I think somebody’s ass exploded in there

Here comes the sun

Vanuit het zuiden kwam hondengeblaf aangewaaid van over de zanderige leegte van de woestijn. Het geluid was afkomstig van meer dan één hond en het klonk niet bepaald verwelkomend. Ik aarzelde even en vertraagde subtiel mijn pas. Greg, van zijn kant, liep onverstoorbaar verder in de richting van een zwart niets waaruit ik heel vaag een silhouet kon ontwaren. Het enige teken van leven naast het geblaf waren enkele lichtjes ter hoogte van het dichtstbijzijnde dorp, aan de andere kant van de “wadi”, want zo werden de kilometersbrede kloven genoemd die zo typerend zijn voor de Wadi-Rumwoestijn. De wadi’s liggen noord-zuid georiënteerd en worden begrensd door indrukwekkende rotsformaties. De rode kleur van de rotsen werd op dit moment van de dag nog gecamoufleerd door een grijze waas, net zoals het rood van het zand. De lucht was donkerblauw en lichtte op aan de oostelijke horizon.
“It’s like a gate under the railway trace”, zei ik tegen Greg, doelend op het silhouet op de weg voor ons.
“Really? I don’t see anything!”
Toen we dichter kwamen bleek het een halfafgewerkte poort te zijn, volledig in Arabische stijl met twee wachttorentjes. Het ding stond in de stellingen en de weg werd versperd door hopen zand en bouwmaterialen. Achter de poort lag iets dat leek op een toekomstige parkeerplaats, met aan de rand een sierlijk gebouwtje. Daar hield de weg op. Vlak voor de poort hielden we halt.

Die ochtend was ik om 5u opgestaan, nadat ik 5 minuten eerder vanzelf wakker geworden was uit een heel diepe slaap. Blij dat ik ondanks het primitieve comfort toch een degelijke nachtrust achter de rug had, en gedreven door een kleine adrenalinestoot bij de gedachte aan een zonsopgang in de woestijn, was ik klaarwakker toen ik in mijn kleren schoot. Samen met Greg was ik in zuidelijke richting vertrokken, langs de weg die in het duister volledig onzichtbaar was.

“Let’s wait here”, zei Greg en we gingen zitten op het nog koude asfalt, met onze blik op het oosten gericht. Ik nam enkele testfoto’s om de belichting wat af te stellen. Het duurde niet lang voor de koude woestijnlucht de bovenhand begon te krijgen op mijn centrale verwarming.
“Where is the sun when you need her?”, vroeg ik me af.
Mijn horloge gaf 5.40u aan.
“I’d like to go up there”, zei Greg na een tijdje, en hij wees naar een zandheuveltje rechts achter ons. “Let’s get off the beaten track!”
Toen we door het woestijnzand begonnen te ploegen, hoorden we opnieuw het hondengeblaf en links voor ons zag ik in de verte een stofwolk opdoemen. Het bleek een terreinwagen te zijn die met grote snelheid in de richting van het gebouwtje en de parkeerplaats reed. De wagen zigzagde wild alsof hij een raceparcours afwerkte. Het geblaf werd luider, en toen merkte ik de hond op die vlak voor de wagen voor zijn leven rende. Het beest zigzagde, alsof hij wist dat de auto meer problemen met het bochtenwerk zou hebben. Op een afstand zag ik een tweede hond parallel meerennen terwijl hij het tafereel net als ons gadesloeg. Ter hoogte van het gebouwtje hadden de dierenbeulen genoeg van hun wrede spelletje en lieten ze de hond met rust. De wagen verdween noordelijke richting en de rust keerde terug.
Achter ons kleurden de rotsen langzamerhand roder, een voorbode van de blijde intrede van de zon. Het spektakel begon toen de eerste zonnestralen zich over de zwarte bergen in het oosten gooiden en de rotsen achter ons in lichterlaaie zetten. Onze lichamen wierpen meterslange schaduwen over het nu bloedrode zand. In mijn hoofd zetten de Beatles ‘Here comes the sun’ in en ik schoot foto na foto, panorama na panorama. Het silhouet van een eenzame kamelendrijver maakte het plaatje compleet.

Toen het magische moment voorbij was en de zon aan haar steile klim begon, die uiteindelijk zou resulteren in een opnieuw veel te hete dag, keerden we terug met in ons kielzog twee blaffende honden.

Chillen in een heteluchtoven

Het kamp was verlaten toen ik rond 9u30 het tentzeil opzijsloeg, op zoek naar frisse lucht. Om 6u30 was ik opnieuw tussen de dekens gekropen om mezelf weer op te warmen, maar 3u later was ons kampementje al een echte sauna. Ik slofte door het zand naar de toiletten, omgeven door een magische stilte die alleen gebroken werd door het sporadische suizen van de wind en een verre radio die Arabiche keelgezangen uitbraakte. Af en toe hoorde ik iemand meeneuriën terwijl er vaatwerk klaterde. De sfeer deed me denken aan de openingsscène van een typische spaghettiwestern uit de jaren ’70. Ik was een cowboy die behoedzaam het spookstadje betrad, mijn handen op mijn geweerholsters, begeleid door het kraken van een schommelstoel die in de wind op en neer beweegt, en het regelmatige gesnurk van een dronkaard die de vorige avond in de saloon in slaap gevallen is.
Het gesnurk bleek afkomstig te zijn van Nasser, die in een open tent languit op een bank lag. Vanonder zijn te korte deken staken twee blote voeten en een arm die tegen de grond bungelde.

Toen ik terugkwam van de toiletten realiseerde ik me dat de andere kampgasten vertrokken waren en dat wij de enigen waren die twee nachten in de woestijn zouden doorbrengen. Er viel buiten Nasser en de muzikale Jordaniër in de keuken geen levende ziel te bespeuren, en op een half opgegeten koek na was de ontbijttafel leeg. Ik liet me in de halfopen etenstent op één van de zetels ploffen die rond de ontbijttafels stonden, en gaf me over aan de loomheid. Ik werd daarin spoedig vergezeld door mijn medereizigers, en in die toestand werden we aangetroffen door een personeelslid. Zich ervan bewust dat ze het ontbijt te vroeg hadden opgeruimd, trommelde hij een drietal man op om de tafel opnieuw te zetten en een oogwenk later bedienden we ons van thee, brood, yoghurt, en een vreemde brij van zaadjes waar je olie moest bij gieten. Ik weet niet wat het was, maar het was lekker.

Daarna begon voor mij het tweede moment waarop het gevoel van een strandvakantie doorbrak. Het eerste moment was aan de Dode Zee geweest, nu was het in de Wadi-Rumwoestijn, in een verlaten tentenkamp, in de beschutting van een dak van palmboombladeren, op een zachte zetel, met het interessante boek van Jan Leyers. Terwijl ik lag te lezen zag ik vanuit mijn ooghoek Nasser door het zand strompelen, op zoek naar thee en met een fles water in de hand. Ik zat eerst alleen onder dat palmboombladerendak, maar werd daarna vergezeld door achtereenvolgens Greg, Griet (op de vlucht voor Rowan), Rowan (in achtervolging op Griet maar al gauw een blok aan het been van Greg), en een gestrande Italiaan die een uurtje eerder met zijn motorfiets was aangekomen en die een merkwaardige behoefte vertoonde om stuntelige gesprekken op te starten met Rowan (hij sprak geen Engels). Tenslotte kwam Nasser ons vijven vervoegen. Uitgestrekt op een bank lag hij zijn kater te verwerken terwijl hij zachtjes zong. De rust die er aanvankelijk hing, hield het voor bekeken: aan mijn linkerzijde Nasser met zijn hypnosezang, en rechts van mij het monotone gezeur van Rowan over haar vermoeden dat ze een voedselvergiftiging had opgedaan, afgaande op het ongemakkelijke gevoel in haar buik.

Is het de moeite waard om te vertellen dat zowel die Italiaan als één van de personeelsleden uit het kamp een wijsvinger misten, en dat dat veel jolijt opleverde (“now we can be twins!”)? Nee? Ach, laat ons maar direct naar het interessante deel van de dag gaan: de jeepsafari.

De jeepsafari

Een pickup stond ons aan de ingang van het kamp op te wachten. In de laadbak stonden twee banken waarop we plaatsnamen, het gezicht naar elkaar. In de loop van de middag was de wind opgestoken en het beloofde een stoffige rit te worden. Met mijn Stubrusjaal over mijn hoofd getrokken, mijn sportzonnebril tegen mijn oogkassen, en met mijn lange broek en bergschoenen, hoopte ik voldoende beschutting te hebben. Het was geen verloren moeite.
Toen we de weg verlieten en het ruime zand kozen gaf de chauffeur plankgas. Een golf van opwinding ging door de laadbak van de pickup en ik voelde me Indiana Jones. Het principe van winderosie werd in real time op mijn eigen lijf en leden toegepast, dat eerder al door een lading Dode-Zeemodder was gladgepolijst.
Mijn tweede filmisch moment van de dag werd nog versterkt toen we stopten voor een grot en Nasser ons voorging naar binnen. Op een platte steen was een oude Bedoeïnenkaart uitgekerfd, vergezeld van afbeeldingen van schorpioenen op de wand.
“That means that the Bedouins wanted to warn each other that there are scorpions in this place”, zei Nasser.
Wetend dat ik geen grote fan ben van mijn eigen sterrenbeeld, prikte Rowan met haar vinger in mijn nek. Mijn schrikreactie en gealarmeerde blik waren natuurlijk bron van hilariteit. Laat ons er verder geen woorden aan vuil maken.

De rit nam twee uur in beslag en gaf nog heel wat voer voor herinneringen, zoals de filmset van Lawrence of Arabia (derde filmisch moment), een duinencross, een duinenklim (te voet dan), en het obligate glas zoete muntthee. Toen we in het kamp aankwamen konden we een paar verse kilo’s zand uit onze kleren schudden, maar onze ervaring met het sanitair blok was niet van die aard dat we stonden te springen om er opnieuw gebruik van te mogen maken. Misschien zijn Gregs kurkdroge, maar lyrische omschrijvingen nog het best geplaatst om een indruk te geven: “I think somebody’s ass exploded in there. I can’t see another way for poo to get all over the place, even at the side of the toilet seat” (over één van de mannentoiletten).
“I feel abused. I mean… there I was… naked… with my feet at the side of that poo hole, carefully avoiding any body contact with the bottom and pooring some cold water over me. This will have a lasting impact on me.” (over de douches).
Het hield me niet tegen toch nog een tweede douche-ervaring te trotseren en even later fris aan het kampvuur te gaan zitten, waar ik een gesprek aanknoopte met de eigenaar van het kamp over de weldaden van kamelenmelk. Intussen waren we al lang niet meer de enige gasten: het kamp zat vol Italianen en Nederlanders.

Het was de arak

Het avondeten was identiek aan dat van de vorige avond, maar het degustief was anders. Nasser kwam bij ons zitten en vroeg voor de eerste keer of iemand zin had in arak. Ik hield niet van anijstoestanden en paste aanvankelijk, maar anderzijds was er de eeuwige dorst en ik was het nog steeds beu water te moeten drinken. Ik proefde dus wat van Griets beker.
“What do you think, Maarten?”, vroeg Nasser.
-“It has too much water in it, it needs to be stronger”, antwoordde ik.
-“Hahaaa, give me a cup, I’ll make you a proper arak!”
Zogezegd, zogedaan: ik kreeg een beker “echte” arak en die smaakte al heel wat beter (wat ook de anderen beaamden). Zo waren we vertrokken voor wat een leuke avond aan het kampvuur moest worden.
Alleen…. mijn darmen hadden het zo niet begrepen. Ik weet niet wat het was dat zich in mijn buik aan het roeren was, maar het voelde aan alsof er zich fauna tussen mijn darmflora bewoog. Het eerste toiletbezoek liet zich niet lang uitstellen en was goed voor minstens een half uur vrolijk tijdverdrijf in de befaamde faciliteiten van het woestijnkamp.
Toen ik terug bij het kampvuur kwam aangewaggeld – de ene beker arak steeg bijzonder snel naar het hoofd -, zag ik dat Nasser zijn zangtalenten aan het demonstreren was, gezeten tussen een man in een wit kleed met een soort Arabisch snaarinstrument, en een andere man, eveneens in tafellaken, die driftig met zijn hand op een trommel timmerde. Het duurde niet lang voor enkele mannen hand zich in hand aan een huppeldansje waagden. Vrouwen die samen met mannen dansen is dan wel haram, maar dat weerhield één van hen er niet van Greg en Griet uit hun luie zetel te komen trekken en mee te sleuren in de plaatselijke line-dance, wat voor mij reden genoeg was om met mijn camera ‘de sfeer vast te leggen’. Het leverde enkele grappige beelden op, vooral wanneer Greg en Griet op een onbewaakt moment de benen namen om te ontsnappen aan verdere dansverplichtingen.

Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Ik had last van krampen, van luidruchtige Italianen en Amerikanen, en iemand die onafgebroken pogingen ondernam één van zijn longen op te hoesten. Ik weet niet of ik het gedroomd had, of dat ik klaarwakker was, maar op een gegeven moment riep ik “shut the f*ck up” naar de zoveelste lawaaierige passant. Zonder resultaat.

– Wordt vervolgd –

Advertenties

3 Reacties

  1. En waar zijn de foto’s??

  2. Op Flickr. Klik even in één van de foto’s in de linkermarge en dan moet je ze ergens in de fotostream vinden.

  3. Aha eindelijk! Als ik de afgelopen posts las en opmerkte wat jullie allemaal naar binnen werkte, begon in mij stilaan de overtuiging te groeien dat jullie ingewanden van staal moesten hebben om dat allemaal vlotjes te verteren. Maar blijkbaar dus toch niet;-)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: