Roadtrip USA, part XII: highway to heaven

Highway One, alias CA 1 (California 1) is een weg die langs de kust van de Stille Oceaan loopt, ruw genomen van San Francisco naar Los Angeles. Er zijn snellere manieren om in LA te geraken, bijvoorbeeld de klassieke interstate (Amerikaans equivalent van een autosnelweg). Maar veel romantiek brengt dat niet met zich mee. Ik stelde me voor hoe we zoals in de typische reclamespots voor auto’s, over de Bixby Bridge zouden scheuren, langs de woeste oceaankust met het diepblauwe water en witte schuimkoppen, dat zich tegen de grillige rotsen stort. Hoog boven die rotsen: de Highway One die tegen de helling geplakt ligt en de kronkels van de kustlijn volgt. Deze sectie van de Californische kust werd “Big Sur” genoemd, en het stuk van Highway One dat erlangs liep draagt de officieuze titel van ‘mooiste kustweg in de wereld’.

Het was redelijk eenvoudig om vanuit het centrum van San Francisco de felgeprezen Highway One terug te vinden, hoewel we geen detailkaart hadden van het zuiden van de stad. We vertrouwden dus maar over onze (lees: mijn) sense of direction. Al snel stonden we aan de rand van de schuimende golven en terwijl we tankten snoven we de zilte zeelucht op die, meer dan in België, sterk aanwezig was. Ondanks de redelijk frisse temperatuur – er hing redelijk wat mist her en der – zagen we heel wat vroege surfers. De weg liep rakelings langs het kleine strand en zwiepte zich daarna met enkele bochten tussen de rotsen die de kustlijn van daaruit verder uitmaakten, om daarna in de mist te verdwijnen. Na een korte stop waarbij ik het juiste lensmateriaal uit de koffer haalde, begonnen we eraan.

Aanvankelijk kregen we heel wat veelbelovende panorama’s voorgeschoteld. Af en toe reden we door een flard mist, maar die was niet dicht genoeg om de blauwe hemel en de zonneschijn helemaal tegen te houden. Meer zelfs: de mist was zelf een deel van het landschap en droeg bij tot het spektakel. De mist waarvoor San Francisco bekend staat, is evenzeer kenmerkend voor deze kustweg. Ik bespaar u het hele verhaal over zeestromingen e.d. dat erachter steekt.
De mist kwam vanover zee over het land rollen en hij werd steeds dikker, zodat we op een bepaald moment volledig in de soep reden. En die soep bleef hardnekkig dik, tot we bijna in Monterey waren. Toen verdween de mist en steeg de temperatuur gevoelig.

De grootste trekpleister van Monterey is het Monterey Bay Aquarium. We verwachtten zo’n beetje de onderwatervariant van de zoo in San Diego, maar uiteindelijk bleek het niet spectaculairder – zelfs minder spectaculair – te zijn dan het aquarium in Boulogne-sur-mer. Het aquarium was nogal extreem op kinderen gericht, en kinderen maakten dan ook het gros van het veel te grote bezoekersaantal uit. Lawaai, en geschreeuw, en gedrum. Alle informatieborden bevonden zich bovendien nog eens aan de voet van de aquariums (aquaria?), op enkelhoogte. Met andere woorden: er stond altijd wel een kind voor.
Content dat we buiten waren, pikten we 2 droge sandwishes mee uit één van de 25 miljoen eettenten die de straat vulden die naar het aquarium leidde (tussen haakjes: weer typisch Amerikaans om de parkeergarage aan het begin van de straat te bouwen, en het aquarium op het einde, om vervolgens de straat vol te zetten met snackbars), en die allemaal om ter hardst een zeebonk-sfeertje probeerden te faken. We gaven de man die aan de uithang van de parkeergarage de betalingen inde en de slagboom bediende een handvol dollars (op sommige aspecten zijn ze in de VS écht wel niet zo modern), en weg waren we, richting Big Sur.

Het aperitief voor Big Sur was de 17-mile drive. Een kustwegje langs een klein schiereiland waarop Pebble Beach genesteld ligt: een upper-class gemeenschap waar de kasten van huizen alleen plaats moeten ruimen voor de vele golfcourses. De gemeenschap leeft eigenlijk betrekkelijk afgesloten van de buitenwereld en lang de toegangswegen zijn slagbomen met security guards geplaatst. Het was bij één van deze wachtposten dat we 10 dollar moesten ophoesten om de 17-mile-drive onder onze wielen te laten passeren. Het weer was op z’n zachtst gezegd “Belgisch” te noemen met een grijze lucht en een temperatuur waar je amper een 2 voor kon plaatsen. De weg zelf was best aardig, met hier en daar een stopplaats vanwaar je de wilde zeehonden kon bewonderen die op de rotsen lagen te luieren. Af en toe vloog er ook een zwerm pelikanen voorbij. Maar toegegeven: 10 dollar was het niet waard. Toen we terug op Highway One probeerden te komen stonden we in een file, veroorzaakt door voortdurend overstekende badgasten die alle tijd van de wereld hadden, en automobilisten in dure wagens die eigenlijk nergens heen moeten, maar enkel gezien willen worden. Het was zoals de Lippenslaan in Knokke op een zondagnamiddag in juli. De zon maakte korte metten met de bewolking toen we ons eindelijk uit de file wisten te bevrijden en Highway One opnieuw opreden. Big Sur lag vlak voor de bumper. Ik nam mijn camera op schoot, vinger aan de aan-uit switch.

De weg veranderde. De begroeiing aan de rechterzijde werd lager en we werden getrakteerd op indrukwekkende oceaanzichten. Terwijl Evi reed probeerde ik foto’s te maken. En als de hoogte van de vangrail en het geboomte het toeliet kreeg ik enkele bijzonder mooie plaatjes in de zoeker. We reden over Bixby Bridge en verzeilden daarna voor een lang half uur achter niet één maar twee RV’s (mobilhomes) die hardnekkig weigerden opzij te gaan en daarmee een deel van de ervaring verknoeiden. Gelukkig was er nog genoeg droomweg over om van te genieten nadat de twee lastposten gestopt waren op een panoramapunt.

Voor het tweede deel van Big Sur nam ik het stuur over en na het spectakelgedeelte kwamen we bij een vlakker stuk kust met een klein zandstrand en een vuurtoren. Iets verderop stond wat volk verzameld.
Ik vroeg: “Waar staan ze naar te kijken?”
Evi: “Rotsblokken of zo…  …  die bewegen!”
“Wablieft?”
“Het is alleszins iets groots.”
“Wat dan?”
“Tja, olifanten zullen het wel niet zijn.”
“Zeeolifanten misschien?”, zei ik al lachend.

Het volgende moment stonden we voor een afsluiting te kijken op een kolonie van een 50-tal zeekoeien, oftewel elephant seals. Ze lagen languit op het strand, zowel langs als op elkaar. De stank was niet te harden en vanop het strand stegen allerlei reutelende geluiden op, gepaard met het gas dat erbij hoort.

Ter hoogte van San Luis Obispo viel Highway One samen met highway 101 en werd het een snelweg. Verderop zagen we een laatste keer de zee en daarna draaide de weg landinwaarts. Rollende geuvels, akkers, wijngaarden, en een ondergaande zon die vaag door de avondnevel doorschemerde. Op die manier reden we naar Santa Maria, het dorp met de veelbelovende naam waar ons voorlaatste motel van de reis lag. Ik keek al uit naar een flesje Californische wijn op een terrasje op het dorpsplein toen we Santa Maria binnenreden en mijn ballonnetje genadeloos doorprikt werd. Street View geeft een treffend beeld van het typische Amerikaanse dorp waar Santa Maria geen uitzondering op is.

santa maria

Hoeveel rijstroken heeft de Kerkstraat in uw dorp?
Oogluikend keek ik naar elke Mc Donalds, Taco Bell, Subway of Pizza Hut terwijl we door het dorp reden. Hoogst waarschijnlijk was er nergens een normaal restaurant te vinden. “Waar gaan deze mensen naartoe als ze een terrasje willen doen??”
Mijn gebeden werden verhoord op wonderbaarlijke wijze. Nadat we een heleboel groezelige motelletjes voorbij waren gereden reden we de parking van het onze op: een statig gebouw in Europese stijl met watervalletje bij het portaal. Watertandend lazen we de uithangborden: hotel, pool, spa, wellness-center, massage, restaurant. Na het inchecken liepen we met valiezen en al rechtstreeks naar het restaurant dat zich vlak naast de receptie bevond.
“Table for 2? No problem! This evening at about…..8? Wonderful. See you tonight!”
We namen onze intrek in een ronduit Victoriaans ingerichte kamer en vluchtten toen naar het restaurant, vastberaden onze laatste dollars kwijt te spelen. We waren op één koppel en een eenzame eter na, de enige gasten. Een onbemande piano speelde restaurantliedjes en een jonge serveuse stelde zich op een familiaire manier voor als onze bediende voor die avond. ‘Wine served by the glass’ stond er op de menukaart.
“A bottle? No problem!” En we grijnsden alledrie.
Als ik me in de nabijheid van de zee bevind heb ik de neiging vis te bestellen, dus kregen we een half uur later een bord zeevruchten voorgeschoteld, het mooiste dat ik in mijn leven al gezien heb. Krabbenpoten, mossels, onbekende vissoort, schelpen en sint-jacobsvruchten. Ik moet zeggen: het smaakte zo goed dat de stukken krabbenpoot nét niet door de lucht vlogen. Eensgezind gooiden we er ook nog eens een dessert tegenaan; nee, dat verwarmd zwembad zal hoogstens voor morgenochtend zijn.

De volgende dag hoefden we niet ver meer te rijden, dus schakelde ik mijn wekker voor één keer uit. In LA zou er immers ook een zwembad zijn….

Advertenties

Eén reactie

  1. Waar blijft de rest? 🙂

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: