Roadtrip USA, part XII: highway to heaven

Highway One, alias CA 1 (California 1) is een weg die langs de kust van de Stille Oceaan loopt, ruw genomen van San Francisco naar Los Angeles. Er zijn snellere manieren om in LA te geraken, bijvoorbeeld de klassieke interstate (Amerikaans equivalent van een autosnelweg). Maar veel romantiek brengt dat niet met zich mee. Ik stelde me voor hoe we zoals in de typische reclamespots voor auto’s, over de Bixby Bridge zouden scheuren, langs de woeste oceaankust met het diepblauwe water en witte schuimkoppen, dat zich tegen de grillige rotsen stort. Hoog boven die rotsen: de Highway One die tegen de helling geplakt ligt en de kronkels van de kustlijn volgt. Deze sectie van de Californische kust werd “Big Sur” genoemd, en het stuk van Highway One dat erlangs liep draagt de officieuze titel van ‘mooiste kustweg in de wereld’.

Het was redelijk eenvoudig om vanuit het centrum van San Francisco de felgeprezen Highway One terug te vinden, hoewel we geen detailkaart hadden van het zuiden van de stad. We vertrouwden dus maar over onze (lees: mijn) sense of direction. Al snel stonden we aan de rand van de schuimende golven en terwijl we tankten snoven we de zilte zeelucht op die, meer dan in België, sterk aanwezig was. Ondanks de redelijk frisse temperatuur – er hing redelijk wat mist her en der – zagen we heel wat vroege surfers. De weg liep rakelings langs het kleine strand en zwiepte zich daarna met enkele bochten tussen de rotsen die de kustlijn van daaruit verder uitmaakten, om daarna in de mist te verdwijnen. Na een korte stop waarbij ik het juiste lensmateriaal uit de koffer haalde, begonnen we eraan.

Aanvankelijk kregen we heel wat veelbelovende panorama’s voorgeschoteld. Af en toe reden we door een flard mist, maar die was niet dicht genoeg om de blauwe hemel en de zonneschijn helemaal tegen te houden. Meer zelfs: de mist was zelf een deel van het landschap en droeg bij tot het spektakel. De mist waarvoor San Francisco bekend staat, is evenzeer kenmerkend voor deze kustweg. Ik bespaar u het hele verhaal over zeestromingen e.d. dat erachter steekt.
De mist kwam vanover zee over het land rollen en hij werd steeds dikker, zodat we op een bepaald moment volledig in de soep reden. En die soep bleef hardnekkig dik, tot we bijna in Monterey waren. Toen verdween de mist en steeg de temperatuur gevoelig.

De grootste trekpleister van Monterey is het Monterey Bay Aquarium. We verwachtten zo’n beetje de onderwatervariant van de zoo in San Diego, maar uiteindelijk bleek het niet spectaculairder – zelfs minder spectaculair – te zijn dan het aquarium in Boulogne-sur-mer. Het aquarium was nogal extreem op kinderen gericht, en kinderen maakten dan ook het gros van het veel te grote bezoekersaantal uit. Lawaai, en geschreeuw, en gedrum. Alle informatieborden bevonden zich bovendien nog eens aan de voet van de aquariums (aquaria?), op enkelhoogte. Met andere woorden: er stond altijd wel een kind voor.
Content dat we buiten waren, pikten we 2 droge sandwishes mee uit één van de 25 miljoen eettenten die de straat vulden die naar het aquarium leidde (tussen haakjes: weer typisch Amerikaans om de parkeergarage aan het begin van de straat te bouwen, en het aquarium op het einde, om vervolgens de straat vol te zetten met snackbars), en die allemaal om ter hardst een zeebonk-sfeertje probeerden te faken. We gaven de man die aan de uithang van de parkeergarage de betalingen inde en de slagboom bediende een handvol dollars (op sommige aspecten zijn ze in de VS écht wel niet zo modern), en weg waren we, richting Big Sur.

Het aperitief voor Big Sur was de 17-mile drive. Een kustwegje langs een klein schiereiland waarop Pebble Beach genesteld ligt: een upper-class gemeenschap waar de kasten van huizen alleen plaats moeten ruimen voor de vele golfcourses. De gemeenschap leeft eigenlijk betrekkelijk afgesloten van de buitenwereld en lang de toegangswegen zijn slagbomen met security guards geplaatst. Het was bij één van deze wachtposten dat we 10 dollar moesten ophoesten om de 17-mile-drive onder onze wielen te laten passeren. Het weer was op z’n zachtst gezegd “Belgisch” te noemen met een grijze lucht en een temperatuur waar je amper een 2 voor kon plaatsen. De weg zelf was best aardig, met hier en daar een stopplaats vanwaar je de wilde zeehonden kon bewonderen die op de rotsen lagen te luieren. Af en toe vloog er ook een zwerm pelikanen voorbij. Maar toegegeven: 10 dollar was het niet waard. Toen we terug op Highway One probeerden te komen stonden we in een file, veroorzaakt door voortdurend overstekende badgasten die alle tijd van de wereld hadden, en automobilisten in dure wagens die eigenlijk nergens heen moeten, maar enkel gezien willen worden. Het was zoals de Lippenslaan in Knokke op een zondagnamiddag in juli. De zon maakte korte metten met de bewolking toen we ons eindelijk uit de file wisten te bevrijden en Highway One opnieuw opreden. Big Sur lag vlak voor de bumper. Ik nam mijn camera op schoot, vinger aan de aan-uit switch.

De weg veranderde. De begroeiing aan de rechterzijde werd lager en we werden getrakteerd op indrukwekkende oceaanzichten. Terwijl Evi reed probeerde ik foto’s te maken. En als de hoogte van de vangrail en het geboomte het toeliet kreeg ik enkele bijzonder mooie plaatjes in de zoeker. We reden over Bixby Bridge en verzeilden daarna voor een lang half uur achter niet één maar twee RV’s (mobilhomes) die hardnekkig weigerden opzij te gaan en daarmee een deel van de ervaring verknoeiden. Gelukkig was er nog genoeg droomweg over om van te genieten nadat de twee lastposten gestopt waren op een panoramapunt.

Voor het tweede deel van Big Sur nam ik het stuur over en na het spectakelgedeelte kwamen we bij een vlakker stuk kust met een klein zandstrand en een vuurtoren. Iets verderop stond wat volk verzameld.
Ik vroeg: “Waar staan ze naar te kijken?”
Evi: “Rotsblokken of zo…  …  die bewegen!”
“Wablieft?”
“Het is alleszins iets groots.”
“Wat dan?”
“Tja, olifanten zullen het wel niet zijn.”
“Zeeolifanten misschien?”, zei ik al lachend.

Het volgende moment stonden we voor een afsluiting te kijken op een kolonie van een 50-tal zeekoeien, oftewel elephant seals. Ze lagen languit op het strand, zowel langs als op elkaar. De stank was niet te harden en vanop het strand stegen allerlei reutelende geluiden op, gepaard met het gas dat erbij hoort.

Ter hoogte van San Luis Obispo viel Highway One samen met highway 101 en werd het een snelweg. Verderop zagen we een laatste keer de zee en daarna draaide de weg landinwaarts. Rollende geuvels, akkers, wijngaarden, en een ondergaande zon die vaag door de avondnevel doorschemerde. Op die manier reden we naar Santa Maria, het dorp met de veelbelovende naam waar ons voorlaatste motel van de reis lag. Ik keek al uit naar een flesje Californische wijn op een terrasje op het dorpsplein toen we Santa Maria binnenreden en mijn ballonnetje genadeloos doorprikt werd. Street View geeft een treffend beeld van het typische Amerikaanse dorp waar Santa Maria geen uitzondering op is.

santa maria

Hoeveel rijstroken heeft de Kerkstraat in uw dorp?
Oogluikend keek ik naar elke Mc Donalds, Taco Bell, Subway of Pizza Hut terwijl we door het dorp reden. Hoogst waarschijnlijk was er nergens een normaal restaurant te vinden. “Waar gaan deze mensen naartoe als ze een terrasje willen doen??”
Mijn gebeden werden verhoord op wonderbaarlijke wijze. Nadat we een heleboel groezelige motelletjes voorbij waren gereden reden we de parking van het onze op: een statig gebouw in Europese stijl met watervalletje bij het portaal. Watertandend lazen we de uithangborden: hotel, pool, spa, wellness-center, massage, restaurant. Na het inchecken liepen we met valiezen en al rechtstreeks naar het restaurant dat zich vlak naast de receptie bevond.
“Table for 2? No problem! This evening at about…..8? Wonderful. See you tonight!”
We namen onze intrek in een ronduit Victoriaans ingerichte kamer en vluchtten toen naar het restaurant, vastberaden onze laatste dollars kwijt te spelen. We waren op één koppel en een eenzame eter na, de enige gasten. Een onbemande piano speelde restaurantliedjes en een jonge serveuse stelde zich op een familiaire manier voor als onze bediende voor die avond. ‘Wine served by the glass’ stond er op de menukaart.
“A bottle? No problem!” En we grijnsden alledrie.
Als ik me in de nabijheid van de zee bevind heb ik de neiging vis te bestellen, dus kregen we een half uur later een bord zeevruchten voorgeschoteld, het mooiste dat ik in mijn leven al gezien heb. Krabbenpoten, mossels, onbekende vissoort, schelpen en sint-jacobsvruchten. Ik moet zeggen: het smaakte zo goed dat de stukken krabbenpoot nét niet door de lucht vlogen. Eensgezind gooiden we er ook nog eens een dessert tegenaan; nee, dat verwarmd zwembad zal hoogstens voor morgenochtend zijn.

De volgende dag hoefden we niet ver meer te rijden, dus schakelde ik mijn wekker voor één keer uit. In LA zou er immers ook een zwembad zijn….

Roadtrip USA, Part XI: Quite a city…

Toen we van ons hotel naar downtown San Francisco liepen vielen ons 3 dingen op: ten eerste zagen we om de haverklap een bedelaar of drugsverslaafde. In fact waren we die morgen nietsvermoedend temidden de drugsverslaafden en bedelaars gaan zitten in een beduimeld koffiehuis. Ten tweede was het veel kouder dan verwacht. Een frisse zeebries ging door de straten en de zon gaf nog weinig warmte op dit moment van de dag. Ten derde was de af te leggen weg beduidend langer in werkelijkheid dan op papier. Dit gezegd zijnde, genoot ik met volle teugen van de wolkenkrabbers die afstaken tegen de staalblauwe hemel, de stedelijke ambiance die er heerste en het vooruitzicht een volledige dag in deze stad te mogen doorbrengen. We verkenden allereerst het financial district met de vele chique hotels, banken en kantoorgebouwen. In de jaren ’70 was hier een netwerk aangelegd van verhoogde voetpaden die een verbinding vormden tussen kleine winkelcentra. Langs deze voetpaden lagen er terrasjes en was er groen aangebracht. Alleen viel er op dit moment van de dag nog niet veel volk te bespeuren. We kwamen uit bij The Pyramid, het hoogste gebouw van de stad en met een voor de hand liggende vorm. We stonden op de hoek van de straat wat te draaien en te keren met de kaart, discussiërend over wat de meest logische volgende stap zou zijn van ons bezoek, toen we onderbroken werden door een man in maatpak. Hij raadde ons aan om langs het water naar Fisherman’s Wharf te wandelen.
“You get a lovely view over the bay there and if you wanna eat, there are several places where you can eat just along the way”.
Verbaasd over de hulpvaardigheid van die man gingen we graag op dat voorstel in, zij het via een short cut.

Via de kade, waar een Mexicaans zeilschip voor anker lag, bereikten we Fisherman’s Wharf met de beroemde Pier 39. Het was er ongehoord toeristisch en we waren er getuige van hoe schaamteloos commercieel Amerikanen kunnen zijn. De hele pier was omgebouwd tot “vissersdorp”, verdeeld over twee niveaus en volgestampt met souvenirwinkels, visrestaurants, winkels waar allerlei gadgets verkocht worden en fastfoodstalletjes. Er was entertainment, muziek en een constante pretzelgeur. Je zou er permanente agorafobie kunnen opdoen als je een deel van je verstandelijke vermogens niet eventjes opbergt. Dus deden we dat en liepen met een grote grijns en de portefeuille in aanslag mee met de stroom, die pier op. Evi kocht er 2 pullovers terwijl ik tussen de gepersonaliseerde sleutelhangers mijn naam zocht, en ik kocht er een T-shirt terwijl zij tussen de autonummerplaten neusde. Zo was iedereen tevreden en konden we naar de rand van het staketsel gaan om enkele clichéfoto’s te maken met op de achtergrond Alcatraz. Lang kon Amerika’s beruchtste gevangenis onze aandacht niet vasthouden want we werden aangetrokken door het ge-onk van de zwerm zeeleeuwen die de helft van de jachthaven bezetten. De drijvende pontons werden bijna volledig ingenomen door de bruine vetjassen, wat leidde tot hysterie bij de toeristen op de kade. Met kinderlijke blijdschap deed ik mee en ik fotografeerde de aandachtsgeile beesten met elke lens die ik had.

Commercanten zijn het, die San Franciscanen. Ze drukken de naam van hun stad op alles waarop er een naam te drukken valt, en verkopen het vervolgens alsof het een bekend merk is waarmee iedereen gezien wil worden. En dat is het ook. De naam “San Francisco” bleek een beter merk dan LA en Las Vegas tesamen. Ik kreeg een eigen staaltje van deze koopmanskunst voorgeschoteld toen ik in de etalage van een camerawinkel aan het rondkijken was. Na een 5-tal seconden stond er al een verkoper naar mij. Het was een vijftiger van Aziatische origine en met kapotgerookte tanden. Hij zag er allesbehalve betrouwbaar uit maar veel leek ik niet te verliezen te hebben als Europeaan in de VS. Een lens zou hier beslist goedkoper zijn dan thuis. Hij leek mijn gedachten te kunnen raden.
“You’re looking for a tele objective?” Hij keek even snel naar de camera die kruislings over mijn schouder hing. “Pentax?”
-“Do you have one?”
-“Of course!!”
Hij liep naar de toonbank en doorzocht een kast. Hij haalde er een doos uit met een Pentaxlens van 75 tot 200mm. Hij wenkte naar mijn camera en ik legde hem op de toonbank. Zonder tijd te verliezen verwisselde hij vliegensvlug de lenzen en nam een paar testfoto’s die hij vervolgens toonde. “That’s a very decent objective, only 200$. Try it!” Aangenaam verast door de zoomcapaciteit van een telelens nam ik binnen enkele foto’s.
“You should go outside! This is an objective for outside! I trust you. Besides: your wife, fiancee, girlfriend or whatever is here with me.” Aarzelend ging ik naar buiten. Toen ik weer binnenkwam trok ik een sceptisch gezicht. “Autofocus isn’t quick enough. Do you have other objectives in this price range?”
“Yes yes!” De man knikte driftig en schoot weer zijn kast in. Hij haalde een Sigma boven. 50 tot 300 mm. “This is a very good objective. 300mm and a switch for macropictures”. Opnieuw ging ik over tot de test. De lens focuste veel gemakkelijker dan de vorige en lag ook beter in de hand.
Ik vroeg of hij de Pentaxlens er nog eens wilde opschroeven. Terwijl hij daarmee bezig was stak hij een preek af over het feit dat ik slechts één UV-filter had voor 2 lenzen. “I am only giving you advice. You can do what you want. But UV-filters are essential protection!”

Ik testte de Pentaxlens nog eens en informeerde even of hij toevallig ook de nieuwere Pentax 50-300mm had. Dat was het geval en de test was ook heel positief. De verkoper daarentegen minder. “Too expensive!”, zei hij. “400$!” Dat was een teleurstelling. Ik had gehoopt die lens voor een prijsje uit Amerika te kunnen meenemen. De verkoper zag mijn twijfels en zei toen: “if you buy an objective, ánd a UV-filter, I’ll give you a second filter for the tele objective for free!”.
“And how much do you charge for a filter?”, vroeg ik.
“39 dollars”.
In België kost een UV-filter al snel 50 euro en mijn beslissing was snel genomen. Toch haalde de man op de valreep nog eens de klassieker aller verkoperstrucs boven. “I would go for the Sigma. I have been using it myself for a while and I am very satisfied.”
“Ja, dat zal wel”, dacht ik bij mezelf.
De deal was beklonken en ik wilde betalen, maar Evi hield me tegen en haalde zelf haar portefeuille boven. “Vervroegd verjaardagscadeau!”, zei ze. Het was niet de plek om uitgebreid te gaan protesteren dus liet ik me met graagte trakteren. Toen we in de vooravond op onze hotelkamer het factuurtje controleerden zagen we dat de slinkse verkoper ons de tweede filter wél had aangerekend en dat hij natuurlijk de “taxes” niet vermeld had.

Onze wandeling ging verder naar de top van Telescope Peak vanwaar we een fantastisch uitzicht hadden op de prachtige mist die de Golden Gate Bridge aan het zicht onttrok. Daarna gingen we naar beneden langs de übertoeristische Lombard Street, zogezegd de steilste straat ter wereld, die in een reeks van haarspelden naar beneden ging, versierd met bloemen in alle kleuren van de regenboog.

In Chinatown heerste een agressieve drukte, vol spuwende en roepende Chinezen die langs winkels kuierden (of stilstonden) waar allerlei levende etenswaren werden verkocht. Over een bak vis vloeide een klein straaltje water om de dieren in leven te houden. Mensen porden in hun flank waarna ze krampachtig met hun vinnen sloegen, in een strijd met de verstikkingsdood. Het was degoutant en we lieten ons plan om die avond Chinees te gaan eten varen.

In het hotel hielden we siesta tot ik ’s avonds met het lumineuze idee afkwam om de Golden Gate te gaan bezoeken. In de Rough Guide had ik een restaurantje in die buurt opgemerkt waar we daarna iets zouden kunnen eten. Evi gidste me door de straten van San Francisco en die kunnen ellendig zijn voor automobilisten. Ik probeerde me de techniek “starten op een helling” te herinneren terwijl ik een straat bergop reed in een helling van minstens 25°. De kruispunten lagen telkens op een platform die als zodanig korte pauzes zijn in de beklimming of afdaling (zie ook diverse actiefilms waarin helse achtervolgingen worden gehouden op deze hellingen van San Francisco. Meestal zie je de auto’s door de lucht zoeven en bumpers aan diggelen vliegen.) Toen we aan de top van de berg kwamen was de richel zo scherp dat je als automobilist onmogelijk kon zien wat zich aan de andere kant bevond. Ik duwde me tegen de rugleuning van mijn stoel en probeerde zo hoog mogelijk te zitten. De neus ging omlaag toen we over de richel reden en aan de andere kant gaapte een afdaling die even steil was als de beklimming.
“Stel je voor dat de remmen hier…”
-“Zwijg!”

Het was al donker toen we de parkeerplaats opdraaiden aan de voet van de beroemde brug, die nog steeds volledig in de mist lag. Onder het motto “beter dit dan niets”, gingen we door het hek de brug op. Links van ons raasde het verkeer in twee richtingen, daarbij heel wat herrie makend telkens een auto over één van de vele drempels reed die dwars over het wegdek liepen. Het was een hele wandeling toen we eindelijk bij de eerste toren kwamen, die we enkel konden zien tot aan de eerste dwarsbalk.
“Tjah, dit is het dan….”
Veel viel er voor de rest niet over te zeggen en met de harde, koude wind in het gezicht liepen we terug naar waar we vandaan kwamen.

Hier begint het meest tragische verhaal van de hele reis. Het begon toen we volledig de weg verloren in de zoektocht naar het restaurant. Op het gevoel af reden we door een kalme woonwijk, in de hoop een drukke bekende straat tegen te komen die wél op de kaart stond. Toen we daar eindelijk in geslaagd waren en we het restaurant gelokaliseerd hadden (het was toen kwart voor tien) begon de zoektocht naar een parkeerplaats. Stel je dit voor: een residentiële buurt met relatief brede straten en op het eerste gezicht parkeerplaatsen te over. Alleen: als je erdoor rijdt merk je dat alle vrije plaatsen vlak voor garagepoorten liggen. En er zijn héééél wat garagepoorten, soms wel 2 of 3 per huis (!). Gedurende ongeveer 20 minuten zochten we tevergeefs naar een parkeerplaats, maar helaas. Met een lege maag keerden we terug naar het hotel in de hoop dat het aansluitend hamburgerrestaurant of de pizzeria aan de overkant van de straat nog open zou zijn. Toen we bijna bij het hotel waren bleek dat we niet mochten inslaan in de straat waar we zouden moeten inslaan, en voor we het wisten belandden we op de snelweg richting Bay Bridge. Een kolossale omweg bracht ons – uiteindelijk – terug aan het hotel, volledig gefrustreerd dat we er toch elke avond weer in slaagden te laat aan te zetten. We liepen naar het hamburgerrestaurant, dat blijkbaar 5 minuten eerder de deuren gesloten had. Terug op onze kamer belden we naar de pizzeria van de overkant van de straat (waarvan het menu op elke hotelkamer lag), maar ook die had de boeken voor die avond gesloten. Met een humeur dat heel ver onder nul lag belde ik tenslotte de Pizza Hut. Toen ik – eindelijk – verbinding had en een pikante pizza had besteld, vroeg de man aan de andere kant van de lijn waar er geleverd moest worden.
“Best Western, 7th street”, antwoordde ik.
“Then you should call Pizza Hut in Geary Street. That’s closer by”.
Tweede poging. Wachtmuziek. Daarna wachtmuziek en toen nog meer wachtmuziek.
“Pizza Ut ow can I elp you?”
Het was een overduidelijke Aziaat die heel onduidelijk Engels sprak. Ik begreep amper iets van wat hij zij, maar ik gaf antwoord op de vragen die hij normaal zou moeten stellen.
“mioiiijf, fh,qiuhq,lizu?”
“A big hot&spicy with cheesy crust.”
“mdkqjsmijmioejè!’çruoeizmm?”
“Delivered.”
“Mmzqoi jfm,jn  gjfdkslmqhgkjfsdlqj?”
“Best Western, 7th street, room 48.”
“mlqkjmsfioeo  h,qiomhc’e,izjr?”
“Cash”
“Jukilompfrdeszqa?”
“Pardon??”
“Jukilompfrdeszqa?”
“Sorry, I don’t understand.”
“Jukilompfrdeszqa?”
*hand op de hoorn* Tot Evi: “jukilompfrdeszqa????'”
“Sorry, I really can’t understand.”
“Hm okey. Em….” *fluistert iets tegen iemand die blijkbaar naast hem zit* … “Wea you from?”
“I’m in the Best Western, 7th street!”
“No no, I mean: wea you live?”
“Em, I live in Belgium. I’m on holiday”
*stilte*
“Woa is yoa oldel fo… today?”
“My order?? One big hot&spicey with cheesy crust.”
“Okey. Em. We ave problem. Hot&spicey. Other also hot?”
“Hm, yeah ok.” Het kon me allemaal niet veel schelen, ik wilde eten!”
“Wea you want pizza deliveled?
*zucht* “Best Western 7th street, room 48”
“qmqozeijklwxfi?”
“Yes”
“…. goodnight?”
“Goodnight.”

En toen gingen we naar de bar van het hotel die om mysterieuze redenen al om 23u zou sluiten. Evi bestelde een glas wijn waarna de barvrouw haar sommeerde een identiteitskaart boven te halen die nog in de hotelkamer lag. Alleen achterblijvend bestelde ik een glas Anchor Steam, typisch bier uit San Francisco, terwijl ik mijn identiteitskaart voorlegde.

Deze blogpost wordt veel te lang. Niet alles is verteld maar ik kan het ook in sneltempo. Evi’s glas rode wijn heeft ons een whopping 11 dollar gekost. 11 dollar!! Voor het eerst betaalden we geen fooi. Onze pizza is op tijd aangekomen. In de doos zat een margharita met bitter weinig kaas en schijfjes groene chilipeper. Die was vuurspuwend pikant dus haalden we de schijfjes er één voor één af, om nog enkel een mager belegd stuk deeg over te houden. Het zijn geldverdieners, die San Franciscanen. En het zijn deugnieten ook!

