Welcome!

You will be picked up at the airport by our representative, zo stond er in de informatiebrochure. Hoopvol liet ik mijn blik over de talloze bordjes gaan waarop doodgewone namen als Mr. Edwards of Peter & Julie prijkten, en die vastgehouden werden door redelijk middenoosten uitziende kerels, maar onze namen stonden er niet bij. Ik werd al even hoopvol aangestaard, alsof de wachtende mannen wilden zeggen “please, zeg dat u Mr. Edwards bent want het is 3u ’s nachts en ik sta hier al een uur en ik wil zeker zijn dat mijn vrouw niks uitspookt.”
Voor we het wisten stonden we in de inkomhal van de luchthaven en niemand was er om ons welkom te heten, uitgenomen de enthousiaste douanebeambte die mij even daarvoor wel 5 keer om mijn naam gevraagd had.
“Maarten?”
-“Yes.”
-“Maaaarten?” (vragende blik, grote grijns)
-“Yeeeeeees?” (twijfelachtig)
-“Maarten?”
-“Maarten?”
-“Maarten?”
Toen zei ik mijn familienaam om hem aan te vullen, in de hoop dat hij daarop doelde.
“You don’t know?”, vroeg hij.
-“Don’t know what?”
Zwijgend bestudeerde hij mijn paspoort. Ik keek naar Griet terwijl ik mijn schouders ophaalde. De douanier nam tenslotte zijn stempel waarmee hij enkele keren krachtig heen en weer ging tussen zijn inkt en mijn paspoort om zo mijn toegang tot zijn Beloofde Land te verzegelen. Deze geüniformeerde jongeman had duidelijk schik in zijn job van gatekeeper en speelde graag met de voeten van de reizigers die voor zijn poort verschenen.
“Welcome to Jordan!”, zei hij opgewekt terwijl hij mijn paspoort teruggaf. Het was de eerste welcome van een lange reeks, die zou beginnen in de hoofdstad Amman en er ook zou eindigen. De tijd en afstand daartussen stond volgepakt met Griekse en Romeinse ruïnes, een heilige berg, een wel heel zoute zee, een wereldwonder, een rotswoestijn, de Rode Zee, een karrevracht verkeersdrempels, 10 liter thee, 3 kakkerlakken, 50 liter water, 2 glazen Amstel, 2 flessen hard core rode wijn, een kom zure yoghurt en een halve chilipeper.

“Excuse me…”, klonk het plots van achter ons. Het bleek een blank, mollig, roodharig meisje te zijn.
“You seem te be waiting for somebody, can I take you somewhere?”
Onze reddende engel bleek een Canadese te zijn die in Jordanië werkte. Ze moest een landgenote van haar komen oppikken op de luchthaven en stond op het punt opnieuw naar Amman te vertrekken, 40 km verder. We twijfelden geen ogenblik over haar aanbod.
Ze nam ons mee over het parkeerterrein in de richting van een uit de kluiten gewassen 4×4. Nauwelijks had ze de koffer geopend of er stond een local klaar om onze rugzakken erin te laden in de hoop er wat kleingeld voor te krijgen. De arme man had beter moeten weten. Pas gelande toeristen hebben natuurlijk de tijd nog niet gehad kleingeld te verzamelen.

We scheurden naar Amman over een hobbelige snelweg waarop de wegmarkeringen zo donker waren dat ze in de nachtelijke duisternis amper te zien waren. Het zou me later duidelijk worden dat wegmarkeringen niks meer dan versieringen zijn op de Jordaanse wegen waar iedereen gewoon rijdt waar er plaats is, en soms ook waar er geen plaats is. Rijstroken worden totaal genegeerd terwijl er zowel links, rechts, als in bochten wordt ingehaald. De enige verkeersinfrastructuur waar iedereen zich verplicht in te schikken heeft, zijn de verkeersdrempels. Ze duiken op op de meest onmogelijke plaatsen, al dan niet aangekondigd, en ze vereisen een maximumsnelheid van 10km/u om er heelhuids over te raken. Zo ook op de autosnelweg naar Amman, waar ze goddank worden aangekondigd door een reeks zware spijkers in het asfalt.

40 minuten later tuften we over een lege boulevard in Amman, tussen de 7th en de 8th circle, grote rotondes die de chaos van autowegen in de Jordaanse hoofdstad toch enige structuur gaven. Vertrekkend vanuit downtown Amman waren ze genummerd van 1 tot 8. Van ons hotel wisten we dat het Larssa heette, dat het in de buurt van de 8th circle zou liggen en dat het voor ons onvindbaar was. De buurt leek sjofel, verlaten, een beetje luguber zelfs. Gelukkig waren we uitgerust met een telefoonnummer en een pragmatische Canadese chauffeur die aanbood het hotel op te bellen en het hen simpelweg te vragen. En als ik zeg simpelweg, dan bedoel ik dat letterlijk. Ze vormde het nummer, wachtte even tot er opgenomen werd viel met de deur in huis.
“Yeah hi, I have two guests of your hotel in my car who should have been picked up but they weren’t so I took them to Amman and my question is where are you?”
Na een verbazend lang gesprek waarbij de hotelbediende kennelijk ettelijke keren herhaalde dat het “very simple” was om het hotel te vinden, maar faalde om een éénduidige en heldere wegbeschrijving te geven, besloot onze roodharige redster dat ze het maar zelf moesten uitzoeken.
“I’ll drop them off at the police station on the corner, can you pick them up?”
Die vraag heeft ze een paar keer moeten herhalen maar het bleek uiteindelijk no problem te zijn.

Het politiebureau zag er eerder uit als een legerbasis: ommuurd en met een smeedijzeren hekken waarnaast twee flikken de wacht hielden, uitgerust met een een machinegeweer. Ze keken vreemd op toen er voor hun neus twee jonge Europeanen uit een 4×4 stapten en hem uitzwaaiden toen die de circle weer op schoot. De stilte keerde terug en de flikken wisten duidelijk niet goed of ze ons al dan niet moesten aanspreken. De ongemakkelijke situatie duurde maar heel even want toen kwam er een zwarte Toyota aangereden met 2 mannen. Toen ze ons zagen stopten ze.
“You are looking for Larssa Hotel?”
Het zag ernaar uit dat onze passage aan het politiekantoor niks meer dan een voetnoot van onze reis zou worden en voor die wachtende flikken het hoogtepunt van hun oersaaie werkweek.

We baanden ons een weg door een woonwijk, door zijstraten van zijstraten van zijstraten terwijl er oosterse muziek uit de boxen knalde. “Very simple tarara”, dacht ik bij mezelf.
De wagen stopte ten slotte voor het hotel: een riant gebouw op de hoek van de straat, gemarkeerd met neonlichten, een metaaldetector aan de ingang voor de schijn en een portier die er enkel stond om het lint opzij te houden dat voor de deur gesperd stond om God weet welke reden. Het hotel was chique, maar niet overdreven chique. Kortom: een typisch 3 sterren hotel en heel welgekomen na de reis die we achter de rug hadden. Onze kamer had 2 grote bedden, een televisie, koelkast en airco.

Klokslag half 5 kropen we onder de kraaknette lakens. Ik sloot mijn ogen en net op dat moment begon de moskee aan de overkant van de straat met zijn oproep tot het gebed.
Ergernis was misschien de meest logische reactie geweest, maar in plaats daarvan kreeg ik de slappe lach. Isn’t it ironic?

– Wordt vervolgd –

Advertenties

2 Reacties

  1. Mooi 🙂 benieuwd naar dat ‘wordt vervolgd’

  2. Haahja, de moskees. Die herinner ik me nog van in Marokko. Ging je in de woestijn? (hebben ze daar een woestijn? Wellicht wel zeker) Want daar heb je der opmerkelijk minder last van 😉

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: