorsprong en was nog steeds hoopvol dat de Israëlische staat hem op een dag zou compenseren voor de grond die ze zijn familie hadden afgenomen.
“I don’t care if they give me a piece of land in the middle of the desert, as long as I get compensated. I’ll make sure it gets enough water, no problem! But now, I have nothing!”, had hij in de auto verkondigd.

“Common guys, follow me. I’ll tell you a story.”
En dat kon hij goed. Blijkbaar speelde het riviertje waar we gestopt waren een rol van betekenis in het Oude Testament. Nasser vertelde over oude Jordaanse koninkrijken, de aardsvader Jakob en iets over nitraten die belangrijk zijn in de Jordaanse economie. Daarna vluchtten we terug naar de airco van het busje. Het programma die dag was lang: 2 steden uit de tijd van Alexander de Grote (Gadara/Umm Quais en Gerasa/Jerash), en een Arabische burcht uit de tijd van de kruistochten.

De koning is dood. Leve de koning!

De weg was lang, het asfalt hobbelig en de verkeersdrempels zorgden er keer op keer voor dat mijn gordel zich tussen mijn ingewanden snoerde. Het landschap was prachtig met glooiende heuvels, vijgenbomen en kleine dorpjes, maar op den duur zat ik meer naar de weg te turen in de hoop een verkeersdrempel tijdig op te merken om vervolgens zenuwachtige pogingen te ondernemen mijn gordel wat losser te maken.

Umm Quais lag in het uiterste noorden van Jordanië tegen het drielandenpunt met Syrië en Israël, tegenwoordig door Israël omgevormd tot een tweelandenpunt door de bezetting van de Golanhoogte, die eigenlijk tot Syrië behoort.
Vanaf de ruïnes van de oude Griekse stad hadden we een prachtig uitzicht met in het westen het Meer van Galilea en in het noorden de Golanvlakte, bron van 40% van de problemen in het Midden-Oosten (de overige 60% komen voort uit de bezetting van de Palestijnse gebieden). Volgens Israël vormt de Golanhoogte een bedreiging omdat de Syriërs in het verleden van daaruit Israëlische dorpen en steden hebben bestookt. Het hele gebied is zwaar gemilitariseerd maar daar was vanuit het rustige Jordanië niet veel van te zien. In ruil voor neutraliteit mag Jordanië rekenen op ruggensteun van het VS. Het houdt zich afzijdig van de Israëlisch-Palestijns beslommeringen maar draagt er wel de gevolgen van, zowel op het vlak van demografie (60% van de bevolking is of stamt af van Palestijnse vluchtelingen) als op het vlak van toerisme.
De bezieler en hoeder van de Jordaanse stabiliteit was lange tijd koning Hoessein, maar sinds diens dood in 1999 is die fakkel overgenomen door zijn zoon Abdullah. De koning bleek immens populair te zijn: toen we van Umm Quais naar de burcht van Ajlun reden heb ik geprobeerd te turven hoe vaak ik zijn beeltenis langs de weg zag opduiken, maar ik heb de inspanning al gauw gestaakt. Het waren er te veel. Verder waren ziekenhuizen, moskeeën en scholen naar hem genoemd.

Enfin, genoeg educatie. Over de burcht in Ajlun kan ik kort zijn want de enige anekdotische waarde die eraan valt te geven is dat ik er vrouwen in Burka, gewapend met een Canon Ixus, de toerist zag uithangen.
That does not give me a story, so let’s get on with it.

Frigoboxtoeristen

Het restaurant dat bij de ruïnes van Jerash hoorde was zoals verwacht veel te duur en dus zouden we zoals gepland de Hollander gaan spelen door buiten onze sandwiches met Nutella op te eten, die we de dag voordien in Amman gekocht hadden. O, wat waren we vooruitziend geweest! En o, wat waren we trots op onszelf!
Rowan ging samen met Nasser binnen eten en naar verluid heeft hij er twee halve liters Amstel achterovergeslagen.
Amstel valt alleen in extreme hitte en dorst te verantwoorden, dus hebben die Hollanders het goed bekeken. Ze exporteren het goedje naar de meest exotische locaties waar dorstige toeristen gemakkelijk in de val kunnen lopen door er een glas van te bestellen, twee slokken te nemen, en vervolgens vast te stellen dat hun dorst verdwenen is (samen met het moment waarop je je niks aantrekt van de smaak), en dat het ledigen van het glas niet de meest aangename ervaring van hun reis belooft te worden.
Geef mij dan maar liever Heineken. Dat smaakt naar niks, dus kun je je er ook niet aan mispakken.

Toen ons lunchpakket verorberd was gingen we binnen op zoek naar Rowan en onze gids. Ze was juist druk bezig haar avontuur op de Egyptische ferry voor de elvendertigste keer te vertellen en Nasser had duidelijk moeite om zijn aandacht erbij te houden. Nadat we ons aan tafel hadden bijgezet werd het gesprek verschoven richting nog oninteressantere regionen zoals de vorm van de lipjes op blikjes frisdrank, en het Jordaanse gsm-netwerk. Het grootste netwerk heette “Zain” en blijkbaar betekende dat “mooi” in het Arabisch. Ik merkte op dat een gsm-netwerk met de naam “Beautiful” bij ons klanten zou trekken door de naam alleen al.

Op het einde van onze rondleiding door Jerash, wat best wel de moeite waard was want het is de best bewaarde ruïnestad in het Midden-Oosten, legde Nasser het Jordaanse systeem van afvalverwerking uit. Kwestie van de aandacht vast te kunnen houden bij een temperatuur van 38°C.
“You just throw everything in one bag. Later on, it’s sorted by someone else.”
-“Who wants to do a job like that??”, vroeg Griet.
-“It’s very well paid”, zei Nasser.
“Praktisch systeem. Je laat een ander het vuile werk opknappen”, dacht ik bij mezelf.
Later die dag noemde Greg Nassers vertellement “a bunch of crap”.
“You seriously believe that there will be someone who’s sorting garbage all day long, eight days a week? They don’t give a rat’s ass about recycling.”
Ik dacht er even over na en kwam tot de conclusie dat ik eigenlijk veel te goedgelovig ben.

De chili, de yoghurt en de kakkerlak

Die avond stuurde Nasser ons naar een restaurant in Amman.
“It’s a very good restaurant! Typical Jordanian food! Tomorrow you will say thank you Nasser, it was delicious!”
“And ask for Nasser’s table!”, voegde hij eraan toe.

We werden erheen gevoerd met het busje van het hotel. We spraken met de chauffeur af dat we over twee uur terug buiten zouden staan, maar die maakte duidelijk dat hij gewoon zou blijven wachten in de auto.
“Seriously? For two hours??”
“No problem, I wait in car.”
Er stonden 2 portiers in een deftig pak aan de deur die ons bij het binnengaan begroetten. Een man met een vriendelijk gezicht kwam ons tegemoed.
“Welcome!”
-“Four persons. Nasser’s table please.”
-“Whó’s table?”
-“Nasser’s table!”
-“Oh, Nasser! He’s your guide?”
-“Yes”
-“Follow me, please”.

We betraden een binnenpleintje dat deels overdekt werd door donkere doeken. Er stonden grote ronde tafels, waarrond mensen languit in zitbanken aan een waterpijp lagen te lurken. In het midden en tegen de muur klaterde een fontein. De man gebaarde ons plaats te nemen aan een grote lage tafel naast de fontein. Een ober kwam onze drankjes opnemen.
“How much does a beer cost?”, vroeg Rowan.
“You want beer?”
“No no, how much does it cost?”
De ober keek Rowan verward aan en ze herhaalde haar vraag nog eens. Toen kwam een andere ober er bij staan.
“We do not serve alcohol”, zei die. “No beer, no wine.”
Voor de verandering werd het die avond weer maar eens water, net zoals de dag ervoor, en net zoals het de volgende dagen ook beloofde te worden.

We wilden eten bestellen maar kregen de kans niet om het menu te bestuderen.
“Fixed menu!”, zei de ober. “Typical Jordanian!”. Hij liep lachend weg en ik achtte dit het ideale moment om over mijn ervaring met de yoghurt te vertellen. “You know the taste in your mouth when you just….”
“Laat me raden, dit zal in dezelfde bewoording op je blog verschijnen?”, vroeg Griet.
-“Reken maar”, zei ik grijzend.

Kort daarna kwamen drie obers aangemarcheerd, hun beide handen en armen beladen met schotels. De tafel werd volledig volgezet met eten. Daarna prepareerden ze voor elk van ons een bordje. Het was heerlijk. We deden ons te goed aan de groenten, de olijven, het vlees waarvan we niet wisten wat het was, zelfs aan de humus.
“It’s very good, but a lot!”, zei Rowan aan één van de obers.
“It’s only the entrée”, zei de ober met een knipoog.
We keken elkaar aan terwijl we gelijktijdig even stopten met kauwen. Greg, die juist nog een broodje uit de mand wilde nemen trok langzaam zijn arm terug.

Nadat de tafel was vrijgemaakt herhaalde het tafereel zich, maar dan met het hoofdgerecht. Schapenkoteletten, kalfsvlees, nog 3 andere onidentificeerbare soorten vlees, en … de beruchte yoghurt werden op tafel gezet. Ook frieten deden hun intrede. Elk bordje werd afgewerkt met een groene chilipeper.
Toen we bijna vol zaten proefde Greg, zelfverklaard chililiefhebber, een stukje van zijn peper.
“It’s warm but not hot”, zei hij.
“Warm kan ik wel aan”, dacht ik terwijl ik de chili in twee sneed en één helft in mijn mond stak. Ik had het beter niet gedaan.

Het vuur begon achteraan op mijn tong en breidde zich snel uit naar alle uithoeken van mijn mond. Ik slaakte een wanhopig gereutel en begon met mijn hand te klapwieken voor mijn mond, alsof dat zou helpen.
“I told you it was warm”, zei Greg.
“HOOOOT!”, murmelde ik terwijl de tranen over mijn wangen begonnen te lopen en mijn brillenglazen bedampten.
Ik had gehoord dat water het alleen erger maakt, maar dat brood wel helpt. Ik viel de broodmand aan en begon als een bezetene brood in mijn mond te proppen. Toen dat niet hielp propte ik er nog meer brood bij.
“You have to eat the yoghurt!”, zei Rowan.
Ik keek haar aan als een stier in een Spaanse arena die een kortstondige onoplettendheid van de torero in de mot gekregen heeft. Ik tikte driftig met mijn wijsvinger tegen mijn slaap.
“I’m not kidding, yoghurt helps!”
No way dat ik ooit nog een hap van die yoghurt zou nemen.
“Pain!!!!” zei ik intussen met opeengeklemde kaken terwijl ik hulpeloos de tafel afzocht naar meer brood.
Ik nam mijn toevlucht tot het glas water om van de 5 seconden verkoeling te profiteren en het brood door te spoelen.
“Eat the yoghurt!!”, zei Rowan.
“Very funny”, zei ik hijgend. Daarna laaide het vuur weer op en graaide ik naar het brood.
“It’s not a joke! I’m very serious!”
Ik besteedde al geen aandacht meer aan haar want ik had het te druk met het bijeenhouden van mijn gehemelte en het overtuigen van Greg dat een foto op dat moment geen goed idee was als hij accidenten wilde vermijden.

Na een poos kreeg ik de brand min of meer onder controle door zo lang mogelijk water in mijn mond te houden alvorens te slikken. Uiteindelijk bleven alleen het rechterdeel van mijn onderlip en mijn tong smeulen. Eten zat er voor mij niet meer in.
Intussen was Rowan nieuwsgierig geworden naar de yoghurt en durfde het aan te proeven.
“Hmmm!, it’s very good!”, zei ze.
Ik trok mijn wenkbrauwen op en doopte een punt van mijn vork in de witte brei, die er in elk geval uitzag als doodgewone yoghurt. Ze smaakte naar….yoghurt. Lekkere yoghurt zelfs.
“I really meant it about the yoghurt”, zei Rowan nog maar eens. Ik kon alleen maar zuchten en beteuterd kijken.

Nadat we de rekening betaald hadden (10 JD per persoon, oftewel 10€), en terwijl de vrouwen naar het toilet waren, stonden Greg en ik in de gang te staren een kakkerlak op de vloer.
“If I’d seen this when we came in, I would not have eaten here”, zei ik.
-“You know, cockroaches aren’t filthy animals. They are nature’s vacuum cleaners because they eat all the filth”, zei Greg
-“That’s the point. If there are cockroaches here, it means that there must be filth”, zei ik.
-“Good point.”
We zagen hoe de kakkerlak tussen de voeten kroop van een meisje dat op een soort flipperkast stond te spelen. Tot twee keer toe verzette ze haar rechtervoet maar miste ze het smerige beest op een haartje. De derde keer was het prijs maar we hadden jammergenoeg geen tijd om het resultaat te bekijken want Rowan stond ons al aan de deur te wenken.

We vonden het minibusje op de kleine parking naast de ingang, met achter het stuur onze slapende chauffeur.

– wordt vervolgd –

Where from?

Five jaydee

“2,5 JD”, zei de receptionist van het hotel toen we vroegen hoeveel een taxirit naar downtown Amman zou kosten. In die wetenschap stapten we naar buiten waar de portier plichtsgetrouw het lint even voor ons opzij hield. We stonden 5 seconden op straat of er stopte al een taxi, zomaar out of the blue want we hadden hem niet eens doen stoppen. Ik liep naar het open raampje.
“How much to the Roman Theatre?”
-“5 JD”
Ik keek naar Griet.
“Hij vraagt 5 dinar.”
-“Aan de receptie hebben ze 2,5 gezegd, dus dat is te veel.”
Ik stribbelde even tegen. Misschien hebben ze zich aan de receptie vergist? Er is wel een groot verschil tussen 5 en 2,5.
“5 dinar is too much!”, zei Griet aan de chauffeur. Die haalde zijn schouders op met een air van “dat is mijn probleem niet”.
Aarzelend gingen we achteruit om duidelijk te maken dat we een andere taxi zouden gaan zoeken. “We’ll find another taxi then!”
Ik had verwacht dat de chauffeur nu toch zijn prijs zou gaan verlagen maar in plaats daarvan reed hij gewoon weg.

Na een kort moment van verbazing gingen we te voet op weg in de ochtendlijke hitte. Alles in Amman is wit, gebroken wit of grijs, waardoor het zonlicht naar alle kanten gereflecteerd wordt en je niet zonder zonnebril kan. Links van ons liep een drukke boulevard paralel met de straat van ons hotel. Zwermen Koreaanse auto’s vormden een rivier van verkeer waarin de talrijke gele taxi’s eruit sprongen. Af en toe zag je een volgepakte bus voorbijrijden, zowat de enige vorm van openbaar vervoer in de stad. Een taxi was het meest voor de hand liggende vervoermiddel voor wie geen auto bezat.

Kermis

Toen we langs de boulevard begonnen te lopen hadden we ogenblikkelijk een taxi beet. Toen ik naar zijn prijs vroeg wees de chauffeur naar zijn meter en die leek ons betrouwbaar. We stapten in en vertrokken op een rollercoasterrit door de verkeersdrukte van Amman. Tunnels, viaducten, rotondes en splitsingen volgden elkaar in sneltempo op. Verkeerssituaties die in een westerse stad een enorme opstopping zouden veroorzaken waarbij chauffeurs woest eerst op hun claxon en vervolgens op het gezicht van de andere bestuurders zouden gaan timmeren, werden in Amman opgelost door een kort getoeter om andere chauffeurs te waarschuwen en waarbij de rem nauwelijks beroerd werd. Het was een opmerkelijke verstandhouding.
Samen met het gaspedaal en de waarschuwingspinkers, was de claxon het belangrijkste instrument voor de Jordaanse chauffeurs. Het was multifunctioneel. Er werd geclaxonneerd als er naar links of rechts werd afgedraaid, bij het oprijden of het verlaten van een rotonde, om een andere bestuurder te verzoeken wat plaats te maken zodat er ingehaald kon worden (rijstroken worden immers genegeerd), als er een opstopping was, of om voetgangers die wilden oversteken duidelijk te maken dat ze daar beter nog even mee konden wachten. Verder kon een claxonstoot ook betekenen “wilt u een taxi?”, “wilt u echt geen taxi?”, “ik blijf hier langs de kant van de weg staan tot u uw stadsplan hebt opgeborgen en verderloopt zodat ik zeker weet dat u geen taxi wilt”, of “he, u daar in de massa met die rood-witte hoofddoek … nee niet u, maar die ernaast … ja u … ken ik u niet van ergens?”

Een ander geluid dat voortdurend te horen is, is dat van de gasleveranciers. Die werken volgens hetzelfde principe als de ijskar bij ons: met een kinderachtig liedje.

Amman was een helse kermis.

Oversteken

We werden gedropt vlak voor het Romeinse theater en betaalden, jawel, 2.5 JD. Om het theater te bereiken moesten we de straat oversteken en in Amman is dat niet minder dan een levensbedreigende situatie. In de Lonely Planet had ik gelezen:
“Unlike what you may think, Jordanian drivers do not have the intention to run you over.”
Dat was heel moeilijk te geloven. Er waren geen zebrapaden of verkeerlichten. Oversteken doe je door te wachten op een gaatje, te rennen voor je leven, in het midden van de straat opnieuw te wachten op een gaatje en opnieuw te rennen voor je leven.
In de Lonely Planet stond verder:
“Some people stop a taxi so they would get at least one free lane”.
Dat leek me nogal overdreven toen ik het voor het eerst las, een week voordien. Maar toen ik in Amman op de rand van het trottoir schietgebedjes en mijn akte van berouw stond te prevelen, werd het plots een heel aanlokkelijk idee.
Een taxi hebben we uiteindelijk niet nodig gehad en zonder kleerscheuren bereikten we het theater.

Puke or white beans

Later op de middag bevonden we ons in een bescheiden restaurant op de eerste verdieping van een huis langs de drukste straat ter wereld. De uiterst vriendelijke eigenaar had ons hartelijk welkom geheten in zijn etablissement en ons wegwijs gemaakt op zijn menukaart die vol stond met exotisch klinkende namen als tabuleh en humus. Hoewel humus me deed denken aan verdorde eikenbladeren op een bedje van modder, kon ik het niet laten de avontuurlijke toer op te gaan. Ik vroeg naar de mansaf, volgens wat ik had gelezen het nationale gerecht. De eigenaar trok zijn wenkbrauwen op.
“Are you sure?”
-“I want to try it.”
-“If you don’t like it, I’ll bring you white beans instead.”
-“Em…ok.”
Ofwel had hij ervaring met Europeanen die zich aan mansaf wagen, ofwel had hij een flinke dosis zelfkennis als het aankwam op het maken van mansaf. Ik had er alle vertrouwen in want mansaf is tenslotte niks meer dan een soort yoghurtgerecht en yoghurt I like.

Na een wijl kwam hij het eten opdienen. Ik kreeg een fors stuk kippenborst voorgezet, bedolven onder 34 kilo rijst. De eigenaar schoof het bord wat opzij en zette me daarnaast een kom voor met een wit-grijs-groene dampende vloeistof, even vloeibaar als gewone melk. Toen hij was verdwenen pakte ik mijn lepel en nam een hap/slok.
Je moet weten: ik ben een optimistisch mens. Ik ga altijd uit van het beste en ik keer mij gemakkelijk af van de negatieve kant der zaken. Daarbij heb ik ook een hekel aan het toegeven van mijn eigen fouten, zoals de keuze van een gerecht in een restaurant.
“Interessant”, zei ik. Maar in werkelijkheid dacht ik “disgusting”. Daarna begon ik mezelf inwendig te overtuigen van hoe lekker de mansaf wel niet was. “De nasmaak valt nog mee.” “Het is zuur, maar je houdt toch van zuur?” “Zuur is verfrissend.” “Gebaar van niks en neem nog een hap. De eigenaar is waarschijnlijk stiekem aan het meekijken.” “Be a man!”
Ik nam een tweede hap, en die was nog slechter dan de eerste. “The hell with it, ik kan dit niet eten”, dacht ik.
“Hoe smaakt het?”, vroeg Griet.
-“Ken je die smaak in je mond als je pas hebt moeten overgeven?”
Haar gezichtsuitdrukking vertelde me dat ze die smaak levendig kon voorstellen, en dat het niet het moment was om daarover te beginnen.
“Wel, zo smaakt het. En voor één keer bedoel ik het niet als een belachelijk grote overdrijving van de werkelijkheid. Het is precies die smaak.”
En dat meende ik. Ik nam nog één hap, waarna ik een walging maar met moeite kon onderdrukken. Ik stortte me op de rijst om de smaak te verdrijven.
Even later kwam de eigenaar aan onze tafel.
“You like it?”
-“It’s very sour”, zei ik, om niet te moeten zeggen dat ik het absoluut walgelijk vond.
-“Shall I bring you some white beans instead?”
-“No thanks, I’ll have enough with the chicken and the 34 kilo’s of rice.”

Egyptian

Anoniem over straat lopen bleek een illusie. Vooral Griet haalde zich ongevraagd de aandacht van de Jordaanse mannen op de hals. Mannen maakten trouwens 90% van het volk op straat uit.
Meestal werden we ongegeneerd aangestaard. In andere gevallen werden we begroet met “hello!”, “welcome!” of “hello, where from?”. Op die vraag antwoordden we steevast “Hawai!”. Omdat ze niet direct wisten of we dit nu ernstig bedoelden of niet, gaf het ons voldoende respijt om gewoon verder te lopen.

Toen we opnieuw voor het theater stonden en even rustten op een steen werd ik uitgesproken door een man die thee probeerde te verpatsen.
“Tea?”
-“No thanks”.
-“You try. Is Egyptian. Good for you.”
De man diepte een bosje bladeren op en duwde die onder mijn neus.
“Egyptian.”
-“I don’t want Egyptian.”
-“Egyptian”. Hij duwde de blaadjes nu bijna in mijn linkerneusgat.
Ik rook even aan de blaadjes. Het was munt.
“Very good. Egyptian”, herhaalde hij terwijl hij een bekertje nam en dat vulde met water. Ik probeerde hem te negeren door me op de reisgids te concentreren maar al gauw duwde hij een dampende beker warm water waarin enkele theeblaadjes dreven in mijn richting.
“No, thanks!”, herhaalde ik met een zenuwachtig lachje.
-“Egyptian”. Hij zei het op een kalme beheerste toon alsof hij me gerust wilde stellen. Met getuite lippen sloeg hij zijn ogen naar beneden en stak de beker wat dichter.
“Egyptian”.
Zo ging het nog even door en uiteindelijk nam ik de beker om te proeven.
“It’s too sweet. I don’t like sweet”, zei ik en ik wilde hem de beker teruggeven, maar hij schudde het hoofd, sloot zijn ogen en toonde mij zijn handpalmen, alsof de beker thee een geschenk was dat hij niet kon terugnemen.
“For you”.
We werden van Egyptian verlost door enkele mannen die verderop zaten en het tafereel gade hadden geslagen. Ze riepen Egyptian bij zich en gaven hem blijkbaar een soort vermaning in de aard van “laat de toeristen eens met rust”, want daarna ging hij de andere kant op. Ik zette de beker thee naast me en liet hem voor wat hij was. Veel te zoet.

We namen een taxi richting uptown om aldaar in een supermarkt 6 flessen water in te slaan voor 1,2 JD. We wimpelden een taxi af die ons voor 5 JD naar het hotel wilde brengen en betaalden één van diens collega’s amper 1 JD voor dezelfde service. Op onze kamer zetten we de flessen in de koelkast en brachten we de rest vooravond op ons bed door met Top Gear op de tv.

’s Avonds ontmoetten we onze reisgezellen in de lounge van het hotel:
Greg was een blanke Zuid-Afrikaan die in Londen werkte. Hij was qua gedraging een kruising tussen Rob Van Oudenhoven en Hugh Grant. De gelijkenis ging niet verder dan gedraging want voor de rest had hij een monkey but op z’n hoofd en een tweetal man boobs.
Rowan was een praatzieke lerares, eveneens uit Londen. Enerzijds wist ze veel, en anderzijds dacht ze veel te weten. Dat laatste zorgde wel eens voor stille conflicten met mezelf, namelijk als ik wist dat ze ongelijk had maar geen zin had om dat te zeggen. Ze kon eindeloos over zichzelf praten en vertelde met evenveel energie over die keer dat de batterij van haar camera plat was, als over die keer dat ze volledige dag in een vuile stal had moeten doorbrengen en als vee werd behandeld terwijl ze op de ferry van Egypte naar Jordanië wachtte. Maar het vervelendst van al vond ik haar Londens accent.

Ons viertal zou de volgende dag aangevuld worden met Nasser, onze rock’n roll-gids, en behorend tot het soort mensen die je in je leven kortstondig leert kennen maar die je toch voor de rest van je leven zult blijven herinneren.

– wordt vervolgd –

Trouwens

De jaarlijkse vakantie is afgelopen. Om op dreef te raken zal ik mijn reisverslagen wat in stukken snijden, dat is ook gemakkelijker om te scrollen en te lezen.

Wat staat er te gebeuren?
– De Brooklyn-story heeft geen vervolg meer gekregen, dus laat dat een unhappy ending wezen
– Werk zoeken. Maar dat is zo droog dat het de letters niet waard is
– Verder Jordanië-verslag en het Parijs-verslag
– Andere dingen

Welcome!

You will be picked up at the airport by our representative, zo stond er in de informatiebrochure. Hoopvol liet ik mijn blik over de talloze bordjes gaan waarop doodgewone namen als Mr. Edwards of Peter & Julie prijkten, en die vastgehouden werden door redelijk middenoosten uitziende kerels, maar onze namen stonden er niet bij. Ik werd al even hoopvol aangestaard, alsof de wachtende mannen wilden zeggen “please, zeg dat u Mr. Edwards bent want het is 3u ’s nachts en ik sta hier al een uur en ik wil zeker zijn dat mijn vrouw niks uitspookt.”
Voor we het wisten stonden we in de inkomhal van de luchthaven en niemand was er om ons welkom te heten, uitgenomen de enthousiaste douanebeambte die mij even daarvoor wel 5 keer om mijn naam gevraagd had.
“Maarten?”
-“Yes.”
-“Maaaarten?” (vragende blik, grote grijns)
-“Yeeeeeees?” (twijfelachtig)
-“Maarten?”
-“Maarten?”
-“Maarten?”
Toen zei ik mijn familienaam om hem aan te vullen, in de hoop dat hij daarop doelde.
“You don’t know?”, vroeg hij.
-“Don’t know what?”
Zwijgend bestudeerde hij mijn paspoort. Ik keek naar Griet terwijl ik mijn schouders ophaalde. De douanier nam tenslotte zijn stempel waarmee hij enkele keren krachtig heen en weer ging tussen zijn inkt en mijn paspoort om zo mijn toegang tot zijn Beloofde Land te verzegelen. Deze geüniformeerde jongeman had duidelijk schik in zijn job van gatekeeper en speelde graag met de voeten van de reizigers die voor zijn poort verschenen.
“Welcome to Jordan!”, zei hij opgewekt terwijl hij mijn paspoort teruggaf. Het was de eerste welcome van een lange reeks, die zou beginnen in de hoofdstad Amman en er ook zou eindigen. De tijd en afstand daartussen stond volgepakt met Griekse en Romeinse ruïnes, een heilige berg, een wel heel zoute zee, een wereldwonder, een rotswoestijn, de Rode Zee, een karrevracht verkeersdrempels, 10 liter thee, 3 kakkerlakken, 50 liter water, 2 glazen Amstel, 2 flessen hard core rode wijn, een kom zure yoghurt en een halve chilipeper.

“Excuse me…”, klonk het plots van achter ons. Het bleek een blank, mollig, roodharig meisje te zijn.
“You seem te be waiting for somebody, can I take you somewhere?”
Onze reddende engel bleek een Canadese te zijn die in Jordanië werkte. Ze moest een landgenote van haar komen oppikken op de luchthaven en stond op het punt opnieuw naar Amman te vertrekken, 40 km verder. We twijfelden geen ogenblik over haar aanbod.
Ze nam ons mee over het parkeerterrein in de richting van een uit de kluiten gewassen 4×4. Nauwelijks had ze de koffer geopend of er stond een local klaar om onze rugzakken erin te laden in de hoop er wat kleingeld voor te krijgen. De arme man had beter moeten weten. Pas gelande toeristen hebben natuurlijk de tijd nog niet gehad kleingeld te verzamelen.

We scheurden naar Amman over een hobbelige snelweg waarop de wegmarkeringen zo donker waren dat ze in de nachtelijke duisternis amper te zien waren. Het zou me later duidelijk worden dat wegmarkeringen niks meer dan versieringen zijn op de Jordaanse wegen waar iedereen gewoon rijdt waar er plaats is, en soms ook waar er geen plaats is. Rijstroken worden totaal genegeerd terwijl er zowel links, rechts, als in bochten wordt ingehaald. De enige verkeersinfrastructuur waar iedereen zich verplicht in te schikken heeft, zijn de verkeersdrempels. Ze duiken op op de meest onmogelijke plaatsen, al dan niet aangekondigd, en ze vereisen een maximumsnelheid van 10km/u om er heelhuids over te raken. Zo ook op de autosnelweg naar Amman, waar ze goddank worden aangekondigd door een reeks zware spijkers in het asfalt.

40 minuten later tuften we over een lege boulevard in Amman, tussen de 7th en de 8th circle, grote rotondes die de chaos van autowegen in de Jordaanse hoofdstad toch enige structuur gaven. Vertrekkend vanuit downtown Amman waren ze genummerd van 1 tot 8. Van ons hotel wisten we dat het Larssa heette, dat het in de buurt van de 8th circle zou liggen en dat het voor ons onvindbaar was. De buurt leek sjofel, verlaten, een beetje luguber zelfs. Gelukkig waren we uitgerust met een telefoonnummer en een pragmatische Canadese chauffeur die aanbood het hotel op te bellen en het hen simpelweg te vragen. En als ik zeg simpelweg, dan bedoel ik dat letterlijk. Ze vormde het nummer, wachtte even tot er opgenomen werd viel met de deur in huis.
“Yeah hi, I have two guests of your hotel in my car who should have been picked up but they weren’t so I took them to Amman and my question is where are you?”
Na een verbazend lang gesprek waarbij de hotelbediende kennelijk ettelijke keren herhaalde dat het “very simple” was om het hotel te vinden, maar faalde om een éénduidige en heldere wegbeschrijving te geven, besloot onze roodharige redster dat ze het maar zelf moesten uitzoeken.
“I’ll drop them off at the police station on the corner, can you pick them up?”
Die vraag heeft ze een paar keer moeten herhalen maar het bleek uiteindelijk no problem te zijn.

Het politiebureau zag er eerder uit als een legerbasis: ommuurd en met een smeedijzeren hekken waarnaast twee flikken de wacht hielden, uitgerust met een een machinegeweer. Ze keken vreemd op toen er voor hun neus twee jonge Europeanen uit een 4×4 stapten en hem uitzwaaiden toen die de circle weer op schoot. De stilte keerde terug en de flikken wisten duidelijk niet goed of ze ons al dan niet moesten aanspreken. De ongemakkelijke situatie duurde maar heel even want toen kwam er een zwarte Toyota aangereden met 2 mannen. Toen ze ons zagen stopten ze.
“You are looking for Larssa Hotel?”
Het zag ernaar uit dat onze passage aan het politiekantoor niks meer dan een voetnoot van onze reis zou worden en voor die wachtende flikken het hoogtepunt van hun oersaaie werkweek.

We baanden ons een weg door een woonwijk, door zijstraten van zijstraten van zijstraten terwijl er oosterse muziek uit de boxen knalde. “Very simple tarara”, dacht ik bij mezelf.
De wagen stopte ten slotte voor het hotel: een riant gebouw op de hoek van de straat, gemarkeerd met neonlichten, een metaaldetector aan de ingang voor de schijn en een portier die er enkel stond om het lint opzij te houden dat voor de deur gesperd stond om God weet welke reden. Het hotel was chique, maar niet overdreven chique. Kortom: een typisch 3 sterren hotel en heel welgekomen na de reis die we achter de rug hadden. Onze kamer had 2 grote bedden, een televisie, koelkast en airco.

Klokslag half 5 kropen we onder de kraaknette lakens. Ik sloot mijn ogen en net op dat moment begon de moskee aan de overkant van de straat met zijn oproep tot het gebed.
Ergernis was misschien de meest logische reactie geweest, maar in plaats daarvan kreeg ik de slappe lach. Isn’t it ironic?

– Wordt vervolgd –

Every start has an end

Als ik ergens aan begin dan moet ik het ook volledig afmaken. Dat is één van mijn neuroses. Die eigenschap is dermate nuttig dat ik hem wel eens in sollicitatiebrieven durf aan te halen. Wat ik er niet bij vermeld is dat ik eigenlijk heel erg veel dingen begin. En die zijn niet allemaal even nuttig. Nogal wat dingen neigen naar het obsessioneel perfectionistische. Vraag me niet waarom al mijn cd’srecht in hun doosje zitten (zodat je direct kunt lezen wat erop staat), maar het is wel het geval. Ja, natuurlijk staan ze alfabetisch. En natuurlijk staat de stripcollectie uit mijn jonge jaren al sinds jaar en dag nummeriek geordend. Maar vraag me nu niet waarom ze van rechts naar links staan en niet omgekeerd. Eerste Jommeke rechts onderaan? De jacht op een voetbal!

We dwalen af. Waar was ik?

3 dagen geleden begon ik mijn Jordanië-foto’s te bewerken in Lightroom. Geen grote veranderingen: wat meer licht, wat minder licht, wat knippen, recht maken, dat soort dingen. Dat zou snel kunnen gaan, ware het niet dat LR het zwaarste programma is waar ik ooit mee gewerkt heb (minstens 10 kilo). Een foto “loaden” kost een halve minuut (ik heb het getimed!), af en toe loopt hij eens vast, en elke bewerking vindt met een seconde vertraging plaats.

“Loaden”, vraag je je af? Wel, dat is het proces waarbij de foto van blurry naar scherp gaat + nog eens 20 seconden dat het woord “loading” daar blijft staan, God knows why. Awel ja, een beetje zoals de Belgische treinen inderdaad. Die blijven ook soms staan zonder dat je weet waarom (dat de bestuurder naar het kleine kamertje moet, is de meest logische verklaring die ik tot dusver heb kunnen bedenken).

Ik begon met 1000 foto’s, waarvan na selectie 700 overbleven. 700 keer een halve minuut, dat zijn 350 minuten. 4u en 10 minuten waarbij een foto “laadt” en ik nagelbijtend met mijn duimen zit te draaien (probeer dat maar eens) (en doe dat nu eens 4u lang). Als hij “laadt”, dan kun je er nog niks aan wijzigen. Probeer je dat toch (zoals ik), dan blokkeert LR en moet je 3 minuten wachten tot de zandloper weg is. Zo’n dingen leer ik niet snel. Ik heb minstens 700 zandlopers zien passeren.
Als je wil terugkeren naar een foto die al eens “geladen” is, dan moet hij helemaal opnieuw “laden”. Een tijdelijk geheugen? Dat kent hij blijkbaar niet, of ik heb die instelling nog niet gevonden in de eindeloze donkere put der LR-opties.

Enfin, na 2 dagen was ik er eindelijk mee klaar. Vervolgens wilde ik de EXIF-data van de foto’s opvragen om de zgn. ‘metadata’ in te vullen (zoals tijdstip waarop de foto genomen is). Als dat is gebeurd merk ik plots dat al mijn bewerkingen verloren zijn gegaan. Elke foto is gereset naar zijn originele vorm. Les geleerd: ook al zijn ‘development settings’ en ‘metadata’ twee verschillende items in het menu, toch kan een wijziging in het ene de instellingen van het andere beïnvloeden.
Als ik geen neurose had gehad, dan zou ik foert gezegd hebben. Too bad voor mezelf. Ik bijt even op mijn lip, vloek een paar keer hardgrondig en gisterenmorgen ben ik opnieuw begonnen. Deze keer ging het sneller want na nog een schifting hield ik 500 foto’s over. In één dag heb ik de klus geklaard en nu zijn ze allemaal in een verkleinde vorm geëxporteerd naar mijn harde schijf. Een paar handjesvol staat zelfs al op Flickr.

De volgende post is een reisverslag dat ik nu in één ruk zal schrijven.