Het werd zomer

Over Parijzenaars bestaan er een heleboel clichés…
Ahum…. eigenlijk slechts één: ze zijn onvriendelijk.

De afgelopen 3 dagen had ik het plezier en het voorrecht in de hoofdstad der fransozen te vertoeven en mij is eigenlijk opgevallen dat het cliché niet, of toch bijna niet klopt.

Onder de vriendelijke Parisiens reken ik:

– De chauffeur van de vrachtwagen die wachtte om voor een bepaalde winkel te parkeren tot ik er een foto van genomen had. Wild gesticulerend wilde hij zich ervan vergewissen dat ik echt niet van plan was om nog een 13de foto te nemen.

– De uitbater van het restaurant die ons de wijn liet proeven nog voor er plaats vrijgekomen was in zijn etablissement. De wijn van de maand was parfait! En de foie gras ook.

– Het personeel van ons hotel dat, zoals gevraagd, voor een extra groot bed gezorgd had en ons elke ochtend en avond vriendelijk begroette.

Tot de onvriendelijke parisiens reken ik:

– De dikke zwarte man die not amused was dat ik een foto nam op het moment dat hij voorbij liep en er vast van overtuigd was dat ik een foto van hem nam. In feite had ik enkel een bewegend object nodig, en hij passeerde juist toevallig. Hij niet alleen zelfs, maar dat kon hem niet deren. Hij bleef tergend lang staan terwijl hij zijn beklag deed en toen ik hem begon te negeren keek hij over mijn schouder mee naar de beelden om te zien of hij er echt niet op stond. Wat een lul.

Vindt u het ook zo warm de laatste tijd? Nee? Doe eens zoals ik en ga in de zon zitten met een zwarte T-shirt. Het zal rap zomer zijn.

Go west

Pursue your dreams! Ookal zijn ze heel ambitieus. Verken de wereld! Nu het nog kan. Nu je nog jong bent.

Een tijd geleden ventileerde ik hier op mijn blog het voornemen om een echte roadtrip te maken in het westen van de VS, langs de nationale parken. Het idee heeft me niet meer los gelaten, met als gevolg dat ik afgelopen zaterdag zat te nagelbijten in de wachtrij bij Connections.

Kleine moeite in vergelijking met adrenalineshots die ons te wachten staan. We gaan naar Amerika. Mijn meisie en ik. Het zuidwesten. Tour ligt vast, slaapplaatsen liggen vast, vliegtuigtickets liggen vast. Enkel de auto zorgt nog voor twijfel. Moet hij goedkoop en degelijk zijn of mag hij wat duurder zijn,  in combinatie met enkele extra paarden onder de motorkap? Stel dat hij het loodje legt in het midden van de woestijn….  Stel dat de airco het begeeft….  Zo’n zaken.

De reis gaat van LA naar LA. In de twee weken daartussen komen we voorbij Joshua Tree National Park, Phoenix, Grand Canyon, Lake Powell (Glen Canyon dus), Bryce Canyon, Zion National Park, Las Vegas, Death Valley, Yosemite National Park, San Francisco, en daarna cruisen we zuidwaarts langs de Pacific Coast op de legendarische kustweg die het decor lijkt voor een BMW-reclamespot.

Wees gerust: there will be sunshine, there will be heat, there will be mountains, there will be desert, there will be astonishing views, there will be photography and there will be blogging!

Been there, done that

Jordanië: laatste deel

“De cirkel is rond…”

…zo besefte ik toen ik die zaterdagmiddag van het hotel wegliep, blinkend van zonnecrème en zweet. We liepen in dezelfde richting als we op dag één hadden gedaan en hadden min of meer hetzelfde doel voor ogen (een taxi vinden die ons ergens midden in de stad zou droppen), dus was het een beetje als een déjà-vu. We waren slechts 8 dagen verder, maar wat een verschil! We wisten precies waar we een taxi zouden nemen, hoeveel we voor die taxi zouden betalen en waar hij precies heen moest rijden: King Adbullah Mosque. De eerste dag waren we wat onwennig een prijsonderhandeling gestart met de eerste de beste taxi die voor het hotel stond. We wilden naar de buurt van het Romeinse theater toen, zonder echt te weten wat er daar overigens nog te doen was of te beleven viel.
Vandaag wisten we precies wat we zouden doen na het moskeebezoek. We wisten hoe we ons zouden verplaatsen, welke buurten we zouden bezoeken en hoeveel tijd we er zouden doorbrengen. Het klinkt allemaal misschien wat krampachtig en hopeloos kapotgepland, maar we moesten de rest van de dag in de stad kunnen vullen. Rond 0u30 zouden we aan ons hotel opgepikt worden door iemand van het reisagentschap, die ons naar de luchthaven zou voeren. Het was 12u, en we hadden dus 12,5u voor de boeg zonder ‘thuisbasis’.

To the mosque! Where you pray! To Allah! With the blue dome! Like the sky!

Ander verschil met de eerste dag: ik had mij deze keer wél ingesmeerd met zonnecrème. De eerste dag was ik het glad vergeten. Waarom ik u dit volstrekt oninteressant en schaamtelijk feit mededeel weet ik zelf niet. Anyway, met relatief veel zelfvertrouwen liepen we langs één van de grote boulevards van Amman, ergens tussen de Seventh en Eighth Circle. Al snel stopte er een taxi. Ik keek door het open raam naar binnen, en mijn blik werd beantwoord door de olijke ogen van een kleine, kale taxichauffeur. De man zag er doodbraaf en betrouwbaar uit, maar desondanks informeerde ik of hij wel met een meter werkte. Hij bevestigde met een gebaar richting een rechthoekig apparaat achter de pook.
Het was pas toen we allebei op de achterbank zaten, dat we tot de vaststelling kwamen dat de man alleen Arabisch sprak. Zijn talenkennis was zo zwak dat hij zelfs geen eigennamen meer begreep van zodra ze in de context van een niet-Arabische taal waren geplaatst. Dus toen ik hem vroeg ons naar de King Abdullah Mosque te brengen, begreep hij ons niet. Voor de duidelijkheid: de moskee in kwestie is de grootste van de stad en van het land. De betekenis van het gebedsgebouw voor de stad is te vergelijken met die van de Notre Dame voor Parijs.
Griet was die dag wat minder geduldig dan normaal: terwijl ik die nacht mijn buikbacterie definitief had verslagen, had zij er zelf één opgelopen. Al gauw ontspon zich tussen haar en de chauffeur een conversatie van de soort die Italianen en Spanjaarden er ook wel eens plegen te hebben. Doe de test: probeer eens de weg te vragen aan een Italiaan. Hij of zij zal hoogstwaarschijnlijk enkel Italiaans spreken en ondanks het feit dat jij er geen iota van begrijpt, zal hij ervan overtuigd zijn dat als hij Italiaans blíjft spreken, je het vanaf een bepaald punt wel zal beginnen snappen.
Griet bleef dus pogingen ondernemen om de man in het Engels uit te leggen wat en waar de moskee was, en ze werd daarbij vlot van antwoord bediend door de chauffeur in het Arabisch. Ik vond het wel grappig hoe ver ze daarbij ging:
Griet: “The mosque!!”
Chauffeur: “(Arabische tekens)”
Griet: “Where you pray!”
Chauffeur: “(Arabische tekens)”
Griet: “Where you pray! To Allah!!”
Chauffeur: “Allah?”  Dat had hij blijkbaar wel begrepen. Vermoedelijk dacht hij dat we naar Allah wilden en dus gewoon een totaal verknipt Westers stel waren.
Griet: “Yes, to Allah. In the mosque. The big one, with the blue dome!”
Chauffeur: “(Arabische tekens)”
Griet: “The blue dome! Blue! Like the sky!”
“Ik denk dat je hem totaal in verwarring brengt”, zei ik ten slotte terwijl ik voor de dertigste keer door de Lonely Planet bladerde, er heilig van overtuigd dat er ergens een foto in stond van de moskee. Het Eurekamoment bleef te lang uit, dus duwde ik de man mijn reisgids onder de neus, opengeslagen op een bladzijde met een klein plannetje van de stad. Ik wees hem op het kaartje het cijfer 11 aan, wat verwees naar de moskee.
“Eleven!”, zei ik hem, waarbij ik mijn wijsvinger bijna door het papier drukte alsof ik zo nóg wat duidelijker kon wijzen. Hij zei enkele dingen in het Arabisch waar ik helemaal niks kon uit opmaken en gaf toen de reisgids terug. Hij bleef praten terwijl hij gas gaf en vertrok, en tussendoor lachte hij in zijn achteruitkijkspiegel, alsof hij net een mop had getapt. Ik glimlachte even en leunde daarna achterover om de wind die door het open raam kwam door mijn haar te laten blazen.
“Nu zal hij het wel begrepen hebben”, zei ik tegen Griet. “Ik zou niet weten hoe ik het duidelijker kan uitleggen dan het hem te tonen op een kaart”.
Zoals gewoonlijk was het was de optimist in mij die sprak, want eigenlijk wist ik zelf ongeveer in welke richting ik de moskee moest situeren, en dat was niet de richting waarin we aan het rijden waren. Mijn vrees werd waarheid toen we ‘ergens’ stopten aan de kant van de straat. Er was niks bijzonders in de buurt te zien, en al zeker geen moskee.
Opnieuw brak er een strijd los tussen Engels en Arabisch, Griet vs chauffeur. Hoe langer het duurde, hoe bitsiger Griet uit de hoek kwam, gedreven door frustratie. Natúúrlijk vonden we die man een idioot omdat hij geen Engels sprak en geen kaart kon lezen. Maar anderzijds dacht hij waarschijnlijk hetzelfde van ons. Ikzelf raakte ook steeds meer gefrustreerd, maar dan omdat ik nog steeds de foto van de moskee niet kon terugvinden in de Lonely Planet.
Maar dan kwam het eurekamoment er toch: iets donkerblauws op één van de pagina’s. Het was een foto van de blauwe koepel van de moskee. Ik liet de chauffeur de afbeelding zien. Er verscheen een blik van herkenning op zijn gezicht en hij begon sneltreinarabisch te praten en te lachen. Ik begreep er geen snars van, maar vermoedelijk zei hij iets in de aard van:
“Aaaaaah! De moskeeeeee!? Maar dat spreek je normaalgezien zó uit: (een verzameling keelklanken alsof er zojuist een mot zich achter zijn huig had verstopt). Hoor je? Zó: (het zou ook kunnen dat hij gewoon fluimen aan het ophalen was, wie zal het zeggen). “Man, jullie westerlingen zijn echt wel oliedom. Hier, geniet nog wat verder van de prachtige hektische religieuze liederen die ik de godganse dag in mijn taxi draai.”
Hij draaide de volumeknop verder open en vertrok in de tegengestelde richting.

De moskee

We belandden uiteindelijk niet in de moskee, maar onder een boom in een rustig park, omgeven door een residentiële woonwijk. De moskee bleek nog een uur gesloten te zijn, dus hadden we toevlucht gezocht in het park, weg van de drukte, om er een uurtje niks te doen behalve lezen. In elk park lopen er wel een paar weirdo’s rond die smeken om je aandacht, en bij ons kwam de eerste kwam al na vijf minuten: iemand die één of ander snoepgoed verkocht en die continu al blazend met zijn lippen langs een plastieken panfluitje ging terwijl hij door het park slenterde. Hij bleef bijzonder lang voor ons staan, in de waan dat we, nadat hij een derde keer op zijn irritante fluitje had geblazen, meer geneigd zouden zijn wat van zijn vreemd spul te kopen.

Na een uur onderbraken we onze siësta om een nieuwe poging te ondernemen de moskee te bezoeken.  Toen we door het hek van de toeristeningang liepen werden we door twee bewakers opgewacht. Om verder te mogen moest Griet letterlijk in een nieuw kleedje gestoken worden. Ik moest helemaal niks, behalve 8 JD ophoesten voor ons beiden.
Griet kwam terug in een zwart kleed mét kap, als een personage uit een welbepaalde reeks onozele thrillers waarin een idioot met een mes een bende nog idiotere tieners op de hielen zit.

De deur van de gebedsruimte kraakte toen we die blootsvoets openduwden. De ruimte achter de deur was rond en halfduister. In het midden op de met tapijten bedekte vloer waren enkele mannen aan het bidden. Ze zaten op hun knieën en lieten herhaaldelijk hun voorhoofd de grond kussen. Eén van hen had zijn GSM en pakje sigaretten netjes naast zich neergelegd.
Ik had wat schroom om ver de moskee in te lopen, dus bleef ik in de achterste halve cirkel, dicht bij de muur, en nam van daaruit enkele foto’s.

Plan A

Na de moskee keerden we terug naar ons plekje in het park, waar we bezoek kregen van weirdo nummer twee. Deze liep minstens een uur lang voor onze neus te ijsberen terwijl hij geregeld nerveus op zijn horloge keek. Twee keer viel hij ons lastig: de eerste keer om te vragen hoe laat het was (als zijn horloge kapot was weet ik niet waarom hij er daarna voortdurend op zat te kijken), en een tweede keer om mij te waarschuwen voor de brandende zon, en dat ik er goed aan zou doen iets op mijn hoofd te zetten.
Na een lange siësta stippelden we ons verdere programma in Amman uit. We zouden de heuvel afdalen en de volgende beklimmen, Jebel Amman genaamd, omdat daar een bioscoop te vinden was en enkele interessante cafés.

De hitte, de helling, het getoeter van de taxi’s die ons wilden meenemen, het commentaar van de locals….  Je kon maar beter je verstand op nul zetten als je al wandelend door Amman geen punthoofd wilde krijgen. Bovendien zou ik op die manier nog voldoende bufferruimte over hebben om de volgende tegenslag te incasseren: het ontbreken van de bewuste bioscoop. Die had plaats moeten ruimen voor het ministerie van financiën. Tot overmaat van ramp bleef ik ook in mijn zoektocht naar een geschikte postkaart voor Linn succesloos (ik ben niet snel content).

Plan B

Tijd voor Plan B: Abdoun Circle, met zijn fancy bars, restaurants en bioscoop. Een taxi met airco gooide ons pal op de circle eruit en we wisten niet waar we eerst moesten gaan. Het aanbod was overweldigend. Daarbovenop kreeg Griet een sms dat de Belgische beloften het tot in de halve finale van het olympisch toernooi hadden geschopt. Taxi met airco, uitrusten, veel cafés en schitterend sportnieuws: het zorgde ervoor dat mijn frustratiebuffer weer aangroeide. Ik kon weer tegen een stootje.
Dat stootje kwam al gauw: de bioscoop op Abdoun Circle bleek ook niet meer te bestaan. Daarbij was er geen enkele “normale” bar te vinden met een “normaal” terras waar je “normale” dingen kunt krijgen, geserveerd door “normale” obers. Self-service koffiehuizen, exotische coctailbars, een Subway, een Pizzahut, een gesloten Irish pub, een chique tavernetoestand, en een ijssalon. Dat was de keuze.
Weinig later zat ik op het terras van het ijssalon met een bol citroen en een bol mango, en Griet met een flesje water en een hoop ergernis omtrent de toestand van haar innerlijke mens.

Plan B bis

De laatste kaart die we konden uitspelen – plan B bis – heette Blue Fig bar, die in de Lonely Planet lovend werd omschreven. Blue Fig lag op het eind van de straat, een straat die verdacht veel weg had van de E40, geflankeerd door een smal trottoir. Aan de zijstraten (of beter: ‘afritten’) waren geen zebrapaden, dus moesten we die telkens al rennend oversteken terwijl auto’s aan hoge snelheid aanstalten maakten de afrit in te slaan. Mijn buffer smolt als sneeuw voor de zon.
Blue Fig kwam net op tijd en was perfect (op één ding na). De inrichting was modern met veel hout, veel licht, een wijnkleurige tegelvloer in natuursteen en een portier die ons vriendelijk begroette. Achteraan was er een gezellig terras, omsloten door planten en beschut tegen de zon door enkele grote houten parasols. Het personeel bestond enkel uit mannen en telde meer hoofden dan het volk dat de terrasstoelen bezet hield (een 10-tal mensen, hoofdzakelijk meisjes). Uit speakers die ik niet kon zien klonk loungemuziek. Er werd gerookt en er werden alcoholische dranken gedronken. We waren duidelijk in een progressief nest beland. Perfect (op één ding na).
Eén van de 59 obers bracht ons een design-esque kaart, die warempel een aparte pagina had voor de bieren, gerangschikt volgens land. Behalve….. je hoort mij al komen……. België. Toch niet zo perfect dus. Een bierkaart met een relatief ruim assortiment aan bieren uit verscheidene landen, maar niet uit België, dat moet ongeveer hetzelfde zijn als een wijnkaart met wijnen uit Italië, Spanje, Zuid-Afrika, Chili, de VS en Australië maar niet uit Frankrijk.
Bier uit Nederland (for God’s sake), Ierland, Duitsland, Denemarken, de VS, Mexico, Australië en Frankrijk: een schande. Meer zal ik er niet over zeggen.

Ik bestelde een halve liter Amstel. En PAF! Geef toen: die had je ook niet zien aankomen he? De Amstelval was al dichtgeslagen en ik had hem niet eens zien aankomen. Dorst, een lege frustratiebuffer, een voordelige prijs, en het idee “dat bier bier is”: a lethal combination. Na 4 slokken zat ik me dood te ergeren aan het gele hopmengsel en aan mezelf, en bovendien zat er niet genoeg alcohol in het spul om de leeglopende buffer aan te vullen.

De grootste grap kwam toen ik ober nummer 23 vroeg of hij op het Lonely Planet-kaartje (wat een product placement de hele tijd!) een bioscoop kon aanduiden behalve die twee die we eerder die middag hadden proberen te vinden. Ik had duidelijk niet de strafste geest van het etablissement vastgestekt want na 5 minuten stond hij nog steeds grijnzend met zijn wijsvinger over het kaartje te schuiven.
“Here!”, zei hij tenslotte, de vinger pal op het ministerie van financiën.
-“We’ve already been there, and it’s gone!”, zuchtte ik.
De man vroeg versterking aan enkele van zijn werkloze collega’s en binnen de kortste keren stonden vier obers rond de Lonely Planet verzameld. Eén van hen had een balpen en was druk bezig met wat verdacht veel leek op het tekenen van een route op het kaartje. Ik hoopte dat het personeel van de stadsbibliotheek vergevingsgezind zou zijn.
Toen ze na hun beraadslaging ons het kaartje toonden bleken het gelukkig enkel kruisjes te zijn: ééntje nog maar eens bij het ministerie van financiën, ééntje op Abdoun Circle (zucht), en ééntje in de City Mall, dicht bij ons hotel.
“They play movies in the original version there?”, vroeg ik. De obers knikten enthousiast. “Sure! Yes! American!”
Ze waren zo behulpzaam dat ik even overwoog hen op te dragen een sectie Belgische bieren op te nemen in hun drankenaanbod maar ik zag er uiteindelijk van af.

The mall

Een ontsnapte gek die een taxi had weten te stelen racete ons naar de City Mall. Met hartkloppingen en een piekend adrenalinegehalte stapten we uit de taxi en keken op naar een kolossaal rechthoekig gebouw met een oprit en portaal als dat van een vijfsterrenhotel. Aan de ingang werden we gescand op metalen voorwerpen. De detector ging crescendo, maar de bewaakster liet ons toch door.
Het was een shoppingcenter zoals we er in Brugge alleen maar van zouden kunnen dromen. Glinsterende tegels, marmer, glas, staal, roltrappen, muziek, veel mensen, 4 of 5 verdiepingen, cafés, restaurants, een bioscoop en schoonmakers met gevoel voor humor.
De bioscoop bevond zich op de kelderverdieping. We kochten een kaartje voor The Black Knight (5 JD, oftewel 5€) en vulden de twee uur die ons nog restten voor het begin van de film met het afhaspelen van elke verdieping, waarna we nog een uur in de Pizza Hut doorbrachten (in een shopping center moet je ook geen ander soort eetgelegenheden verwachten). Het leek in alle opzichten op de Westerse wereld, behalve dan dat de meisjes die naast ons voor de Burger King hamburgers zaten te eten en hun laatste aankopen aan het showen waren, een hoofddoek droegen.
“Mooi shopping center”, zei ik tegen Griet. “Alleen jammer dat er zoveel allochtonen zijn.”

De film begon 20 minuten te laat in een zaal die afgeladen vol zat. Links van ons zat een man met zijn twee kinderen. Ze waren ongeveer vijf jaar oud, dus kon je je afvragen of de vader voor de kinderen naar die film kwam kijken, of dat de kinderen eigenlijk mee moesten met de vader. Achter de schermen stond de draaiknop van de airconditioning helemaal naar rechts gedraaid, in de donkerblauwe zone. Een ijzige wind sneed door de stoelen, maar gelukkig had ik in die week Jordanië een overtollige restwarmte opgeslagen waar ik nog lang mee zoet zou zijn. En tijdens de film stond het geluid zo hard dat ik het grootste deel van de tijd Griets klapperende tanden niet kon horen.

One last taxi

Is dit het moment om te schrijven wat ik van de film vond? (Neen!) Goed dan. 2,5 uur later stonden we weer in de warmte van Amman, maar niettemin kon ik de huiveringen die door mijn lijf gingen amper onderdrukken. Een combinatie van hardcore airconditioning, en spanning voor het vertrek dat nu wel heel dichtbij gekomen was. We zouden terugkeren naar het hotel en daar nog een uur of twee in de lobby doorbrengen tot omstreeks 0u30 de man van ons reisagentschap zou komen opdagen om ons naar de luchthaven te voeren.
Via een voetgangersbrug staken we de drukke weg over om een taxi aan te houden. Na een halve minuut hadden we al beet. Ik toonde de chauffeur een visitekaartje van ons hotel en vroeg “how much?”, in de hoop dat hij naar zijn meter zou wijzen.
“5 JD!”
-“5?? What about the metre?”
-“Metre does not work. It’s too late in the evening.”
-“Ok, I’ll just find another taxi.”
-“There is not any taxi with a metre at this time in the evening.”
-“We’ll see.”

Toen ik mijn aandacht weer op de autostroom vestigde die onze richting uit kwam, vertrok de taxi opnieuw . Een tweede kandidaat stopte en ik toonde weer het visitekaartje.
“5 JD!”
-“But the hotel is right there, we can practically see it!”, zei Griet, die er was komen bijstaan.
-“I’m sorry.”
We lieten hem voor wat hij was en maakten aanstalten om een andere taxi tegen te houden. De man vertrok, maar vanuit mijn ooghoek zag ik hem plots stoppen en terugkeren. Ik stak mijn hoofd opnieuw door het raam.
“Actually, your hotel is on my route. I can drop you off.”
-“For how much then?”, vroeg ik hem argwanend.
-“What have you got?”
-“Ehm…… 1 JD?”
_”Ok”

Toen we 5 minuten later voor het hotel stopten gaven we de chauffeur uit dankbaarheid een riante fooi bovenop zijn ene dinar. Waarschijnlijk zou hij ons zelfs voor 10 cent hebben meegenomen want voor hem maakte het niet uit gezien hij toch deze richting uit moest. Het was eerder een vriendelijke lift dan een taxirit.

Eclips

In de lobby kocht ik in extremis een postkaartje voor Linn en na een half uur gewacht te hebben in de zachte sofa, kwam een jonge kerel op ons toegelopen.
“To the airport?”, vroeg hij.
-“Yes”
-“Can we leave now?”. Zijn ogen verraadden nervositeit. Het was amper 23u.
We gooiden onze rugzakken in de koffer van een uiterst kleine Hyundai. Onze chauffeur gooide de pook in de eerste van slechts 4 versnellingen en vertrok op wat een vinnige rit naar de luchthaven zou worden. Hij was duidelijk gehaast.
Blijkbaar was er een misverstand geweest in zijn communicatie met Nasser, want hij had begrepen dat hij ons om 21u moest komen ophalen, en niet om 0u30. Daarom was hij eerst wat pissig omdat wij eerst niet op de afspraak geweest waren. Toen het misverstand uitgeklaard was veranderde hij in zijn Jordaanse zelf en verscheen er een brede grijns op zijn gezicht.
“Did you like Jordan?”
“Yes!”

Op de weg van Amman naar de luchthaven werden we uitgewuifd door grote billboards met teksten als “Thanks for you visit” en “Hope to welcome you soon again!”
En passant wees Griet op de maan, die volledig verscholen ging achter de schaduw van de Aarde. In het kamp in Wadi Rum hadden ze waarschijnlijk op dat moment de lichten gedoofd en zat iedereen te staren naar een weergaloze sterrenhemel.

That’s all folks!

Cross Country

Vervolg Jordanië (7/8)

Kwart kilo baksteen

Ik werd wakker met een kwart kilo baksteen in mijn darmstelsel, of zo voelde het toch aan. Ik liet even een kreun ontsnappen, wat beantwoord werd door gekreun links en rechts van mij.
Aan de ontbijttafel bleek dat net als ik niemand veel trek had in eten. Alle vier hadden we last van dezelfde kwaal: buikkrampen. Godzijdank was ik de hele nacht van het toilet kunnen wegblijven. Ik had een sterk vermoeden wat de boosdoener was: het water dat Nasser bij de Arak gedaan had. Dat kwam uit een plastieken fles en bestond voor het grootste deel uit ijs. Vermoedelijk was die fles gevuld geweest met leidingwater. Aan het eten kon het niet liggen, want waarom zou het de eerste avond niet, en de tweede avond wel last berokkend hebben?

Na het ontbijt had ik de grootste moeite om mijn spullen opnieuw in mijn rugzak te krijgen. Om één of andere raadselachtige reden pasten mijn bergschoenen niet meer in het onderste compartiment van mijn rugzak; een raadsel waar ik tot op vandaag geen antwoord voor heb gevonden.

Aqaba

De avond voordien was onze nieuwe chauffeur aangekomen: Ibrahim. Het was een jonge kerel die beste maatjes leek met Nasser. Vandaag zou hij ons eerst naar Aqaba, en vervolgens naar Amman voeren, maar blijkbaar had hij de avond ervoor zijn neus te diep in de arakbeker gestoken en tot onze consternatie bleek het Nasser zelf te zijn die achter het stuurwiel plaats nam om ons naar het zuidelijkste punt van de reis te voeren: de havenstad Aqaba aan de Rode Zee. Daar zouden we Greg vaarwel zeggen, want die had nog een rondreis in Egypte voor de boeg waarvoor hij de ferry van Aqaba naar Nuweiba in Egypte moest nemen. Daar zou hij een vertegenwoordiger van onze reisorganisatie ontmoeten die hem naar Caïro zou voeren.
Het was ons al snel duidelijk waarom Nasser een chauffeur nodig had om ons Jordanië te laten zien. De chauffeur zelf liet het stuntelige bochtenwerk van onze gids niet aan zijn hart komen en lag vredig te slapen.

Aqaba is het Blankenberge van Jordanië. Het strand zat afgeladen vol met kinderen in zwembroek, vrouwen in “bedekkend badpak”, en tonnen aangespoeld of achtergelaten afval. Het was alsof iemand een reusachtige PMD-zak tot ontploffing had gebracht, maar niemand scheen zich om de troep te bekommeren. Misschien kon je de grote hoeveelheid blikjes verklaren door de belachelijk lage prijzen die in Aqaba golden voor eten en drinken. Plots was een literfles Pepsi nog slechts een halve dinar (50 eurocent). De hele stad was een duty-free zone, en het mag een raadsel heten hoe de Jordaniërs konden voorkomen dat Aqaba vergleed tot het drinkhol van het land.
Nasser had ons anderhalf uur gegeven om de stad te verkennen, maar veel viel er niet te ontdekken en de combinatie van 38°C, drukte en buikkrampen deden me al snel wensen dat ik ergens anders was.

Greg

Nasser had Greg gerustgesteld: hij hoefde de onbetrouwbare en trage ferry niet te nemen. De reisorganisatie had een plaats voor hem gereserveerd op een meer “exclusieve” ferry, die in de praktijk een heus jacht bleek te zijn. We namen afscheid op de waterkant, maar toen kwam Nasser met een bezorgde blik uit het douanekantoortje. Greg bleek niet op de passagierslijst te staan.
Het betekende het begin van een nerveuze 20 minuten waarin Nasser voortdurend zou bellen met de baas van de reisorganisatie en de baas van de rederij om Greg alsnog op de boot te krijgen. Greg zelf stond met een ongemakkelijke blik stilletjes naar de boot te kijken terwijl die zich steeds verder vulde met passagiers. Het vertrekuur naderde zienderogen tot iedereen, behalve Greg, uiteindelijk aan boord was. De kapitein begon van zijn neus te maken over de vertraging die we hem berokkenden. Ten slotte beëindigde Nasser hoofdschuddend het zoveelste telefoongesprek. Er was niks aan te doen. De loopbrug werd ingehaald en de boot vertrok. Zonder Greg.

Er zat niks anders op dan Greg weer in de kofferbak te laden en ermee naar een hotel te rijden dat vlakbij lag, om daar te “beraadslagen”, gelijk Jommeke het altijd treffend weet te verwoorden. “Waarom in een hotel”, vraagt u zich af? Omdat er daar airco is.
De lobby voelde koud genoeg aan om er een paar geslachte schapen aan het plafond op te hangen, en we aarzelden dan ook niet om ons luid zuchtend in de zetels neer te laten zijgen. Greg ging op zoek naar een computer met internetaansluiting om uit te pluizen wat de mogelijkheden waren om naar Caïro te vliegen. En wij…..tja, wij wachtten enkel. Nasser kon geen enkel telefoontje meer plegen omdat het vrijdag was, en dan iedereen ’s middags in de moskee zit, behalve hij en de chauffeur.
“I have to wait till they’re out of the mosque before I can make another call”.

Aan de andere kant van de glazen salontafel ging een niet onknappe vrouw met hoofddoek zitten die mij voortdurend op een onbehaaglijke manier observeerde. Ik probeerde zo gewoon mogelijk te doen, maar ik kon niet voorkomen dat mijn blik keer op keer die van haar kruiste. Ze keek op een soort afkeurende manier, alsof ik een kwalijke lijfgeur verspreidde of zo. Ik dacht aan wat ik in de Lonely Planet over gedragsregels had gelezen en ik toetste mijn eigen voorkomen daaraan. Is het de korte broek? Ik was evenwel niet de enige met zichtbare onderbenen, en daarbij had ik het na een week wel gehad met lange of halflange broeken. Ik keek naar mijn been en toen wist ik wat ik verkeerd deed. In de Lonely Planet had ik gelezen dat het niet respectvol is om de onderkant van je schoenen te laten zien aan vreemden wanneer je zit. De onderkant van mijn sandaal stond als een denkbeeldige spot op het meisje gericht en ik haalde snel mij enkel van mijn knie. Daarna besteedde ze geen aandacht meer aan mij, hoewel als gevolg van de temperatuur mijn lijfgeur ook niet bepaald een item was om mee naar buiten te komen. Nu kon ik haar eerdere blik beter interpreteren: “Je mag stinken zoveel je wil, beste vreemdeling, zolang ik maar niet op de zool van je voet hoef te staren.”

Greg kwam opnieuw de lobby ingewandeld. Op een computer zonder muis was hij er op één of andere manier in geslaagd de vluchten van Royal Jordananian te checken, maar die waren te duur en vertrokken vanuit Amman.
Een uur later kon Nasser eindelijk weer bellen en na veel over en weer-getelefoneer waarbij zijn beltoon ons steeds irritanter in de oren klonk, was de kogel door de kerk. Greg zou in het hotel blijven en ’s avonds naar de haven gevoerd worden door iemand van het reisagentschap. Hij zou de ferry van 19u nemen naar het Egyptische Taba. Voor de tweede keer namen we afscheid, waarna we weer de Jordaanse bakoven instapten. Als je je het contrast met de hotellobby wil voorstellen, steek dan even je hoofd in een voorverwarmde heteluchtoven. Zelfs het geluid van de ventilator doet ergens denken aan het geluid van het verkeer.

The long and straight road

Voor we Aqaba verlieten stopten we een laatste keer bij een kleine supermarkt om goedkoop eten en drank in te slaan. In mijn geval was dat een fles Pepsi, wat ik normaalgezien nooit drink (ik ben geen fan van cola) maar mijn gedachten waren bij mijn geteisterd darmstelsel.

De autorit van Aqaba naar Amman duurde 4u en was zo saai dat ik het met geen creatievere uitdrukking kan omschrijven dan gewoon te zeggen dat het saai was. Ik had me veilig ingedekt tegen de praatjes van Rowan door vrijwel onmiddelijk mijn iPod boven te halen, die me vier uur lang onafgebroken zou voorzien van een soundtrack die bij een roadmovie zou passen (dat had meer met de omstandigheden te maken dan met de muziek zelf). Onze chauffeur en Nasser hadden hun rol verwisseld: de chauffeur zat nu achter het stuur en Nasser lag te slapen. De snelweg, die de enige snelweg is in Jordanië, ging helemaal van zuid naar noord en werd vooral bevolkt door vrachtwagens die goederen van de haven landinwaarts brachten. Het tergend trage tempo waarmee ze de hellingen optuften verbaasde me telkens opnieuw. Mercedes, Daf, het maakte niet uit welk merk de vrachtwagens hadden, allen reden ze aan een slakkengangetje bergop. De brandstof in Jordanië mocht dan wel goedkoop zijn, volgens mij doen ze er water bij. Ook ons minibusje had minstens een halve minuut nodig om weer op tempo te komen na een verkeersdrempel. En er waren héél wat verkeersdrempels op die snelweg tussen Aqaba en Amman. Er waren stroken waarin het asfalt heel oneffen lag, of bezaaid was met putten. In tegenstelling tot de verkeersdrempels waren deze voor onze chauffeur geen reden tot vertragen en in gedachten zag ik onze schokdempers kreunen en de assen kraken.

Geregeld was er een aparte strook voor tanks en ander legermaterieel. Op het einde van zo’n strook was er een afslag die aangegeven werd door een pijl met daaronder “IRAQ”. Jordanië is een partner van de VS, en op deze manier droeg het zijn steentje bij aan de Amerikaanse operaties in hun buurland. Eén keer haalden we een legerkonvooi in: een lange sliert lichtbruine jeeps, vrachtwagens, tanks en pantservoertuigen. Ik vond het een fascinerende gedachte dat ik me zo dicht bij het actieterrein bevond.

Nasser beloofde ons dat we ’s middags ergens zouden stoppen om te eten, maar heimelijk hoopte ik dat we dat niet zouden doen. Hoewel mijn maag even leeg was als de ons omringende woestijn, had ik helemaal geen eetlust. Gelukkig bleken beide heren voorin al te oefenen voor de ramadan: we lasten enkel een plaspauze in. Dat was het signaal voor mijn spijsverteringsstelsel, dat zich al de hele dag kloek had gehouden om …em hoe zeg ik dit fatsoenlijk … ‘de strijd te staken’. 20 toiletminuten later en 2 immodiumtabletten lichter, klom ik opnieuw op de achterbank en hervatten we onze reis.

Terug bij het begin

Amman was verre van mijn favoriete stad geweest op deze reis. Niettemin voelde het een beetje aan als thuiskomen toen ik uitkeek over de golvende zee van grijze en witte huizen en de twee wolkenkrabbers in aanbouw die de skyline kenmerkten. Ik verlangde naar het hotel, dat eigenlijk buitensporig luxueus leek in vergelijking met de hotels/tentenkamp op de rest van de reis. Ik was wel tevreden over onze accomodatie, maar na twee nachten in de woestijn hunkerde ik naar een groot bed, een net toilet en een warme douche.

In de lobby regelde Nasser onze check-in waarna hij ons alle drie een bear hug gaf. Ik gaf hem een enveloppe met onze fooien die hij naar Jordaanse gewoonte redelijk koel in ontvangst nam, alsof het niet meer dan normaal was dat we hem een geschenk gaven.
“Take care guys!” En weg was hij.

In de hotelkamer, die nog groter was dan die van een week geleden, plofte ik me voor één keer niet direct op het bed, maar sloot me in plaats daarvan op in het toilet. Na de plichtpleging keek ik wat naar het tafeltennis op de olympische spelen. Griet loste kruiswoordpuzzels op.
Mijn verstand zei “eten”, maar mijn darmen zeiden “no way”, dus probeerde ik het avondmaal zo lang mogelijk uit te stellen. We hadden niet echt een afspraak gemaakt met Rowan over het avondeten, maar we verwachtten haar aan te treffen in het restaurant.

Daar aangekomen bleek het er vol oudere mannen te zitten die zich bezigden met gezelschapspelen. Van Rowan was er geen spoor. We gingen op het terras zitten en ik bestelde linzensoep. Geen idee of dat enig effect heeft op je spijsvertering, maar wie niet waagt wint niks.
Iedereen had die ochtend krampen gehad, maar bij Griet waren die weggeëbt en dat wilde ze natuurlijk zo houden. Zorgvuldig viste ze het ijs uit haar Fanta en wachtte geduldig tot de oudere mannen, die binnen zaten maar ons niettemin in de gaten hielden, de andere kant op keken om de blokjes in een plantenbak te keilen.
“Problem solved”, dachten we, maar toen verscheen er op het uiteinde van het terras een man, met in zijn handen een tuinslang. Daarmee begon hij de planten water te geven. Ik zag een gênante situatie op ons afkomen en nauwelijks een mogelijkheid om die te ontwijken. Ik stelde me het gezicht van die bediende voor als hij de ijsblokjes zou zien, maar net op dat ogenblik nam hij zijn tuinslang weer mee naar binnen.

Rowan bleek onvindbaar. Na het eten en een nieuwe call of nature hadden we bij haar aangeklopt, maar uit de kamer kwam geen enkel geluid. We stonden op het punt om een briefje onder de deur te schuiven toen vanop de balustrade een blonde vrouw in de mot kreeg die beneden alleen zat te eten. Het was Rowan. Ik geef toe: onwillekeurig kon ze me serieus op de zenuwen werken, maar ik kreeg spontaan medelijden toen ik haar daar alleen zag zitten. We schoven bij haar aan voor een laatste praatje te maken, waarin zij zoals verwacht het hoogste woord zou voeren en wij er knikkend zouden bijzitten. We wisselden emailadressen uit en ik gaf haar van mijn eigen voorraad nog enkele Buscopans tegen de buikkrampen, alvorens definitief afscheid te nemen. De volgende ochtend om 10u zou haar vlucht vertrekken. Ons vliegtuig zou pas de zondagochtend (nacht) vertrekken rond 3u30, dus hadden wij nog een bijzonder lange dag in Amman voor de boeg.

Voor ik in mijn bed kroop nam ik nog een misdadig lange douche, en ik nam me voor misdadig lang te slapen. Een hele dag in Amman, dat beloofde heel zwaar te worden want vanaf 12u zouden we geen hotelkamer meer hebben om in de late namiddag naar terug te keren om er languit op een opgemaakt bed te gaan liggen tot je je gaat klaarmaken voor het avondeten. De boodschap was dus zo lang mogelijk van onze kamer te profiteren, en dat begon met uitslapen. Het inslapen was alvast geen enkel probleem.

Wordt vervolgd

Intussen tussenin

En we gooien deze erin:

Dave Clarke – Southside

Ja, zet maar loeihard. Ik ga intussen teen en tander vertellen.

Ik zit intussen in de helft van mijn halftijdse opdracht. Het klinkt als een tautologie, maar het is er geen. Over vier – pardon – drie komma vijf weken zwaai ik af en ga ik opnieuw op zoek naar werk.

Eigenlijk ben ik nu ook al op zoek. En dat is de reden waarom de meest oplettenden onder jullie mij zaterdagmiddag konden vinden op het stationsplein voor Gent Sint-Pieters. In het Europahotel (geen zorgen beste Gentenaars, het is geen schande als je dit pand niet kent want het is een onbeduidend motel-achtig driesterrenhotel in de meest on-hotelse buurt van uwen stad) was er een informatiesessie over carriëres aan de EU, en daar had ik mij natuurlijk voor ingeschreven. Door de macht der gewoonte had ik een uur gereken voor de trein in plaats van 25 minuten, dus ik was way te vroeg. Gelukkig was het mooi weer dus ben ik met een boek voor het station gaan zitten.
Die infosessie kostte niet minder dan 50 ballen. 50!! Maar het was het geld meer dan waard. Stel je voor: je gaat naar een sollicitatiegesprek en bijhorende selectieproef en je weet op voorhand welk soort vragen ze daar gaan stellen, je weet ook precies wat je hebt moeten instuderen en waar je die info moest gaan zoeken. Je hebt zelfs enkele voorbeeldexamens kunnen maken. We kregen er ook te horen op welke websites we de meeste vacatures konden vinden, wat de mogelijkheden waren per diploma, wat we zouden gaan verdienen (duizelingwekkende bedragen), etc.  Ja jong, kzient zitten kerel.

Intussen heb ik mij ook ingeschreven voor de selectieproeven voor toekomstige diplomaten. Hier ben ik wat realistischer. Ik ben al blij als ik het tot stagiair schop en ik een jaar de grens kan oversteken om weer wat belangrijke levenservaring te verzamelen. Is dat realistisch? Probably not. Als realistisch ben dan zeg ik dat ik grandioos ga buizen. Zeggen dat je gaat buizen vind ik eigenlijk even erg als het buizen zelf, dus zeg ik adios aan het realisme. Utopisme is véél leuker.

Goed nummer he? Als je het beu bent: hier is een andere klassieker. Ja, zet maar wat luider.

Didier Sinclair – Lovely Flight

Feedverlatende bloglezers zullen opgemerkt hebben dat mijn header – alweer – veranderd is. Ik ben niet rap tevreden, dat kun je wel zeggen. Elke header is sowieso tijdelijk tot ik een betere gevonden heb. Het summum moet een zelf ontworpen header zijn met een creatievere voorstelling van de DIGB-letters. Maar dat is voor als ik beter kan werken met Photoshop.
De foto die er nu staat heb ik deze zomer in Zwitserland genomen op mijn dodentocht naar de Mischabelhütte. Op die mooie augustusdag stapte ik rond 9u ’s ochtends letterlijk uit de mist. Niet aan de zijkant, maar aan de bovenkant van de wolk. De vallei was volledig bedekt door zijn ochtendlijk donsdeken terwijl daarboven de lucht staalblauw was. Lyrisch zeg je? Damn right it is! De wonderen der natuur kunnen een mens zijn hart al eens week maken. De hele nacht had het geregend en als je ’s morgens vroeg al hoog in de bergen bent, en je hoort de beken ruisen, je ziet de vegetatie druipen van het vocht, je ziet gemsen en marmotten en de vallei ligt letterlijk te dampen……… ja dan neem je je camera en je maakt zoveel mogelijk foto’s……. waarvan dit panorama nu de header is.

Post van mijn voeten

Het is een beetje een toevallige traditie opeens: foto’s van mijn voeten op verschillende (buitenlandse) locaties. De collectie is niet zó groot: eentje in Zwitserland, 2 in Jordanië en 2 in Parijs.

Ik heb trouwens een selectie Parijsfoto’s op de Flikker gezwierd. Binnenkort doe ik hetzelfde met de Zwitserlandfoto’s. Nee, ik ben inderdaad niet chronologisch bezig. En op Flickr staan ze ook in aflopende chronologische volgorden, maar soit. Het kan me niet schelen.

Mijn rechtervoet in Zwitserland

Mijn rechtervoet in Zwitserland

Mijn voeten in de Wadi Rum-Woestijn

Mijn voeten in de Wadi Rum-Woestijn

Mijn voeten boven op het Romeins theater van Amman

Mijn voeten boven op het Romeins theater van Amman

Mijn (geschoende) voeten op het terras van het theehuis in de moskee van Parijs

Mijn (geschoende) voeten op het terras van het theehuis in de moskee van Parijs

Mijn voeten aan de voet van de Eiffeltoren in Parijs

Mijn voeten aan de voet van de Eiffeltoren in Parijs

I think somebody’s ass exploded in there

Here comes the sun

Vanuit het zuiden kwam hondengeblaf aangewaaid van over de zanderige leegte van de woestijn. Het geluid was afkomstig van meer dan één hond en het klonk niet bepaald verwelkomend. Ik aarzelde even en vertraagde subtiel mijn pas. Greg, van zijn kant, liep onverstoorbaar verder in de richting van een zwart niets waaruit ik heel vaag een silhouet kon ontwaren. Het enige teken van leven naast het geblaf waren enkele lichtjes ter hoogte van het dichtstbijzijnde dorp, aan de andere kant van de “wadi”, want zo werden de kilometersbrede kloven genoemd die zo typerend zijn voor de Wadi-Rumwoestijn. De wadi’s liggen noord-zuid georiënteerd en worden begrensd door indrukwekkende rotsformaties. De rode kleur van de rotsen werd op dit moment van de dag nog gecamoufleerd door een grijze waas, net zoals het rood van het zand. De lucht was donkerblauw en lichtte op aan de oostelijke horizon.
“It’s like a gate under the railway trace”, zei ik tegen Greg, doelend op het silhouet op de weg voor ons.
“Really? I don’t see anything!”
Toen we dichter kwamen bleek het een halfafgewerkte poort te zijn, volledig in Arabische stijl met twee wachttorentjes. Het ding stond in de stellingen en de weg werd versperd door hopen zand en bouwmaterialen. Achter de poort lag iets dat leek op een toekomstige parkeerplaats, met aan de rand een sierlijk gebouwtje. Daar hield de weg op. Vlak voor de poort hielden we halt.

Die ochtend was ik om 5u opgestaan, nadat ik 5 minuten eerder vanzelf wakker geworden was uit een heel diepe slaap. Blij dat ik ondanks het primitieve comfort toch een degelijke nachtrust achter de rug had, en gedreven door een kleine adrenalinestoot bij de gedachte aan een zonsopgang in de woestijn, was ik klaarwakker toen ik in mijn kleren schoot. Samen met Greg was ik in zuidelijke richting vertrokken, langs de weg die in het duister volledig onzichtbaar was.

“Let’s wait here”, zei Greg en we gingen zitten op het nog koude asfalt, met onze blik op het oosten gericht. Ik nam enkele testfoto’s om de belichting wat af te stellen. Het duurde niet lang voor de koude woestijnlucht de bovenhand begon te krijgen op mijn centrale verwarming.
“Where is the sun when you need her?”, vroeg ik me af.
Mijn horloge gaf 5.40u aan.
“I’d like to go up there”, zei Greg na een tijdje, en hij wees naar een zandheuveltje rechts achter ons. “Let’s get off the beaten track!”
Toen we door het woestijnzand begonnen te ploegen, hoorden we opnieuw het hondengeblaf en links voor ons zag ik in de verte een stofwolk opdoemen. Het bleek een terreinwagen te zijn die met grote snelheid in de richting van het gebouwtje en de parkeerplaats reed. De wagen zigzagde wild alsof hij een raceparcours afwerkte. Het geblaf werd luider, en toen merkte ik de hond op die vlak voor de wagen voor zijn leven rende. Het beest zigzagde, alsof hij wist dat de auto meer problemen met het bochtenwerk zou hebben. Op een afstand zag ik een tweede hond parallel meerennen terwijl hij het tafereel net als ons gadesloeg. Ter hoogte van het gebouwtje hadden de dierenbeulen genoeg van hun wrede spelletje en lieten ze de hond met rust. De wagen verdween noordelijke richting en de rust keerde terug.
Achter ons kleurden de rotsen langzamerhand roder, een voorbode van de blijde intrede van de zon. Het spektakel begon toen de eerste zonnestralen zich over de zwarte bergen in het oosten gooiden en de rotsen achter ons in lichterlaaie zetten. Onze lichamen wierpen meterslange schaduwen over het nu bloedrode zand. In mijn hoofd zetten de Beatles ‘Here comes the sun’ in en ik schoot foto na foto, panorama na panorama. Het silhouet van een eenzame kamelendrijver maakte het plaatje compleet.

Toen het magische moment voorbij was en de zon aan haar steile klim begon, die uiteindelijk zou resulteren in een opnieuw veel te hete dag, keerden we terug met in ons kielzog twee blaffende honden.

Chillen in een heteluchtoven

Het kamp was verlaten toen ik rond 9u30 het tentzeil opzijsloeg, op zoek naar frisse lucht. Om 6u30 was ik opnieuw tussen de dekens gekropen om mezelf weer op te warmen, maar 3u later was ons kampementje al een echte sauna. Ik slofte door het zand naar de toiletten, omgeven door een magische stilte die alleen gebroken werd door het sporadische suizen van de wind en een verre radio die Arabiche keelgezangen uitbraakte. Af en toe hoorde ik iemand meeneuriën terwijl er vaatwerk klaterde. De sfeer deed me denken aan de openingsscène van een typische spaghettiwestern uit de jaren ’70. Ik was een cowboy die behoedzaam het spookstadje betrad, mijn handen op mijn geweerholsters, begeleid door het kraken van een schommelstoel die in de wind op en neer beweegt, en het regelmatige gesnurk van een dronkaard die de vorige avond in de saloon in slaap gevallen is.
Het gesnurk bleek afkomstig te zijn van Nasser, die in een open tent languit op een bank lag. Vanonder zijn te korte deken staken twee blote voeten en een arm die tegen de grond bungelde.

Toen ik terugkwam van de toiletten realiseerde ik me dat de andere kampgasten vertrokken waren en dat wij de enigen waren die twee nachten in de woestijn zouden doorbrengen. Er viel buiten Nasser en de muzikale Jordaniër in de keuken geen levende ziel te bespeuren, en op een half opgegeten koek na was de ontbijttafel leeg. Ik liet me in de halfopen etenstent op één van de zetels ploffen die rond de ontbijttafels stonden, en gaf me over aan de loomheid. Ik werd daarin spoedig vergezeld door mijn medereizigers, en in die toestand werden we aangetroffen door een personeelslid. Zich ervan bewust dat ze het ontbijt te vroeg hadden opgeruimd, trommelde hij een drietal man op om de tafel opnieuw te zetten en een oogwenk later bedienden we ons van thee, brood, yoghurt, en een vreemde brij van zaadjes waar je olie moest bij gieten. Ik weet niet wat het was, maar het was lekker.

Daarna begon voor mij het tweede moment waarop het gevoel van een strandvakantie doorbrak. Het eerste moment was aan de Dode Zee geweest, nu was het in de Wadi-Rumwoestijn, in een verlaten tentenkamp, in de beschutting van een dak van palmboombladeren, op een zachte zetel, met het interessante boek van Jan Leyers. Terwijl ik lag te lezen zag ik vanuit mijn ooghoek Nasser door het zand strompelen, op zoek naar thee en met een fles water in de hand. Ik zat eerst alleen onder dat palmboombladerendak, maar werd daarna vergezeld door achtereenvolgens Greg, Griet (op de vlucht voor Rowan), Rowan (in achtervolging op Griet maar al gauw een blok aan het been van Greg), en een gestrande Italiaan die een uurtje eerder met zijn motorfiets was aangekomen en die een merkwaardige behoefte vertoonde om stuntelige gesprekken op te starten met Rowan (hij sprak geen Engels). Tenslotte kwam Nasser ons vijven vervoegen. Uitgestrekt op een bank lag hij zijn kater te verwerken terwijl hij zachtjes zong. De rust die er aanvankelijk hing, hield het voor bekeken: aan mijn linkerzijde Nasser met zijn hypnosezang, en rechts van mij het monotone gezeur van Rowan over haar vermoeden dat ze een voedselvergiftiging had opgedaan, afgaande op het ongemakkelijke gevoel in haar buik.

Is het de moeite waard om te vertellen dat zowel die Italiaan als één van de personeelsleden uit het kamp een wijsvinger misten, en dat dat veel jolijt opleverde (“now we can be twins!”)? Nee? Ach, laat ons maar direct naar het interessante deel van de dag gaan: de jeepsafari.

De jeepsafari

Een pickup stond ons aan de ingang van het kamp op te wachten. In de laadbak stonden twee banken waarop we plaatsnamen, het gezicht naar elkaar. In de loop van de middag was de wind opgestoken en het beloofde een stoffige rit te worden. Met mijn Stubrusjaal over mijn hoofd getrokken, mijn sportzonnebril tegen mijn oogkassen, en met mijn lange broek en bergschoenen, hoopte ik voldoende beschutting te hebben. Het was geen verloren moeite.
Toen we de weg verlieten en het ruime zand kozen gaf de chauffeur plankgas. Een golf van opwinding ging door de laadbak van de pickup en ik voelde me Indiana Jones. Het principe van winderosie werd in real time op mijn eigen lijf en leden toegepast, dat eerder al door een lading Dode-Zeemodder was gladgepolijst.
Mijn tweede filmisch moment van de dag werd nog versterkt toen we stopten voor een grot en Nasser ons voorging naar binnen. Op een platte steen was een oude Bedoeïnenkaart uitgekerfd, vergezeld van afbeeldingen van schorpioenen op de wand.
“That means that the Bedouins wanted to warn each other that there are scorpions in this place”, zei Nasser.
Wetend dat ik geen grote fan ben van mijn eigen sterrenbeeld, prikte Rowan met haar vinger in mijn nek. Mijn schrikreactie en gealarmeerde blik waren natuurlijk bron van hilariteit. Laat ons er verder geen woorden aan vuil maken.

De rit nam twee uur in beslag en gaf nog heel wat voer voor herinneringen, zoals de filmset van Lawrence of Arabia (derde filmisch moment), een duinencross, een duinenklim (te voet dan), en het obligate glas zoete muntthee. Toen we in het kamp aankwamen konden we een paar verse kilo’s zand uit onze kleren schudden, maar onze ervaring met het sanitair blok was niet van die aard dat we stonden te springen om er opnieuw gebruik van te mogen maken. Misschien zijn Gregs kurkdroge, maar lyrische omschrijvingen nog het best geplaatst om een indruk te geven: “I think somebody’s ass exploded in there. I can’t see another way for poo to get all over the place, even at the side of the toilet seat” (over één van de mannentoiletten).
“I feel abused. I mean… there I was… naked… with my feet at the side of that poo hole, carefully avoiding any body contact with the bottom and pooring some cold water over me. This will have a lasting impact on me.” (over de douches).
Het hield me niet tegen toch nog een tweede douche-ervaring te trotseren en even later fris aan het kampvuur te gaan zitten, waar ik een gesprek aanknoopte met de eigenaar van het kamp over de weldaden van kamelenmelk. Intussen waren we al lang niet meer de enige gasten: het kamp zat vol Italianen en Nederlanders.

Het was de arak

Het avondeten was identiek aan dat van de vorige avond, maar het degustief was anders. Nasser kwam bij ons zitten en vroeg voor de eerste keer of iemand zin had in arak. Ik hield niet van anijstoestanden en paste aanvankelijk, maar anderzijds was er de eeuwige dorst en ik was het nog steeds beu water te moeten drinken. Ik proefde dus wat van Griets beker.
“What do you think, Maarten?”, vroeg Nasser.
-“It has too much water in it, it needs to be stronger”, antwoordde ik.
-“Hahaaa, give me a cup, I’ll make you a proper arak!”
Zogezegd, zogedaan: ik kreeg een beker “echte” arak en die smaakte al heel wat beter (wat ook de anderen beaamden). Zo waren we vertrokken voor wat een leuke avond aan het kampvuur moest worden.
Alleen…. mijn darmen hadden het zo niet begrepen. Ik weet niet wat het was dat zich in mijn buik aan het roeren was, maar het voelde aan alsof er zich fauna tussen mijn darmflora bewoog. Het eerste toiletbezoek liet zich niet lang uitstellen en was goed voor minstens een half uur vrolijk tijdverdrijf in de befaamde faciliteiten van het woestijnkamp.
Toen ik terug bij het kampvuur kwam aangewaggeld – de ene beker arak steeg bijzonder snel naar het hoofd -, zag ik dat Nasser zijn zangtalenten aan het demonstreren was, gezeten tussen een man in een wit kleed met een soort Arabisch snaarinstrument, en een andere man, eveneens in tafellaken, die driftig met zijn hand op een trommel timmerde. Het duurde niet lang voor enkele mannen hand zich in hand aan een huppeldansje waagden. Vrouwen die samen met mannen dansen is dan wel haram, maar dat weerhield één van hen er niet van Greg en Griet uit hun luie zetel te komen trekken en mee te sleuren in de plaatselijke line-dance, wat voor mij reden genoeg was om met mijn camera ‘de sfeer vast te leggen’. Het leverde enkele grappige beelden op, vooral wanneer Greg en Griet op een onbewaakt moment de benen namen om te ontsnappen aan verdere dansverplichtingen.

Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Ik had last van krampen, van luidruchtige Italianen en Amerikanen, en iemand die onafgebroken pogingen ondernam één van zijn longen op te hoesten. Ik weet niet of ik het gedroomd had, of dat ik klaarwakker was, maar op een gegeven moment riep ik “shut the f*ck up” naar de zoveelste lawaaierige passant. Zonder resultaat.

– Wordt vervolgd –

Don’t mention the Romans!

(vervolg reisverslag)

Wereldwonder

Op de website van de zeven nieuwe wereldwonderen begint de voorstelling van Petra als volgt:

“On the edge of the Arabian Desert, Petra was the glittering capital of the Nabataean empire of King Aretas IV (9 B.C. to 40 A.D.).”

In de National Geographic Traveller Special waarin 50 droombestemmingen worden beschreven, begint het stuk over Petra met een citaat van Edward Lear:

“Petra moet een wonder blijven dat je alleen kunt begrijpen door de plek zelf te bezoeken”.

Aan u om uit te maken welke openingszin de meeste aanleiding geeft om verder te lezen.
Ik zal ook een poging doen om met woorden het fenomeen Petra te omvatten. Ik weet nu al dat het niet zal lukken.

Als ik over Petra praat dan krijg ik niet bepaald blikken van herkenning. Ofwel heeft men er nog nooit over gehoord, ofwel wordt het geassocieerd met de Schatkamer, het bekendste gebouw (met dank aan Indiana Jones). In werkelijkheid is de Schatkamer enkel een soort appetizer, een teaser die je uitnodigt verder te gaan kijken.

De Siq

Zoals de website van de 7 wereldwonderen beschrijft, was Petra inderdaad 2000 jaar geleden de hoofdstad van het Nabateese koninkrijk. Petra is niet gebouwd, het is uitgehakt. Uitgehakt in de rotsen en goed verborgen in het bergland aan de rand van de woestijn. De stad kon enkel bereikt worden door de Siq, een 800m lange, smalle kloof tussen de rotsen, uitgesleten en gepolijst door het wassende water. En als ik ‘smal’ zeg, dan bedoel ik dat u er met de wagen in geen geval door kunt.

Aan de ingang van de kloof begon Nasser aan zijn uitleg maar hij bleef voortdurend halverwege zijn zinnen steken. Als hij niet bleef haperen, dan vergat hij dingen te zeggen of herhaalde hij zaken die hij al 5 keer had gezegd. Iemand had duidelijk last van een kater.
Ik had niet het geduld om te blijven luisteren en toen we de Siq inliepen was ík degene die voortdurend bleef haperen, omdat de mogelijkheden voor iemand met een spiegelreflex simpelweg overweldigend waren. De relatieve duisternis van de Siq, in combinatie met de staalblauwe hemel en de oranje rotsen die baadden in het zonlicht, maakte dat het vinden van de correcte belichtingsinstellingen een huzarenstukje zou worden. Als ik na het nemen van een foto vijf meter verder liep, merkte ik dat mijn instellingen alweer achterhaald waren. Op deze manier beloofde de Siq zeer lang te gaan worden. Gelukkig had ik (R.) gezelschap van Greg (L.) die zich in dezelfde hypnotiserende extase bevond.

De leerkracht aardrijkskunde in mij leefde op bij het zien van dit wonder van de geomorfologie: het lijnenspel in de rotsen, de lagen, de kleuren, de vormen. Het was werkelijk schitterend. De bodem van de Siq was vlak en hier en daar geplaveid met grote stenen: een overblijfsel van de Romeinse passage in Petra.

Indiana Jones

De Siq kronkelt door de rotsen, die tientallen meters boven je uittorenen en na 800 meter zie je plots in een kier tussen de rotsen de Schatkamer. Een warm geelrood licht zet het bouwwerk in lichterlaaie en als je tenslotte uit de Siq het voorplein op stapt…… dan lijken het Colloseum in Rome, de Eiffeltoren en het Vrijheidsbeeld futiel. Kinderspel. Mathematisch en steriel. Het resultaat van een techniek die de mens op allerlei vlakken toepast, en dus eigenlijk niet zó bijzonder. Maar de Schatkamer daarentegen is uitgehakt. Als een standbeeld, maar dan uit één stuk en reusachtig. Eén fout, één uitschietende beitel, en het werk is onherstelbaar beschadigd. Je hebt slechts één kans om het goed te doen.
In werkelijkheid is het gebouw geen schatkamer maar een graftombe voor één van de Nabatese koningen. De urnen op de indrukwekkende gevel vertoonden kogelgaten, het resultaat van verwoede pogingen van ontdekkingsreizigers die dachten dat de Schatkamer werkelijk een schat voor de buitenwereld verborgen hield. Op dat thema werd ook gealludeerd in ‘Indiana Jones and the Last Crusade’, waarin gesuggereerd werd dat de Schatkamer van Petra de geheime locatie was van de Heilige Graal.

In werkelijkheid ziet de Schatkamer er vanbinnen zo uit.

We zaten op het plein voor de Schatkamer aan een tafeltje. Nasser dronk thee om zijn kater te verjagen (wat hem wonderwel lukte, want een uur later zou hij weer zijn oude zelf zijn) en vertelde in horten en stoten wat hij wist over de Schatkamer. De aardrijkskundeleerkracht in mij schoof even op om plaats te maken voor mijn inwendige geschiedenisleerkracht, die er gezellig kwam bijzitten om te genieten van het schouwspel.

Als je vanaf de Schatkamer verder door de ravijn loopt dan vergaap je je aan de ene façade naast de andere. Het zijn allen graftomben. Nasser nam ons mee over een “alternatieve weg” door de rotsen boven de ravijn. Na wat klauterwerk kwamen we op een uitzichtsplatform. Onder ons liepen talloze groepen toeristen in de dezelfde richting. ’s Avonds zouden ze druppelgewijs terugkeren, maar om Petra helemaal te ontdekken moet je eigenlijk een paar dagen uittrekken.

Naar het Klooster

In de namiddag liet Nasser ons vrij en gingen we op weg naar de Monastry, het grootste bouwwerk in de stad en gelegen op het einde van een 1 uur lang durende klim door een smalle kloof die door de Nabateeërs omgevormd is tot één lange trap, uitgehakt in het zandsteen. Onze lunch wilden we niet verorberen tussen de vele toeristen die al dan niet per ezel naar boven gingen, dus namen we onze toevlucht tot een soort natuurlijk balkon in de rotsen, dat we toevallig ontdekt hadden. Op een gegeven moment merkten we namelijk dat er een zijtrapje was uitgehakt dat recht omhoog leidde. Na een korte klim bevonden we ons zo’n 20 meter boven het pad en was het enige wat we hoorden het geschreeuw van twee lokale kinderen die aan de overkant van de kloof tussen de rotsen speelden.

De klimtijd tot aan de Monastry was zogezegd een uur maar met onze jonge benen stonden we er al na amper 40 minuten. De monumentale gevel kwam als een verrassing. Ten eerste had ik niet verwacht dat we al zo snel boven zouden zijn, en ten tweede had het er op de foto’s uit de reisgidsen veel kleiner uitgezien. Het is pas als je het in perspectief bekijkt, dat je je realiseert hoe groot het is. Ter illustratie: voor de drempel van de ingang lag een steen, zodat je een opstapje had om erop te klimmen. Op de drempel. That’s right: Je moest op de drempel klimmen. Die ‘drempel’ was anderhalve meter hoog. Het voelde alsof we voor het huis van de reus stonden.

Rowan had gehoord dat we beter gewoon konden verderlopen naar het uitzichtspunt dat een eind verder op de bergtop lag. In werkelijkheid was er geen sprake van “het uitzichtspunt” en “de bergtop”. Er was wel “één van de drie uitzichtspunten” en “één van de drie bergtoppen”. Van de drie mogelijkheden beklommen we er twee. De regel dat het kouder wordt naarmate je hoger klimt was blijkbaar hier niet van toepassing want toen ik en Greg op de top een fotoshoot van het landschap en van elkaar aan het houden waren, was het alsof een gigantische haardroger mijn hoed van mijn hoofd probeerde te blazen. Het uitzicht was overigens best te pruimen. Voor ons ontvouwde zich ongeveer het begin (of het einde, het is maar hoe je het bekijkt) van de ‘Grote Riftvallei’ of de ‘Grote Afrikaanse Slenk’, de grens tussen de Arabische en Afrikaanse aardplaat. Hij begint hier, loopt daarna door de Wadi Rum woestijn waar hij een oogverblindend landschap heeft gecreëerd, en daarna door de Rode Zee waar hij ook voor verantwoordelijk is. Daarna verlaat de Riftvallei de grens tussen de platen en gaat hij dwars door Oost-Afrika waar hij symptomatisch is voor een breuk in de Afrikaanse plaat waardoor Oost-Afrika langzaam maar zeker van de rest van het continent afgesplitst wordt. Hier heeft de Grote Riftvallei een resem meren en vulkanen doen ontstaan waarvan het Victoriameer en de Kilimanjaro de bekendste zijn. Voor onze ogen waren rotsen en bergen allemaal noord-zuid georiënteerd, in het verlengde van de Grote Riftvallei. De inwendige aardrijkskundeleerkracht juichte en werd daarin bijgetreden door de inwendige geschiedenisleerkracht toen ik me omdraaide en neerkeek op de Monastry, die vanuit vogelperspectief nog groter leek.

One dinar sir!

Toen we de lange trap door de kloof naar beneden liepen kreeg ik een klein meisje in de mot dat op het pad zat. Op haar schoot hield ze een baby-geitje. De foto lag zo voor de hand dat ik hem niet kon laten liggen. Ik greep snel naar mijn camera die al de hele dag kruislings over mijn schouder hing, ik richtte en ik drukte. Net op dat moment stak het meisje een vinger op: “One dinar sir!”
Ik vond het belachelijk dat ik voor een foto zou betalen die ik zelf genomen had. En 1 JD is in een land als Jordanië betrekkelijk veel. Ik hief beide handen op in een soort excuus terwijl ik onverstoord wilde doorlopen. Maar het kind liet het er niet bij. Ze kwam achter me aan en greep mijn pink.
“One dinar sir!”
-“One dinar for the goat? That’s cheap”
-“One dinar for picture!”
-“That’s not fair, it’s my own picture.”
Intussen hield ze niet op met aan mijn pink te trekken terwijl ik bleef doorlopen. Uiteindelijk gaf ze zich gewonnen en keerde ze terug naar haar geit tot de volgende toerist zou langskomen. Achteraf kreeg ik spijt dat ik het kind niet wat kleingeld had gegeven. Het hoefde geen 1 JD te zijn, maar ik had wel nog 500 fils (0,5 JD) in mijn portefeuille zitten die ik ook had kunnen geven. Zeker toen bleek dat de foto best wel geslaagd was.

I hate the Romans

Tot op vandaag wordt Petra steeds groter. Hier en daar zie je vlaggen wapperen van universiteiten die er opgravingen verrichten. Langs de Romeinse weg die ons terugbracht naar de kloof die tot de Schatkamer en de ingang van de Siq leidde, verrezen resten van tempels en paleizen.
“That and that and that wasn’t here five years ago”, had Nasser mij verteld toen we eerder op de dag vanop een hoogte over de Romeinse weg hadden uitgekeken, wijzend naar bouwwerken die links en rechts van de poort stonden.
“Is that a Roman gate?”, had Greg hem gevraagd, en dat had bij Nasser een vurige preek doen opwellen over de verderfelijke Romeinse praktijk van steden te veroveren om ze vervolgens ‘Romeins’ te noemen.
“Nothing in Petra is Roman. Nothing! Don’t ever say or mention that. It is a big misunderstanding. I don’t like the Romans. I hate them! They destroyed cultures and took credit for things they’d never done!”
Een minuut eerder had ik staan luistervinken bij een Franstalige gids die vertelde over de Romeinse weg en de Romeinse plaveisels in de Siq.

“But the road is Roman, isn’t it?”, zei ik om Nasser daarmee te confronteren. Ik ving bot want hij reageerde er niet op. Ik heb het nog minstens 3 keer herhaald, maar hij wilde er kennelijk niks over horen. De verachting voor de Romeinen zat behoorlijk diep.

Grote Dorst

De omvang van Petra en het aandeel dat de Romeinen daarin hadden waren al lang geen item meer in mijn gedachten toen ik over de Romeinse weg terugsjokte richting Schatkamer en Siq. We hadden het laatste restje warm water dat in mijn rugzak zat al opgesoupeerd, en ik was druk bezig een ferme dorst te ontwikkelen terwijl ik mij met zinderende voeten onder een genadeloze namiddagzon voorbewoog. Links en rechts van de weg waren terrasjes waar grote koelkasten volgepakt stonden met Pepsi en Fanta. Ik vervloekte de woekerprijzen en ik vervloekte ze opnieuw en opnieuw. We waren van plan in Wadi Musa nog een pak water te kopen alvorens verder te rijden naar Wadi Rum, maar eerlijkgezegd was ik het water meer dan beu. Vergelijk het met jezelf: als je voelt dat je moet niezen, dan wil je niezen. Als dat gevoel plots verdwijnt nog voor je deftig hebt kunnen niezen, dan ben je teleurgesteld, ookal is het eindresultaat hetzelfde. Idem met dorst: als je dorst hebt wil je een ijskoude pint drinken. Met lauw water zal je dorst ook wel gestild worden, maar je wil natuurlijk geen lauw water! Je wil van het moment genieten en je dorst optimaal gebruiken om tot dat ontzettend deugddoende gevoel te komen van ijskoud bier dat in je uitgedroogde keel klatert. Die sensatie zou ik weer niet beleven want een uur later – we hadden Petra intussen verlaten – stopte de auto voor een winkel, waar we zes flessen water kochten.

T.E. Lawrence-land

Het was ongeveer 18u, en we hadden ongeveer een half uur door de Wadi-Rumwoestijn gereden, toen de auto stopte voor het ‘Zawaideh Desert Camp’. In dat half uur had ik naar buiten zitten staren en mij in Monument Valley gewaand, met deze prachtige muziek in mijn iPod. Het rode zand, de rode rotsen, de desolaatheid, het stof. Het zag eruit als-, en het was ook, een filmdecor. We zouden de volgende twee nachten in dit tentenkamp verblijven en de woestijn verkennen.

Het Zawaideh Desert Camp was als een kleine camping. Er was een sanitair blok en een bescheiden bar. Er stonden lange tenten die ingedeeld waren in compartimenten. Elk compartiment telde twee ijzeren bedden die voorzien waren van lakens en muskietennetten. Er was een kampvuur met daarrond een rechthoek van lage, maar zachte zitbanken. Het kamp lag in de beschutting van een rotswand, en werd zo beschermd tegen zandstormen. In de talrijke gaten en nissen die de rotswand rijk was, had men lichtjes geïnstalleerd wat tot de sfeer bijdroeg.

Die avond vielen we het riante buffet aan, waarvan een deel (vraag me niet welk) de hele dag in een olievat had zitten garen, begraven in het hete woestijnzand. Het was best een fijne avond. Ik vulde mijn bord tot de rand en at het leeg aan het kampvuur, waar het niettemin te donker was om te zien wat ik aan het eten was. We dronken onze tweede fles hard core Mount-Nebowijn leeg, maakten een avondwandeling in het licht van de maan (waardoor de befaamde sterrenhemel achter een zwart gordijn bleef), ik probeerde mij te douchen met behulp van een waterslang waar enkel een klein straaltje koud water uit kwam, en ik slaagde er daadwerkelijk in om direct in slaap te vallen in het veel te korte bed en tussen de vermoedelijk ongewassen lakens. Faut le faire!
Mijn wekker stond ingesteld op 5u.

– Wordt vervolgd –