Opwaaiend stof in de AB

“Een puik concert dus, maar niet briljant genoeg voor die vierde ster.”

Zo besloot de recensie in De Morgen van Calexico’s concert maandagavond in de AB. Een recensie waarin enkel positieve dingen te lezen waren, op deze laatste zin na dan. Is het geen regel in de journalistiek dat je besluit een logisch gevolg is uit de argumenten die je opbouwt in de loop van je stuk? En dat je in je besluit niet met nieuwe elementen moet komen aandraven? Nieuwe elementen zoals “niet briljant genoeg”? En is het daarbij niet helemaal not-done om die nieuwe elementen niet eens toe te lichten?
Dus blijft de vraag: waarom was het niet briljant genoeg?

Ikzelf weet het niet, maar ik ben dan ook geen objectieve beoordelaar. Of wacht, je hoeft niet objectief te zijn in een recensie zeker? Nize, dan ga ik mijn mening neerpennen.

Vaststelling 1: het voorprogramma – Get Well Soon – heeft niet alleen een verrassend goed klinkende groepsnaam, het gaf ook een verrassend goed klinkend concert. Zeker volgens de normen van voorprogramma’s. Toen wij binnenkwamen hadden ze net hun eerste akkoorden aangeslagen en voor het podium stonden al een paar mensen verzameld. Genant weinig eigenlijk. Melijwekkend zelfs.
Bleek dat de mannen (en vrouw) amper 2 nummers nodig hadden om het publiek de zaal in te drijven en op het einde van de setlist stond de zaal aardig vol.
“Respect!” riep iemand uit het publiek tijdens het stille ogenblik tussen de laatste noot van het laatste nummer en het luide applaus.
Als compliment kon het tellen.

Tweede vaststelling: Calexico is het soort band dat zelf meehelpt met het klaarzetten van het materiaal, het testen van microfoons en het stemmen van instrumenten. Ook dat verdient respect.

Derde vaststelling: Zelden zo’n natuurlijk overkomende frontman geweten als Joey Burns die ons begroette in het Frans en het Nederlands, uitgebreid de rest van de band voorstelde, ons allen bedankte voor onze aanwezigheid, en kwistig complimenten rondstrooide voor de AB en voor de stad Brussel en haar multicultureel karakter. En zijn humor is heel droog:
“Who’s sweating?”
(heel de zaal steekt hand op)
“Oh no you’re not!”

De muziek dan…
Vierde vaststelling: een concert van Calexico kun je volgens mij pas ten volle appreciëren als je de nummers al wat kent. Calexico houdt van improvisatie en Burns houdt vrijwel nooit vast aan de oorspronkelijke melodie.

Vijfde vaststelling: chemie. Chemie tussen de bandleden die dermate perfect op elkaar ingespeeld waren dat fantasietjes, knipogen, gelach en wat onozel doen er gewoon bijhoorden. Op een gegeven moment stonden ze zelfs luidop te overleggen of ze een bepaald nummer nu wel op díe of op die andere manier zouden spelen.

Zesde vaststelling: één groot feest! En dat het plezant was!

Arm der wet

Episode 1: Brussel

Ik liep van de Jordaanse ambassade naar de VUB. In de straat die mijn pad kruiste passeerde net een tram toen ik een sirene hoorde. De tram trok traag op na een halte toen ik een politiewagen met loeiende sirene vanachter een hoek zag komen. “Die tram zal zich moeten reppen”, dacht ik nog, toen er een tweede politiewagen kwam aanknallen en een derde, een combi. De eerste wagen kriskraste door het kruispunt waar wagens in extremis toevlucht hadden gezocht op de borduur. Bij de tweede en derde ging dat al wat moeilijker. Ik stond stil om de eerste wagen na te kijken en ik zag hem zich met veel schwung op de linkerkant van de rijweg gooien om de tram voorbij te rijden. Daarna kwam hij met gierende banden tot stilstand, en de tram achter hem ook. “Hij had op z’n minst eerst die tram kunnen laten doorrijden”, dacht ik, tot de twee andere politiewagens zich achter de tram dwars over de rijweg opstelden in ware cop-stijl: met veel lawaai en zwiepende achterbumpers. Agenten stapten uit: jonge afgetrainde twintigers met zonnebril en niet te beroerd om te rennen en een slide te plaatsen over de motorkap van een occasioneel geparkeerde wagen. Enkelen gingen de tram binnen, anderen bleven op wacht. Ik zag geen reden waarom ik eens geen ramptoerist zou mogen zijn en ik stapte gretig in de richting van de tram. In de verte klonken meer sirenes. Na een tijdje kwamen de agenten weer tevoorschijn. Ze sprongen haastig in hun wagens, draaiden 180°, trokken agressief op en verdwenen pijlsnel in de richting waaruit ze gekomen waren. De tram vervolgde zijn weg en de sirenes stierven in het straatlawaai.

Episode 2: Brugge

Maandag werd de fiets van mijn zus gepikt voor de bibliotheek (vergeten te sluiten). Vandaag zetten we mijn pa af aan het station voor zijn Canada-journey en besloten daarna de fietsrekken te doorzoeken. Je weet maar nooit. De nieuwe stallingen aan de achterkant leverden niet veel op, behalve grote plassen en een lekkend plafond. Aan de voorkant daarentegen hadden we al aan de eerst rij prijs.
“Ier staat nog een Gazelle Bahia……ei das de mijnen……keb em!”, riep mijn zus.
Ik ging naar het flikkenkantoor in het station terwijl mijn zus de wacht hield bij haar fiets die gesloten was.
Ik klopte en ging binnen: klein kamertje, 4 stoelen aan de ene kant, loket aan de andere kant met daarachter een oudere flik die aan het bellen was. Hij deed een vaag teken dat ik interpreteerde als “wacht even” en dus ging ik zitten op één van de stoelen. In werkelijkheid bedoelde hij “bel aan bij de deur aan de linkerkant”, en ten slotte stond hij op om hem zelf te openen. Ik deed mijn verhaal aan een jongere flik met kaal hoofd, stoppelbaard en een jas met de afbeelding van een speurhond. “Kinky!”
Uiteindelijk werd ik vergezeld door deze en een derde flik die een grote vervaarlijk uitziende tang bijhad om sloten open te knippen.
“Jamaar, het is een stalen ringslot”, zei ik, wijzend op de tang.
De flikken liepen gewoon door.
“Oei, ja dat gaan we niet door kunnen knippen he”.
Het klonk alsof het ‘niet-doorknippen’ een oplossing was en ik had een déjà-vu.
“Owkeey”.
Ik vroeg maar niet wat ze dan wel dachten te ondernemen en liep gewoon mee.
Bij de fiets aangekomen had mijn zus een geniale ingeving: het reserve-sleuteltje in haar handtas. “Hah, nu moet ik niet meer bewijzen dat het de mijne is!”.
“Nee, he! Haha!”
“Ik mag hem gewoon meenemen he?”
“Ja, natuurlijk!”
“Oef!”
“Ben je opgelucht misschien?”
“Ja, tzal wel zijn!”
“Allez, prettige dag verder.”
En de flikken gingen terug naar het stationsgebouw. Rustig kuierend naast elkaar. Met die immense, nutteloze tang.

Brugge: flikken
Brussel: cops

Fotologdag: het verslag

F*ck it, ik ga nu al schrijven. Ik moet morgen blokken want vrijdag komt er een klassiek examen. Misschien het laatste echte examen in mijn leven (wùùùùùùùùùù). Mijn fotologdag dus.

Vanmorgen werd ik wakker door de werklui bij de buren. Die mannen maken er al enkele maanden een gewoonte van om ’s morgens vroeg heel lawaaierig werk te verrichten, ongeveer van 8 tot 10u. Daarna vertrekken ze, om de volgende dag terug te komen. Ik ben het nog steeds niet gewoon want ik was er redelijk pissig om. Mijn geklop op de muur bleef natuurlijk zonder antwoord en omdat ik toch een uur te vroeg wakker was ben ik maar zo lang gaan douchen tot het warm water op was. De foto is genomen toen ik nog in mijn bed lag.

Toast! Met boter! Veel boter! En karnemelk! En nieuws op CNN (écht nieuws, want elk item verdient het om in het nieuws te komen). Perfect ontbijt.

Jo, mijn kotgenoot, is heel betrokken. Een half uur voor het examen kwam hij naar beneden om me eraan te herinneren dat ik moest vertrekken, zodat ik zeker niet te laat zou zijn. Ain’t that nice?
In het examenlokaal zag ik mezelf een pint van Robin door de neus geboord want ik had de guts niet om een foto te maken. Poor me.

3 uur hebben ze me gekost, die drie vragen. Die schriftelijke examens mogen me gestolen worden en mijn pijnlijke rechterarm vond dat ook. Ik had Pieter zijn glas booze beloofd en hij stond me dus al gretig op te wachten.

Drinken, eten, zwetsen, en kotwaarts. Er was op dat moment niks interessants te fotograferen dus heb ik maar de campus als onderwerp genomen. Er lag langs de straat wel een hondendrol die er merkwaardig lichtkleurig uitzag maar ik vond dat te vadsig om een foto van te nemen, laat staan om op mijn voor de rest toonbare blog te zetten. In Brugge heb je amper drollen, dus hier scoort mijn stad een puntje. Tussenstand Brussel – Brugge: 37-1.

Na enkele weken in Brugge te hebben doorgebracht, veel muziek te hebben ontdekt, en me tevreden te hebben moeten stellen met 2 basic-basic speakerkes, was ik content dat ik opnieuw kon profiteren van mijn oude getrouwe geluidsinstallatie. Jo was er niet en hij is de enige die mij normaal kan horen dus mocht het nog eens vollen bak.

Via bus en trein ging ik terug naar de provincie. Om 18u30 stond ik weer met beide voeten op West-Vlaamse bodem. Er restte mij nog enkel de orde van de dag: voetbal. Always has and always will be.

De foto’s staan hier.

Trammuseum

Schattig he? Zie die lampjes 🙂

Brussels Airport

Stubru irriteert me. De hele week zaten ze reclame te maken voor de uitzending van vandaag die live (duuh) uitgezonden zou worden vanop Brussels Airport. En ik mij maar afvragen of ze daarmee gewoon de luchthaven van Zaventem bedoelen, of één of andere beurs, of een tentoonstelling ter ere van de luchthaven, of dat het misschien een nieuw programma was.

Vanmorgen zette ik de radio aan en blijkbaar bedoelen ze inderdaad gewoon de luchthaven van Zaventem. Alleen heb ik in de 2 uur dat ik al zit te luisteren al 8382913 keer de naam “Brussels Airport” moeten horen en nog geen één keer “de luchthaven van Zaventem”. De 8382914de keer zal er één te veel zijn dus ben ik maar gestopt met luisteren.

Ik begrijp het niet. Afgelopen week was het toch groot nieuws dat er op de luchthaven van Zaventem een vliegtuig in twee gebroken was na een schuiver van jewelste? En er is toch altijd staking op de luchthaven van Zaventem? Waarom komt Stubru nu plots af met “Brussels Airport” (ookal is dat misschien de officiële benaming in het internationale luchtverkeer)?

Volgende week uitzending vanop de luchthaven Brussels South?

Impressies vanuit Belgiës belangrijkste museum

Parijs heeft het Louvre, Londen het British Museum, New York het MoMA, Wenen het Belvedere, Rome het Vaticaanmuseum, enz.  Zo heeft Brussel het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van België, wat zo’n beetje het belangrijkste museum is van ons land. Een schande dus dat ik het nog niet eerder bezocht had en de hiervoor genoemde musea wél (behalve MoMA, ik weet niet waarom).

Het was warm, maar het regende toen ik afgelopen dinsdag Outro ontmoette aan het Centraal Station. Uitstekend weer voor een museumbezoek, dat wel. Het Museum voor Schone Kunsten is in omvang natuurlijk peanuts vergeleken met het British Museum of het Louvre, maar u zal waarschijnlijk raar opkijken als ik vertel dat het 2 verdiepingen boven de grond telt, en 6 “onder de grond”. Dat laatste tussen aanhalingstekens want het museumcomplex is tegen de flank van de Kunstberg gebouwd.

Bovengronds was er de “oude kunst”, ondergronds de “moderne” kunst, zijnde vanaf de 19e eeuw. Vreemde vaststelling: stipt om 13u wordt het ondergrondse deel een uur gesloten zodat al het personeel samen kan gaan lunchen. Ja, inderdaad: zoals de Post en de Gemeente! Ik moest daar ook aan denken!

Nog een vreemde – genante – vaststelling: in ruimtes waar het muisstil is klinkt de autofocus van mijn camera als een boormachine, zeker als het nogal duister is. Na 3 keer de aandacht van een volledige zaal op mijn dak te hebben gekregen, ging ik over op manuele focus.

Naarmate we dieper en dieper naar beneden gingen werd de tentoonstelling surrealistischer, kubistischer en abstracter. Toen we in de diepste krocht van het museum aanbeland waren, wisten we zelfs al niet meer zeker of we nu naar kunst aan het kijken waren of naar doodgewone blokjes aan de muur of een ordinair brandblusapparaat. Ik overdrijf niet! We waren letterlijk op zoek naar een bordje aan de muur om te bepalen of iets kunst was of niks meer dan een paar TL-buizen. De blokjes bleken kunst te zijn, de TL-buizen ook, maar dat brandblusapparaat was jammergenoeg niet meer dan een brandblusapparaat. Wel een mooi brandblusapparaat. Ik zou het zeker aan mijn muur kunnen hangen met een bordje “Brandblusapparaat Aan Muur (2008)”.

Dan Flavin

Terwijl ik bovenstaande foto nam, stond ik zonder het door te hebben bovenop een kunstwerk. Een kunstwerk waarvan Outro voordien nog zei: “het zijn gewoon tegels, anders zou er wel één of andere afsluiting rond geweest zijn”. Blijkbaar was dat juist de point van het kunstwerk, nl. dat je erover kunt lopen. Maar dat hadden we toen niet door.

Sommige werken willen blijkbaar de kloof tussen bezoeker en kunstwerk overbruggen. Je kan erover lopen zoals bij de tegels van Carl Andre, of je kan er zelf deel van uitmaken zoals bij Michelangelo Pistoletto.

Ha, kijk! ‘T is ik! En don’t be fooled: dit is geen gordijn. Het is enkel de afbeelding van een gordijn, geschilderd op een spiegel.

In 2009 opent het Magritte-Museum in een bijgebouw van het Koninklijk Museum. Ik hoop voor hen dat ze tegen die tijd wat meer Magrittes zullen hebben want ik vond het eerlijkgezegd wat magertjes.

Al bij al is het museum groter dan je denkt, en zeker z’n geld waard: 3,5€ voor een student, 5€ voor de rest. We zijn 2u binnengeweest en hebben de gewone collectie bezocht, en dus niet de tijdelijke tentoonstellingen (duurder).

Mijn Havaianas

Járen heb ik ernaar gezocht. Letterlijk járen. 2006 en 2007.  Slippers, sletsen, flipflops, welke belachelijke naam je het ook wil geven, het doet er niet toe. Ik wilde simpelweg iets om naar buiten te kunnen gaan op een zomerse dag zonder dat mijn voeten vuil zouden worden. Voila. En ik vond er geen. Toch geen naar mijn zin en in mijn maat.

Afgelopen weekend heb ik nog lopen zagen dat ik er nodig had, en wat lees ik maandag geheel toevallig op Brusselnieuws.be? (ja, kijk zelf maar he)
Toeval bestaat hoor! Ja, tuurlijk. Anyway, ik ging vandaag op weg naar de winkel in kwestie, redelijk onwennig zoals een man hoort te zijn als die zich op zijn eentje in de textielsector begeeft om iets te kopen wat hij nog nooit gekocht heeft. Havaianas… ik zweer het: ik had er voordien nog nooit van gehoord, maar blijkbaar is dat de wereldmarktleider in dergelijke spullen en hebben ze er al miljarden van verkocht. Hoe die miljarden erin geslaagd zijn mij totnogtoe te ontwijken, het is me een raadsel. Een beetje alsof je nog nooit van Coca-Cola hebt gehoord.
De winkel was kleiner dan verwacht. 1 muur hing vol met – ik zal het hier sletsen noemen. Die muur van pakweg 6 meter lang. Ik was alleen in de winkel. Alleen ik en de verkoper, die druk dingen aan het uitrekenen was met behulp van een zakrekenmachine. Het zag er allemaal heel belangrijk uit dus besloot ik hem niet te storen maar hem mij te laten storen en in tussentijd wat te doen alsof ik precies weet waar ik naar op zoek ben en een jarenlange ervaring heb in dit soort dingen. Die 6 meter muur leken opeens 2 meter want ik was verassend snel bij het einde van de collectie en de man was nog steeds aan het rekenen. Achter mij stond een kast waarin ook sletsen lagen, dus ging ik daar maar een kijkje nemen. Ik had 46 nodig, waarschijnlijk de grootste maat die ze hadden. Die vond ik tot dusver nergens, en prijzen waren ook nergens te bekennen.
“Je peux vous aider?”
Ik probeerde mijn opluchting te verbergen dat er een einde gekomen was aan de pijnlijke stilte.
“Vous parlez Neerlandais?”
“Een beetje.”
“Hm, je vais l’essayer on Français”.
Ik legde hem uit dat ik op zoek was in de categorie t/m 20 euro. Hij keek een beetje verbaasd en zei dat de goedkoopste 18,5 euro kostten, zonder te zeggen welke dat waren.
Em…ok. Hoe was hij eigenlijk van plan te helpen? Ik was als de dood dat er opnieuw stilte zou vallen, dus sprong ik in het gat.
“Comment on peut savoir le prix?”
Dat begreep hij niet. Ik herhaalde mijn vraag. Hij begreep het nog niet. Ik formuleerde het wat anders en hij stamelde iets in het Nederlands over dat ze elk model in alle maten en kleuren hadden of zoiets.
“Ja, maar hoe weet je de prijs?” vroeg ik een beetje geagiteerd.
“Aah, vous le demandez à moi.”
“Ah, ok….bien.”
Het was duidelijk dat ik niet veel hulp zou moeten verwachten. Geen inside tips over de voor- en nadelen van soorten sletsen, geen suggesties van modellen die binnen mijn prijscategorie lagen, geen wat dan ook. Gelukkig kwam er op dat moment een andere man binnen zodat we op dat moment met z’n tweeën waren. Ik besloot te observeren hoe die andere het zou aanpakken. Na net zoals ik wat op en af te hebben gelopen langs die muur, vroeg hij tenslotte of hij een bepaald paar in zijn maat had. Toen trok de verkoper de muur open en verscheen er een heel rek vol sletsen van dat genre in verschillende kleuren en maten. Ik kon het niet zien maar ik veronderstel dat mijn ogen toen geblonken hebben.
De man paste het paar even dat hem door de verkoper toegestoken was, keurde het goed, betaalde en vertrok. “Dat zag er eenvoudig uit”, dacht ik. Alleen zat ik nog steeds opgescheept met het probleem dat ik geen prijzen wist en ik had geen zin om het om de haverklap te vragen aan die autist die zich veilig achter zijn toonbank verschanst had en duidelijk voor iets anders in de wieg gelegd was. Bruin past bij alles, dus ik nam een paar bruine vast met zo’n bekend Braziliaans vlagske.
“Combien pour ceux-ci?”
“Vingt-cinq.”
Kon ermee door.
“Vous en avez en 46?”
Opnieuw ging de muur open. Geen 46 te bekennen, maar geen nood: de man ging backstage in zijn kot rommelen. Even later kwam hij terug met maat 45/46.
Passen, goedkeuren, betalen, opkrassen.

Bah, hatelijk. Ik ga nooit meer alleen kleren of schoenen kopen. Nooit meer zeg ik je.

Maar ik ben wel tevreden met het resultaat! Mijn Havaianas. Eens zien hoelang het duurt tot die zool het voor bekeken houdt.