Provincialisme

Provincialiteit bij Focus, de West-Vlaamse regionale televisie, dat is even evident als minstens 980349 vermeldingen van Erik Van Looy in élke Humo, élke week opnieuw.

Focus was één van de eersten om te berichten over de schade, veroorzaakt door de twee straaljagers die gisteren door de geluidsmuur vlogen.

Voor wie niet uit de streek komt: gisterenmiddag, rond 14u werd ik, en de hele buurt met mij, opgeschrikt door een harde doffe knal. Het huis schudde, alsof er een bom gevallen was. Ik keek in de richting van het raam en toen kwam er een tweede knal waardoor de ruit in mijn velux ongehoord heftig aan het trillen ging. Schudden is misschien een beter woord.

We lopen naar buiten; de buren stonden ook al op straat te kijken wat er gebeurd was. Niks te zien. Geen rook, geen vuur, geen brokstukken van een vliegtuig. Later kwam de verklaring: twee straaljagers door de geluidsmuur.

Bon, Focus dus. Hun bericht. Lees goed:

Twee straaljagers die ter hoogte van het winkelcentrum B-Park door de geluidsmuur zijn gevlogen, hebben heel wat schade veroorzaakt bij de huisdecoratiewinkel Kwantum.

Er was schade in B-Park, dus moet het ter hoogte van B-Park gebeurd zijn. Of de term “hoogte” wel goed gekozen is in deze context laat ik dan nog in het midden.
Beste Focusmensjes: het is wel degelijk mogelijk dat die schokgolf van iets verder kwam dan B-Park zelf. Het is zelfs mogelijk dat hij van de andere kant van de provinciegrens kwam, nl. Oost-Vlaanderen. Ja, er is een wereld aan de andere kant van de grens.

Winter this is

“Naar goede gewoonte zijn er dit weekend weer heel wat blockbusters op tv, want in januari valt er anders toch niks te beleven.”

Zo las ik in één of ander tv-blad of een krant – wie zal het zeggen – deze week. Maak daar weekend van, anders past het niet.

Ik bekijk mijn blogposten van deze maand en ik kan alleen maar aye zeggen. Misschien ís dit wel de saaiste maand. De winter is in se één en al saaiheid omdat het eigenlijk nooit een echte winter is (en bespaar je de moeite nu direct door te scrollen naar dat commentsvak om me op de hoogte te brengen van het feit dat het dit jaar wél een echte winter was/is, ik kijk heus ook wel eens zelf naar buiten hoor. Ik durf zelfs zo nu en dan eens een stapje te wagen in de echte wereld).

Winter dus. In december gecompenseerd door examengekte, proefwerkengekte, kerstgekte en oudejaarsgekte. De sinterklaasgekte nemen we als aperitief. Januari: dat is de detente. De anti-climax. We zijn 2009 al gewoon, het nieuwe is eraf. Boredom.

Ik heb het nieuws nog niet gezien, maar ongetwijfeld hebben die Israëlische schurken vandaag opnieuw een paar Palestijnse kinderen de eeuwigheid ingejaagd en een bundel andere conventies van Genève door de wc gesjast.

Volgende week heeft de VS voor het eerst een zwarte president. Volgende week dinsdag. Een dinsdag. Alweer. Uiteraard. Alles dat met politiek te maken heeft gebeurt daar op dinsdag. Autisten.

Afgelopen weekend was het serieuze koekenbak hier in de straat, toen de Damse Vaart na 11 jaar nog eens open ging voor het publiek. Schaatsgekte. Gelukkig ben ik vrijdag al op fotografische excursie gegaan om zo beelden te maken mét de witte bomen. En for the record: volgende maand gaan de bomen langs diezelfde vaart tegen de vlakte. Dag met het handje! Nee, het is te laat om nog een actiecomité op te richten, concentreer jullie maar op dat museum in Brugge. Want stel je voor: een museum in Brugge! Dat past toch echt wel niet in het historisch kader! Kunnen ze geen middeleeuws gebouw neerplanten en de toeristen wijsmaken dat het oud is?

Het grootste nieuws heb ik dan nog niet eens verteld. En als het puntje bij het paaltje komt (wie stelt zich dat ook altijd visueel voor? Dat puntje en dat paaltje bedoel ik. Never mind.), dan heb ik nog niet eens de tijd gehad om een blockbuster te bekijken. Behalve Star Wars want ik moest dat gat in mijn cultuur toch eens opvullen.
Hell, ik heb zelfs nog geen tijd gehad om opnieuw regelmatig te bloggen.

