There will be blood

Gisterenavond heb ik eindelijk de one man show gezien van Daniel Day-Lewis, genaamd “There will be blood”.

Indrukwekkend! Ik vermoed dat ze Daniel de set op geduwd hebben met de woorden “knock yourself out”, waarna de man een vertolking neerzette die zo overtuigend is dat ze zelfs geen andere naam voor het personage meer moesten bedenken (Daniel). Waarschijnlijk kwam hij elke avond thuis, nog steeds in de waan een oliebaron te zijn. Zijn kinderen zullen alvast goed geslapen hebben….

Het “verhaal” dan…. Wel, het is eigenlijk een biografie, en net zoals bij de meeste andere biografieën is er dus eigenlijk geen sprake van een echte plot, maar eerder een opeenvolging van bepaalde gebeurtenissen. Op dat punt kun je ook de goeie biografieën scheiden van de slechte. Bij de slechte zit er altijd teveel tijd tussen twee gebeurtenissen zodat je je gaat afvragen waar het eigenlijk over gaat, waar het naartoe gaat en wanneer het hoofdpersonage het loodje zal leggen. Tijdens een film naar de display op de dvd-speler kijken om te zien hoe lang hij nog duurt, is nooit goed.

Dit is een redelijk goeie biografie. Verwacht geen spanning. Verwacht geen intriges. Verwacht geen fish out of the bowl situaties. Verwacht wel: diepgaande personages die bovendien ook evolueren; diepere betekenissen (tussen de regels); mooie fotografie; enkele onverwachte wendingen. Daniel geeft zijn geheimen zeer geleidelijk aan prijs, evenals zijn tegenspeler/evenknie/evenbeeld Eli.

Mag ik tot slot wijzen op de laatste zin, helemaal op het einde van de film? “I’m finished”, zegt hij. Letterlijk: “ik ben aan het eind van mijn Latijn, ik ben uitgeput”. Maar de ondertitels zeggen: “Ik ben klaar”, wat in het Engels “I have finished” is. Dat klopt dus niet.
Muggenzifterij? Verre van, want beide betekenissen geven een heel andere wending aan het slot van de film.

Advertenties

Dashboard

Nieuwe lay-out Gmail: prachtig. Het heelal prijkt nu op de achtergrond. Het is een beetje zoals behang in een kinderkamer, maar dat kan me niet schelen.

Nieuwe lay-out Google Reader: netjes. Alleen niet echt een grote revolutie. Binnen twee weken is iedereen al vergeten dat het nieuw is. Is er geen mogelijkheid om de melkweg erachter te plakken of zo?

Nieuwe lay-out WordPress: het dashboard doet een beetje denken aan de Windows Live Spaces, met al die kaders. Of erger: Facebook. Maar goed, het ziet er niet slecht uit. En wie gebruikt er nu ook dat dashboard? Wie gebruikt er eigenlijk een dashboard in het algemeen? Op Last.fm bijvoorbeeld? Nee, ik kijk daar nooit naar. Ok, voor één keer kan het geen kwaad.

… interessant….  Eline luistert naar Dear Prudence door Joost Zwegers. En mij wordt aangeraden naar de Black Rebel Motercycle Club, Louis XIV, Social Distortion en Supersuckers te luisteren. En ik moet zeker naar Sarah Bettens gaan kijken vanavond in Lille. Zot zeker? Sarah Bettens….. Zo goed is ze nu toch ook niet….

Iets met boeken

In het dorp had niemand ooit de zee gezien – behalve de Hollanders, de burgemeester en Jószef Puszka, die in de oorlog was geweest.

Zo begint “In Europa” van Geert Mak, een boek dat intussen de status van Bijbel heeft in de Europese geschiedenis. 800 pagina’s lectuur, dat is al een behoorlijk opstelleke. Toen ik in Oostenrijk op Erasmus was, was mijn geschiedenislerares aldaar ervan overtuigd dat Geert Mak een Duitser was. Ze was er even zeker van als ik zeker was dat het een Nederlander is. Enfin… Nu ligt hij hier naast me. Een berg papier. Mogelijkheid nummer één.

Het was duidelijk dat één van ons in die gladde metrotrein niet op weg was naar zijn werk. Dat had je zo kunnen afleiden uit de omvang van zijn koffer.

Begin van “De oude Patagonië-expres” van Paul Theroux. Ik heb nog niks gelezen van de godfather der reisverhalen. Diep beschaamd ben ik daarom. Temeer omdat dit boek al 3 jaar in mijn kast staat. Patagonië, een topper onder de reisbestemmingen waar iedereen heen wil, maar waarbij niemand het ook daadwerkelijk doet (naast Ijsland en Australië). Mogelijkheid nummer twee.

Eens begaan is de beginnersfout quasi-onherstelbaar. De douanebeambte bekijkt mijn inreisformulier onaangedaan. “Waarom heb je je adres niet ingevuld?”

Het begin van “Het land dat zichzelf bemint“, één van mijn trofeeën vanop de Boekenbeurs. Rudi Rotthier. Hij zou nog voor de Morgen geschreven hebben. De naam zegt mij vaag iets. Amerika spreekt mij aan, maar dat wist je al. De titel spreekt mij ook aan. Hopelijk zitten er veel conversaties in met echte Amerikanen. Kunnen we nog eens lachen. Mogelijkheid nummer drie.

Je kunt het een Turkse zwaargewicht bokskampioen die aan de arm van zijn moeder door een straat in Hamburg kuiert nauwelijks kwalijk nemen dat hij niet niet in de gaten heeft dat hij wordt geschaduwd door een broodmagere jongen met een zwarte jas aan.

Het begin van “Aangeschoten wild“, door John Le Carré. Typisch een roman natuurlijk. In die ene zin leren we drie personages kennen: een dikke Turk die bokskampioen geweest is, die begaan is met zijn moeder; zijn moeder zelf uiteraard, en een broodmagere jongen die blijkbaar een zwarte jas draagt. En die jongen schaduwt stiekem die Turk. En we zijn in Hamburg. Veelbelovend? Niet per sé. Mij zinkt de moed al onmiddelijk in de schoenen, in tegenstelling tot het begin van die andere boeken. Want die andere verhalen, die zijn allemaal waar gebeurd. Dat maakt het ook zo interessant.
Fictie lezen, dat ga ik weer moeten gewoon worden. Misschien kies ik gewoon voor Aangeschoten wild. …En stap ik halverwege over naar een ander boek. Zoals bij “De kracht van het vuur” van Bob Mendes. Die moet ik ook nog eens uitlezen. Alleen weet ik niet meer waar het over gaat.

De weg naar Mekka” is eindelijk uit. Ik heb er 4 maanden over gedaan. Dat is een gemiddeld tempo voor mij. Interessant boek, goed geschreven. Alleen niet zo meeslepend, maar dat is ook niet de bedoeling. Het gaat niet om de schrijver, het gaat om de plaatsen die hij bezoekt. Jan Leyers heeft meer dan één talent.

Zege Roos

“In the nick of time”, zo zou je het moment kunnen samenvatten waarop ik een ticket kon bemachtigen voor het concert van Sigur Rós, zondagavond in Vorst Nationaal. Een half uur voor aanvang van het voorprogramma liep ik namelijk nog steeds met lege handen te ijsberen voor de ingang.

Het was een risico natuurlijk, zo’n ticket kopen via ebay. Maar toen het voorstel mij zaterdag gedaan werd (“ga toch mee!” “Koop een ticket op ebay!”) wist ik er geen enkel argument tegenin te brengen. Ik dacht eigenlijk dat dergelijke tickets altijd voor honderden euro’s verpatst werden, maar blijkbaar is Sigur Rós net niet populair genoeg want ik kocht er één voor 50,-. Ik zou de verkoper ontmoeten aan de ingang en daar cash betalen. Heel eenvoudig en zo, maar toch genoeg om mij een treinrit lang zenuwachtig te houden.

Enfin, ik zat op tijd klaar om het volledige voorprogramma (For a minor reflection) te kunnen zien (en dat was niet onaardig). In gedachten deletete ik de draft van de blogpost waarin ik de Sigur Rós-gangers vol jaloezie direct aansprak.

U kent Sigur Rós? Scroll dan een alinea verder.
U kent Sigur Rós niet, of niet zo goed, blijf dan vooral lezen.

Sigur Rós (Zege Roos) is een Ijslandse “postrockband” die zichzelf een slow-motion rockband noemt. De groep telt vier koppen en wordt gekarakteriseerd door de hoge stem van de zanger enerzijds, en het bespelen van de elektrische gitaar met een strijkerstok anderzijds. De combinatie zorgt voor vele kippenvelmomenten, een algemeen gevoel van melancholie, een beetje tristesse, maar tegelijk ook vreugde en geluk.
De groep brak door met Agaetis Byrjun, volgens velen hun beste album.
Daarna kwam er een soort Kid A: ( ), een album zonder titel met 8 tracks die even titelloos zijn en als Untitled 1, 2, 3, 4, etc door het leven gaan. De eerste vier nummers (het eerste haakje) klinken nog ingetogen/optimistisch genoeg om een glimlach op je lippen te zetten. De laatste vier (het tweede haakje) zijn grilliger, kennen al eens een energie-opstoot en zijn in staat je met tranen in je ogen achter te laten. Ik ben een melancholicus, dus het tweede deel is mijn favoriete deel. 5 sterren van het eerste nummer tot het laatste (vooral het laatste. Ik ben er nog niet helemaal uit, maar dit zou wel eens de beste muziek kunnen zijn die ik al in mijn leven heb gehoord). Alle nummers worden gezongen in het “Hopelandish”, een fictieve taal die voornamelijk door klinkers wordt gevormd. Hier zou je dus eventueel kunnen meewauwelen (gesteld dat je als man volledig vrij bent van testosteron). Aan het aantal woorden dat ik aan dit album intussen heb besteed kun je ook merken dat dit mijn favoriete werk is van Sigur Rós.
Takk… kwam uit in 2005 en is weer opgewekter. De miserie zet zich om in gelukzaligheid. Ook deze bevat nummers die waterlanders kunnen doen opborrelen, maar hier zal het eerder van geluk zijn, zoals in een bui van onverklaarbare softiness. Vooraan op de plaat vind je Glósóli, een nummer dat wedijvert met Untitled 8 om de hoogste eer, want minstens even goed. Glósóli is bovendien uitgerust met een videoclip die van die pracht is dat hij ook niet-liefhebbers van het genre kippenvel bezorgt. De clip vind je overigens onderaan deze post.
Dit jaar kwam Með suð í eyrum við spilum endalaust uit. In het Nederlands komt dat ongeveer neer op “met gezoem in de oren spelen wij eeuwig verder”.
Eeuwig verder, allemaal goed en wel, maar ik hoop dan wel dat ze in het vervolg andere vaatjes zullen aanboren om uit te tappen want op dit album klinkt Sigur Rós verdomd toegankelijk, lichtvoetig en vrolijk. Weg zwaarmoedigheid, weg melancholie, weg lange arrangementen, en – dit is bijna onvergeeflijk – weg strijkstok op de gitaar.
De drie singles die op Stubru uitgebreid airplay hebben gekregen: Gobbledigook, Inní mér syngur vitleysingur en Við spilum endalaust, zouden meezingers zijn als ze niet in het Ijslands waren. Deze vrolijke springnummertjes worden afgewisseld met piano- en strijkersballads. Festival, Ára bátur en Fljótavík zijn wel ok, maar kunnen zich niet rug aan rug plaatsen met bijna eender welk nummer uit vorige albums. Ik verkies nog altijd sfeer boven song. Songs hoor ik genoeg op de radio.

Het concert dan. Dat was goed, om niet te zeggen heel goed. Alleen…. het kon nog beter. Ik beklaag mij dat ik hen niet eerder heb leren kennen, want dan zou ik naar de Takk-tour gegaan zijn. Een optreden dat alleen nummers uit de eerste vier albums bevat…. dat moet schitterend klinken. De nummers uit het nieuwe album waren dus een beetje een noodzakelijk kwaad, ookal werd Gobbledigook aanstekelijk gebracht met veel percussie en bergen confetti. Hier zou het spreekwoord van de aap en de gouden ring toepasselijk zijn.
Andere let-down: geen Glósóli. Ongehoord! Ze zouden er wel tijd voor gehad hebben want een concert van anderhalf uur is nu ook niet zó lang.
Het positieve? Wel, al de rest natuurlijk. De rillingen die door de zaal gingen als de strijkstok over de gitaar ging en de huidharen die loodrecht kwamen te staan. De onverwachte passage van Untitled 6. De instrumentale jammsessie die in een vorig leven Haffsól heette. De baslijn van Ný Batterí die plots uit de troebele mist van schijnbaar willekeurige geluidseffecten opdook. En natuurlijk de bom: Untitled 8, traditioneel op het einde. De hele tribune schokte mee met het drumritme dat steeds sneller en sneller ging. Voor mij niks minder dan de zoveelste religieuze ervaring van de avond

De niet-fans raad ik aan Heima te bekijken, de film van hun tournee door Ijsland waarbij ze onooglijk kleine dorpjes in the middle of nowhere trakteerden op een gratis concert. Is het niet voor de muziek, dan wel voor de prachtige beelden. Eyecandy en earcandy tegelijk. Je vindt hem hier online.

En dan de afsluiter: misschien de mooiste videoclip ter wereld? Misschien de mooiste song ter wereld? Oordeel zelf maar. En graag veel reacties!

Sigur Rós – Glósóli

Songbird

Financiële crisis, oorlog in Congo, presidentsverkiezingen in de VS: er gebeurt vandaag veel in de wereld. En temidden van dat alles zal ik schrijven over een onozel stuk software. Typisch Vlaams blogmateriaal? Jazeker! En nutteloos en waardeloos. Aan u om uit te vissen of dat laatste nu slaat op deze post of op dat stuk software.

Dit is trouwens geen bespreking, eerder een impressie.

Songbird dus. De naam laat denken dat het een broertje is van Firefox, Thunderbird en Sunbird. De Mozilla-zoo dus. Dat wil zeggen: open source, addons, beta’s en skins. Dat klopt allemaal, behalve de familienaam. Die is niet ‘Mozilla’ maar ‘Pioneers of the inevitable’. Maar op één of andere technische, en voor normale mensen onmogelijk te begrijpen manier, maken ze wel gebruik van Mozilla. Enfin. Pioneers of the inevitable. Ik vind dat óók een belachelijke naam.

Derde paragraaf en ik heb nog niet gezegd dat het een mediaplayer is. Het is dus een mediaplayer. Maar even terug over die naam: Pioneers of the inevitable (hou maar op met zoeken; er is geen structuur in deze tekst dus zal je er ook geen vinden). Ze noemen zichzelf zo omdat ze ervanuit gaan dat ze de software van de toekomst hebben ontwikkeld. Het is namelijk niet alleen een mediaplayer, het is ook een browser. Zo kan je met een muisklik allerlei informatie tevoorschijn toveren over het nummer dat aan het afspelen is: lyrics, uitvoerder, album, cover-art, zelfs een Flickr-diavoorstelling van afbeeldingen die bij de artiest/band horen. Hebben we dat nodig? Tuurlijk niet. Maar het is nu eenmaal een evolutie in de wereld van het internet dat software en online-toepassingen steeds meer verweven worden en dat de scheiding tussen online en offline steeds vager wordt (alles wordt gewoon online).

Je kan Songbird vergelijken met de NVA. Bart Dewever kan niet genoeg herhalen dat België voorbijgestreefd is, dat dat een historische evolutie is waar we niks tegen kunnen doen en dat de gezaghebbende niveaus steeds meer Vlaanderen en Europa zullen zijn. Wil iemand dan eens aan Dewever vragen wat dan het nut is van zijn partij? Je moet er niet mee inzitten Bart, België zal niet blijven bestaan, dus steek je partij maar in de onderste laden van de kast, we hebben hem niet nodig.
Hetzelfde met Songbird: waarom een programma maken dat vooruitloopt op een evolutie die sowieso aan het plaatsvinden is? Een evolutie waarvan je niet 100% kunt vaststellen waar ze ons zal heenleiden? We weten enkel dat we in de toekomst nóg efficiënter toegang zullen hebben tot allerlei informatie. Laat ons dus maar gewoon die evolutie gebeuren.

Songbird loopt voor op de evolutie en dat voelt nogal ‘onnatuurlijk’ aan. Bij de haren getrokken zelfs. En dat is pijnlijk. Het is pijnlijk als ik in een mediaplayer geconcentreerd op zoek moet gaan naar mijn muziekbibliotheek, omdat ik enkel een webpagina zie. De gedachte is dat je een tabblad hebt met je bibliotheek, alsof het een website is, en dan op andere tabbladen kunt surfen. Maar als die bibliotheek niet op voorhand geopend is, dan moet je op zoek. Omgekeerd dezelfde miserie: je zit in je bibliotheek en je wil surfen? Dan moet je in de linkermarge op ‘welcome’ klikken, en dan kom je op je startpagina terecht (Songbird addons). Niet. logisch.
Wat ook niet logisch is: een album art manager die niet automatisch alle ontbrekende albumcovers kan ophalen. Je kan het enkel één voor één handmatig doen. Die album art manager geeft trouwens enkel in een nieuw venster een overzicht van alle albumcovers. Wat het nut daarvan is heb ik nog niet uitgevist.
Andere downsides: het werkt voor mij niet sneller dan iTunes, het is niet compatibel met Foxytunes, je kunt (nog) geen CD’s afspelen, je kan je playlists niet in mappen onderverdelen zoals in iTunes, er is geen mogelijkheid om het afspeelvolume van een nummer te veranderen of met equilazers te prutsen.

Wel positief: met de iTunes importer-addon kan je je iTunes-bibliotheek importeren, met een iPod-addon kan je je iPod synchroniseren, je hebt een heleboel skins (‘feathers’ genoemd, beetje stom), er is coverflow en je kan dubbele nummers of ‘corrupte’ bestanden opsporen en verwijderen (watch and learn, iTunes).
Een heel gedoe over iTunes, maar dit programma lijkt dan ook gemaakt om iPod-eigenaars te lokken die iTunes beu zijn. Er is zelfs een optie waarmee Songbird zich automatisch synchroniseert met je iTunes-bibliotheek.
Laatste positieve noot: Songbird heeft minder tijd nodig dan iTunes om te installeren of up te daten. Ongeveer 3u minder.

Het mag nog wat proefdraaien. We zien wel wat we ermee zullen doen.

(Ik wilde een link plaatsen, maar de site is blijkbaar down. Slechte reclame.)

Madagascar bis

Madagascar is een vreemdsoortig reisverslag. De mannelijke vertelstem klinkt laconiek, moe, depressief, fatalistisch, ongeïnteresseerd, beschrijvend, slaapverwekkend, intiem, subjectief, persoonlijk,
onnatuurlijk, ingesproken. We kijken door de ogen van de vertelstem. Een beproefde techniek in bepaalde oorlogsfilms, of ‘first person shooter-games’. Waarom Madagascar? Waarom geen ander land? Geen idee.
Hij noemt Madagascar een Derde-wereldland. Foute boel. De Derde Wereld dateert uit de Koude Oorlog. Er was het Westen, het communistische Oosten, en de Derde Wereld, hoofdzakelijk bestaand uit Afrika en
Zuid-Amerika, waar Amerikanen en Russen streden om invloed. Nu is de term “Derde Wereld” in onbruik geraakt en ietsje respectloos.

“Het valt mij op dat de mensen hier alles op hun hoofd dragen. Werkelijk alles.” Vind maar eens een Zwart-Afrikaans land waar ze het niet doen. Beter voor je rug dan alles met je armen te dragen.

Greatest Switch

De beste dancetracks ooit. Zaterdag op Stubru, en ik heb het grandioos gemist (leve de site).

De top-5 vind ik wel interessant. Aan elk nummer heb ik een welbepaalde herinnering. Ja, ik vergeet nutteloze zaken héél moeizaam.

1. Underworld – Born Slippy (Nuxx): op een maandagavond reed ik met mijn fiets naar de tafeltennistraining, zo’n 7km van mijn huis verwijderd. Mijn Walkman in mijn oren om de saaiheid van de tocht wat te verminderen. Het was een oude Walkman, zoéén met cassettespeler en radio. In die tijd (ik denk 2000) luisterde ik nog naar Donna, maar omdat er een slecht nummer gedraaid werd had ik hem eventjes op Stubru afgestemd. Het was de eerste keer dat ik bewust naar Stubru luisterde. Iemand mocht een verzoeknummer kiezen en dat was Born Slippy. Fantastisch nummer! En het is niet eens rockmuziek! Draait Stubru dan ook dansmuziek? Born Slippy was dus het eerste nummer dat ik ooit op Stubru gehoord heb.

2. Laurent Garnier – The man with the red face: het was in datzelfde jaar. Lente. Begin mei. Euro 2000 was in aantocht. Ik luisterde elke zaterdagmiddag naar de Tip-20 (lijst van nieuwe nummers) en daarna naar de Ultra top-50. In de Tip-20 vielen twee nieuwkomers mij op: Rose Rouge van St. Germain en The man with the red face van Laurent Garnier. Ze leken goed op elkaar, vond ik toen, omdat ze alletwee zo jazzy waren. Buiten de Tip-20 werden die nummers niet gedraaid op Donna, en met het internet was ik amper vertrouwd, dus stemde ik de week erop trouw af op de Tip-20, mijn cassetterecorder in de aanslag. Uiteindelijk heb ik de single gekocht van The man with the red face (dat was de tijd dat ik nog singles kocht), en van St. Germain het volledige album (Tourist). Dat laatste was eigenlijk enkel om het nummer Rose Rouge te hebben, dus die CD heeft lang staan schimmelen in mijn kast. Nu ben ik heel content dat ik hem heb! The man with the red face ben ik intussen absoluut beu, en had ik indertijd geweten dat het op Stubru elke dag gedraaid werd dan was dat al veel eerder het geval geweest.

3. Chemical Brothers – Hey boy, hey girl: toen ik 16 was zat ik soms wel eens in zo’n typisch danscafé in die welbepaalde buurt in Brugge (toen vonden we dat hip), en daar werd meestal van die Eurotrash gedraaid à la Milc Inc. (die bestaan dus al bijna 10 jaar he!) en Fiocco. En Virtual Zone! En Da Boy Tommy! Hoe dan ook, op een bepaald moment werd daar Hey Boy Hey Girl gedraaid en dat was de eerste keer dat ik het hoorde. Niemand besteedde er echt aandacht aan, we waren zelfs aanstalten aan het maken om te vertrekken, maar ik bleef hangen want ik wilde dat nummer tot het eind horen. De “here we go!” heb ik blijven onthouden, maar ik ben er lange tijd achter gekomen wat de titel en uitvoerder was. Nooit kwam het op de radio, waarschijnlijk omdat er geen melodie in zit of zo.
Twee jaar later kocht ik een Stubru-cd: Smells like teen spirit, en daarop stond Hey boy, hey girl. Beeld je in hoe content ik was toen ik dat nummer compleet onverwacht te horen kreeg bij het beluisteren van die CD!

4. Faithless – Insomnia: Ik hoorde het voor de eerste keer ’s nachts op de radio. Donna, inderdaad. Ik denk 1998. Het bleef lang in mijn hoofd hangen en ik had er ook een stukje van kunnen opnemen, zo’n tien seconden. Die tien seconden bleef ik maar opnieuw en opnieuw spelen. De tweede keer hoorde ik het in een mix met La La Land van Green Velvet (“something ‘bout those little pills….”). Direct getapet op cassette en daar ettelijke jaren van genoten. Zelfs nu nog, als ik het einde van La La Land hoor op de radio of zo, dan wordt het in mijn hoofd gevolgd door Insomnia. Het is ook het nummer dat altijd in mijn hoofd zit als ik niet kan slapen. Niks aan te doen, het komt vanzelf nadat ik op mijn radiowekker heb gekeken in bij mezelf denk: “so here we are… X o’ clock in the morning…”

5. Daft Punk – Around the world: Daar kan ik kort over zijn. Around the world vind ik een absoluut schijtnummer en het betekent voor mij niet meer dan een afspraak met de skiptoets als ik naar Homework aan het luisteren ben. Geef mij maar Da Funk. Of Rollin’ & Scratchin’.

En de 95 andere nummers kun je allemaal vinden bij Druivensuiker.