But change will come! Yes I can! Schrijf het op, en ik doe hetzelfde.

Arm der wet

Episode 1: Brussel

Ik liep van de Jordaanse ambassade naar de VUB. In de straat die mijn pad kruiste passeerde net een tram toen ik een sirene hoorde. De tram trok traag op na een halte toen ik een politiewagen met loeiende sirene vanachter een hoek zag komen. “Die tram zal zich moeten reppen”, dacht ik nog, toen er een tweede politiewagen kwam aanknallen en een derde, een combi. De eerste wagen kriskraste door het kruispunt waar wagens in extremis toevlucht hadden gezocht op de borduur. Bij de tweede en derde ging dat al wat moeilijker. Ik stond stil om de eerste wagen na te kijken en ik zag hem zich met veel schwung op de linkerkant van de rijweg gooien om de tram voorbij te rijden. Daarna kwam hij met gierende banden tot stilstand, en de tram achter hem ook. “Hij had op z’n minst eerst die tram kunnen laten doorrijden”, dacht ik, tot de twee andere politiewagens zich achter de tram dwars over de rijweg opstelden in ware cop-stijl: met veel lawaai en zwiepende achterbumpers. Agenten stapten uit: jonge afgetrainde twintigers met zonnebril en niet te beroerd om te rennen en een slide te plaatsen over de motorkap van een occasioneel geparkeerde wagen. Enkelen gingen de tram binnen, anderen bleven op wacht. Ik zag geen reden waarom ik eens geen ramptoerist zou mogen zijn en ik stapte gretig in de richting van de tram. In de verte klonken meer sirenes. Na een tijdje kwamen de agenten weer tevoorschijn. Ze sprongen haastig in hun wagens, draaiden 180°, trokken agressief op en verdwenen pijlsnel in de richting waaruit ze gekomen waren. De tram vervolgde zijn weg en de sirenes stierven in het straatlawaai.

Episode 2: Brugge

Maandag werd de fiets van mijn zus gepikt voor de bibliotheek (vergeten te sluiten). Vandaag zetten we mijn pa af aan het station voor zijn Canada-journey en besloten daarna de fietsrekken te doorzoeken. Je weet maar nooit. De nieuwe stallingen aan de achterkant leverden niet veel op, behalve grote plassen en een lekkend plafond. Aan de voorkant daarentegen hadden we al aan de eerst rij prijs.
“Ier staat nog een Gazelle Bahia……ei das de mijnen……keb em!”, riep mijn zus.
Ik ging naar het flikkenkantoor in het station terwijl mijn zus de wacht hield bij haar fiets die gesloten was.
Ik klopte en ging binnen: klein kamertje, 4 stoelen aan de ene kant, loket aan de andere kant met daarachter een oudere flik die aan het bellen was. Hij deed een vaag teken dat ik interpreteerde als “wacht even” en dus ging ik zitten op één van de stoelen. In werkelijkheid bedoelde hij “bel aan bij de deur aan de linkerkant”, en ten slotte stond hij op om hem zelf te openen. Ik deed mijn verhaal aan een jongere flik met kaal hoofd, stoppelbaard en een jas met de afbeelding van een speurhond. “Kinky!”
Uiteindelijk werd ik vergezeld door deze en een derde flik die een grote vervaarlijk uitziende tang bijhad om sloten open te knippen.
“Jamaar, het is een stalen ringslot”, zei ik, wijzend op de tang.
De flikken liepen gewoon door.
“Oei, ja dat gaan we niet door kunnen knippen he”.
Het klonk alsof het ‘niet-doorknippen’ een oplossing was en ik had een déjà-vu.
“Owkeey”.
Ik vroeg maar niet wat ze dan wel dachten te ondernemen en liep gewoon mee.
Bij de fiets aangekomen had mijn zus een geniale ingeving: het reserve-sleuteltje in haar handtas. “Hah, nu moet ik niet meer bewijzen dat het de mijne is!”.
“Nee, he! Haha!”
“Ik mag hem gewoon meenemen he?”
“Ja, natuurlijk!”
“Oef!”
“Ben je opgelucht misschien?”
“Ja, tzal wel zijn!”
“Allez, prettige dag verder.”
En de flikken gingen terug naar het stationsgebouw. Rustig kuierend naast elkaar. Met die immense, nutteloze tang.

Brugge: flikken
Brussel: cops

In Bruges

Om met de deur in huis te vallen: het was een heel goeie film. Er was één minpunt: Brugge.

Van het begin was het duidelijk dat Brugge een belangrijke rol vervulde in de film. Het was niet louter een decor, het was een wezenlijk deel van de plot. Je zou denken dat ze de film even goed in Venetië hadden kunnen draaien. Of Carcasonne. Of York. Of een ander toeristisch middeleeuws stadje. Maar neen, het kon alleen in Brugge want Brugge was voor de personages ‘anders’ op een manier die ik nog steeds niet begrijp. Waarom drijft de film de spot met ‘sightseeing’, en met de bootjes en de koetsen terwijl je in Venetië net hetzelfde aantreft? En zelfs in Wenen heb je koetsen. In New York zelfs! Venetië is al uitvoerig in beeld gebracht in films als vb. Casino Royale, Indiana Jones & the Last Crusade of The Merchant of Venice. In geen enkele van die films werd de spot gedreven met Venetië, een stad die even groot is als Brugge, met hetzelfde historische patrimonium, nog meer kanalen, nog meer bootjes en nog meer toeristen. Er zijn geen dancings, geen bussen, geen trams, geen grote winkelstraat à la Steenstraat, en er zijn geen f*cking bowlings. In Brugge zijn er trouwens wél bowlings, wat ze in de film ook mogen beweren. En neen, het zijn geen ‘medieval bowlings’. Dus: waarom is Bruges een “shithole” en al die andere middeleeuwse toeristische steden niet?
Oja, er werd op een gegeven moment wel iets positiefs gezegd over Brugge: Brugge valt zogezegd nog wel mee, alleen jammer dat het in België ligt. But then again: als het niet in België lag dan zouden er nog meer toeristen zijn en dat zou teveel van het goede zijn, aldus Ralph Fiennes.
Een andere quote uit de film: “why would someone go to Belgium?”. Wat is er in godsnaam mis met België? Stel nu dat de film zich afspeelde in Slovenië, zou men zich dan ook afgevraagd hebben waarom iemand in godsnaam naar Slovenië zou gaan? Of Estland? Of Moldavië? Of Uruguay? Of om het even welk ander bescheiden land? Natuurlijk niet! Je stelt je er gewoon geen vragen over. Waarom zou iemand naar België gaan? Tja, om dezelfde reden waarschijnlijk waarom een Belg naar Ierland zou gaan vermoed ik, een onozel eiland ten westen van Groot-Brittannië met nota bene minder inwoners (dan België).

De beelden die je van Brugge te zien krijgt, dat zijn stuk voor stuk de postkaartjes. Toeristenplaatsen waar de gemiddelde Bruggeling amper komt. Die toeristenbril, die was soms een hinderpaal. Maar dan nog: de film is gemaakt voor buitenlanders en die zien dit land en deze stad nu eenmaal als toeristen. Als ze “Brugge” denken, dan bevat hun mental picture de Halletoren en het stadhuis. Als ik “Brugge” denk, dan zie ik mijn huis, mijn vroegere school en de straten waar ik elke dag kom. Ik zie in ieder geval niet de Halletoren want die heb ik intussen wel genoeg gezien en hij betekent dus niks bijzonders meer. Maar als ik aan Parijs denk, dan zie ik de Eiffeltoren. En bij Londen zie ik de Tower Bridge. Ja, dan ben ik de toerist.
“België is een land dat aaneenhangt door pralines”, zegt de Colin. Wanneer heeft u voor het laatst pralines gegeten? Ik dacht het al. Beste toeristen, die pralines en die wafels, die zijn er enkel voor jullie. Wij Belgen houden ons daar echt niet mee bezig.

Goed, dat dus voor de downsides. Downsides die enkel voor Belgen en Bruggelingen storend kunnen zijn en eigenlijk niks met de film op zich te maken hebben. Ja, die zoutkorrels heb je wel nodig als je naar de film kijkt.

Maar het was grappig! In Bruges is een regelrechte Tarantino-film, maar dan door een Brit gemaakt. Wat een combinatie! De conversaties waren om duimen en vingers van af te likken. Zelfs Pulp Fiction was er niks tegen. De actie op het einde was adembenemend. De acteerprestaties niet minder dan groots. Een nobelprijs voor wie de passage met het berichtje dat Harry in het hotel had achtergelaten bedacht heeft! De gezichtsuitdrukkingen van Colin Farrell verdienen posters! Ik zie hem zo oefenen voor de spiegel in zijn chique hotel ergens in Brugge.
De absurditeiten, het cynisme en het sarcasme druipen ervan af. Maar nergens wordt het plat. Integendeel: de film is verrassend diepzinnig en de personages worden goed uitgewerkt.

De plot bevat twee delen: het eerste deel is gezapig, idyllisch en dient om de twee hoofdpersonages uitgebreid voor te stellen. In het tweede deel begint de actie en komt er meer vaart in de plot.

Het zou zonde zijn details vrij te geven over het verloop van het verhaal dus kan ik alleen maar deze film ten sterkste aanbevelen. En dat er nog meer toeristen zullen komen, dat staat nu al vast.

Verscheen ook op Bruggelink

Stuk-de-mulle

“Het zal me leren de fietsterrorist uit te hangen”, denkt het deel van mijn verstand dat doorgaans een aureooltje boven het hoofd heeft hangen.
“Waw, ik ben een held!”, denkt het deel dat te last heeft van een overdosis zelfvertrouwen.
“Het was zíjn schuld, ik kon er niks aan doen”, denkt het deel dat veelal eens mijn gezond verstand komt lastigvallen.
“Het was zijn, schuld maar ook een beetje mijn eigen schuld”, denk mijn gezond verstand dan weer.

Na 8 jaar ben ik nog eens met de fiets op mijn bek gegaan. En als ik een manier had moeten kiezen waarop dat zou moeten gebeuren, dan was het wel deze geweest: een ongeval waarbij je in je recht bent. Omstaanders blijven staan, vrouwen houden een hand voor hun mond en schijnen zich zorgen te maken om mijn fysieke averij, mensen maken aanstalten mij te helpen maar keren op hun stappen terug wanneer ze zien dat ik al vrij snel weer recht krabbel. Als je als jongere spontaan op je bek gaat omdat je nu eenmaal niet met een fiets kan rijden, dan is dat een afgang. Als je op je bek gaat als gevolg van je eigen roekeloosheid, dan is het ook een afgang. Maar niet als je er niks aan kon doen.

Het was een klassiek ongeval. Ik rijd door de Vlamingstraat en ter hoogte van de Stadschouwburg nader ik 2 wagens die quasi stilstaan. Ik wil de eerste wagen voorbijsteken, wanneer die plots hetzelfde wil doen. De wagen houdt in en laat mij voor. Ik steek de tweede wagen voorbij, maar plots slaat die linksaf. Ik kan niet meer stoppen, gooi mijn remmen dicht, mijn achterwiel komt van de grond, ik probeer met mijn voeten op de grond mij tot stilstand te brengen, maar het is te laat. Ik maak een niet onzacht contact met de zijkant van de wagen en ga tegen de grond, waarna ik mijn fiets half op me krijg.

De bestuurder, een zestiger, komt verschrikt kijken of ik geen noemenswaardige kwetsuren heb opgelopen. “Sorry meneer, ik weet mijn weg hier niet zo goed en….” Plots zag hij het nieuw aangelegde fietspad dat in de tegengestelde richting liep. “O, u reed waarschijnlijk op het fietspad!”
“Neenee, ik stak u gewoon voorbij.”
“Je bent nogal geschrokken waarschijnlijk.”
“Nogal.”

Ik besloot maar niet te zeggen dat ik nogal snel aan het rijden was en dat ik gewoonlijk voorbijsteek zonder echt na te denken. Bovendien was mijn halve aandacht bij de andere wagen, die eigenlijk voor mij wilde voorbijsteken waardoor ik het manoevre van de eerste wagen een fractie te laat had opgemerkt. Stel dat ik niet had voorbijgestoken, dan had die tweede wagen het gedaan, en was er sprake van een “echt” ongeval. (Goed he van mij!).

Ik zette het voorlicht recht, controleerde de ketting van de fiets, de pekkel, de remmen, de spatborden en alles bleek intact te zijn. Gelukkig maar, want het was de fiets van mijn pa. Mijn eigen fiets is er wat erger aan toe, zoals de trouwe lezer wel weet.
Ik controleerde ook even of mijn gsm nog heel was, want die zat in mijn zak op dat moment. Wat vuil aan de elleboog, een schrammetje op mijn handpalm, en dat was alles.

Ik schudde de geschrokken automobilist de hand en wenste hem nog een prettige dag. Nu zit ik achter mijn laptop te typen terwijl mijn elleboog wat dik begint te worden en beweging doet lichtjes pijn. Er hangt een beetje bloed aan mijn geschaafde knie die ik eerst niet had opgemerkt. Nuja, medische kosten zullen er wel niet aan verbonden zijn.

Nu wordt het een beetje freaky: de vorige keer dat ik met mijn fiets een stuk-de-mulle maakte was in 2000 (ja, dat herinner ik me nog heel goed!). Maar vandaag was dit eigenlijk het tweede incident met de fiets. Deze morgen, toen ik met mijn koersfiets onderweg was, was het ook bijna van dat. Ik weet niet hoe ik me toen heb kunnen rechthouden, maar ik weet wel dat als ik toen gevallen was, ze de 100 hadden mogen bellen. Ik maakte een scherpe bocht om de brug over de Stinker & de Blinker (het Leopolds- en Schipdonkkanaal) op te rijden, en mijn snelheid was hoger dan anders. Midden in de bocht maakt mijn pedaal contact met de grond en maakt mijn achterwiel enkele bruuske zwiepen waarbij ik wonder boven wonder rechtop kon blijven. Eigen schuld, want ik had een belangrijke regel gebroken: hou in de bocht altijd de pedaal aan de binnenkant van de bocht omhoog. Ik ging minstens 30 per uur op dat moment, dus ik dankte het lot dat deze beker aan mij voorbij ging. De afrekening kwam dus deze namiddag. Alsnog.

Gerechtigheid?

Fietsbreuk

Ik heb het hem weer gelapt. Ik was nog maar vertrokken en *KNAL*, een schok, wat gewiebel, wat vreemde reacties als ik zigzagde en een ongewoon losse vering. En ik héb normaalgezien niet eens vering!

4 of 5 jaar geleden had ik het al eens meegemaakt op de Brugse vesten. Die schok en dan dat vreemde gevoel dat er een veer gestoken is ergens ter hoogte van je voorvork. Maar op het eerste gezicht lijkt alles in orde, dus rijd je gewoon verder. Van de Katelijnebrug tot de Dampoort heb ik zo gereden. Het is pas toen ik overstak aan het sas van de Dampoort dat ik merkte dat mijn kader….ik herhaal: mijn kader gebroken was. En ik herhaal ook hier: gebroken. De diagonale buis in twee. Zomaar. Plots. Bij het optrekken, dat wel.

Na dat incident had ik een gloednieuw kader gekregen, en dat heeft redelijk lang op zich laten wachten. Intussen reed ik rond met een liliputterfiets van bij de fietsenmaker.

Het ziet ernaar uit dat dit me opnieuw te wachten staat want ik heb geen zin in een nieuwe fiets. Tenzij ik mijn stuur en mijn zadel+zadelpen mag houden, dan ga ik er nog eens over nadenken. Ik sta afkerig tegenover nieuwe fietsen, als het geen koersfietsen zijn. Een fiets in Brugge, daar dokker je mee over kasseien en spring je over borduren, ontwijk je toeristen, snij je bochten af in nauwe steegjes en probeer je de mensen in de overvolle winkelstraten af en toe eens de stuipen op het lijf te jagen als ze weer eens vergeten zijn waar het trottoir is. Dat dóe je niet met een nieuwe fiets. Dat doe je met de fiets die je zo gewoon bent dat je er praktisch op vastgegroeid bent. Een nieuwe fiets, dat is alsof je plots op een qwerty moet typen, of met een auto moet rijden die je niet gewoon bent waardoor je je plots een groentje voelt in het verkeer, ookal heb je al lang een rijbewijs.

Zou dat eventueel te lassen zijn?

Concertfotodinges

Mijn dijspieren voelen aan alsof ze 15cm te kort zijn. Mijn mond is een asbak. Ik heb niet geslapen vannacht, ik noem dat een coma. Zo met mond open en al. Ik heb een ruis in mijn oren. En ik ben moe. Mijn broek en schoenen hangen vol modder.

Wie had gedacht dat concertfotografie fysiek zo zwaar zou zijn? Tijd voor een uitgebreid verslag heb ik niet, wegens mijn thesis die de 13de af moet zijn. Maar je houdt beter Bruggelink in de gaten voor een uitgebreider verslag van de Red Rock Rally. Overigens heb ik één willekeurige foto uitgekozen als soort van proefexemplaar om hier te posten. En met willekeurig bedoel ik: de foto die toevallig voor mijn neus stond toen ik op het idee kwam. De rest is voor wanneer ik een dag of 45 vrij heb. En het zal nodig zijn want ik heb het materiaal noch de ervaring voor het betere werk. Maar dat komt nog. Hopelijk.

Bert Ostyn van Absynth Minded: