Roadtrip USA, part X: If you’re going to SaanFraanCiscoo

De aanblik van krioelende mieren bovenop het kadaver, en een mierenhighway die over de muur naar het venster liep, bezorgde me rillingen toen ik de volgende ochtend wakker werd. We ontruimden zo snel mogelijk onze kamer, laadden alles in de koffer van de auto en gingen daarna ontbijten in een diner, een steenworp verderop. Als een hongerige beer verorberde ik er een riant ontbijt met omelet, tomaat en worst. Ik kreeg er al gauw spijt van bij de gedachte aan de bochtige weg naar Yosemite die ons te wachten stond. Inderdaad: dit park hielden we nog niet voor bekeken en ons vertrek naar San Francisco wilden we dus zo lang mogelijk uitstellen (we hadden daar sowieso 2 nachten in het vooruitzicht).

De terugweg van Mariposa naar Yosemite Valley leek korter dan de dag ervoor en tegen de middag kwamen we aan op de parkeerplaats van Yosemite Village. Van daaruit reden er gratis bussen naar allerlei plekken in het dorp zoals de winkel, de souvenirwinkel of het visitor center. In elk nationaal park dat we tot dan toe bezocht hadden was het visitor center een vaste afspraak. We zochten er naar posters, nuttige folders, plannetjes etc. Hier wilde Evi per se een witte trui van Yosemite National Park vinden, dus met dat doel wilden we naar het visitor center. We zagen een wegwijzer met daarop “visitor center: 1 mile” en daaronder een symbooltje dat een voetganger moest voorstellen. We lieten de horde wachtenden achter aan de bushalte en gingen te voet op pad. Onderweg kwamen we voorbij de “store”, de “general store”, de “sports store” en het post office en het werd ons al snel duidelijk dat het visitor center met opzet in de verste uithoek van het “dorp” geplaatst was (ik plaats “dorp” tussen aanhalingstekens omdat het eigenlijk eerder een wirwar is van kronkelige wegen met hier en daar een gebouw, een parkeerplaats of een camping, met vooral veel bomen die voor totale desoriëntatie zorgen en aldus resulteren in één grote verkeerschaos van draaiende en kerende auto’s met bestuurders die een blik in hun ogen hebben die zoveel uitdrukt als “waar is de uitgang??”).
Het visitor center was niet veel soeps. Het was er vooral druk en iemand in mijn nabijheid had een slecht werkende sluitspier. Op zoek naar frisse lucht dwaalde ik wat rond en belandde uiteindelijk weer buiten in de hitte. Daarna hebben we zowat elke winkel afgelopen en vanalles gekocht (drank, middageten, beleg voor het middageten, een draagtas, postzegels) behalve de witte trui. Geen moment te vroeg bereikten we opnieuw de auto want ik voelde de drang om opnieuw de wildernis in te trekken en begon daarom lastig te doen.
Second objective: find trailhead. We waren van plan de “Mist trail” te bewandelen naar de top van een waterval. De naam kwam van de nevel die door de waterval geproduceerd werd en de naar verfrissing snakkende bezoeker een aangename verkoeling bezorgde. Maar we moesten dus de start van de wandeling zien terug te vinden, wat men in de VS gewoonlijk “trailhead” noemt. Op het kaartje lag het op het uiteinde van de wirwar van straatjes, maar in werkelijkheid is de helft van deze straatjes verboden toegang en is er ook een deel eenrichtingsverkeer. Details die ze vergeten te vermelden hebben op de parkplannetjes. Ik reed dus verkeerd, keerde om, reed terug, dacht dat ik op de juiste weg kwam, tot een verbodsbord de weg versperde en we met drie wagens tegelijk (ik was heus niet de enige sukkelaar) enkele zware verkeersovertredingen moesten begaan om terug te keren, waarbij ik een half geparkeerde bus voorbij moest die de weg versperde en ternauwernood een tegenligger kon ontwijken die plotseling vanachter die bus opdook. Zwetend en knarsetandend kwamen we ten slotte op een parkeerplaats terecht die volgens de kaart een kleine mars van de trailhead verwijderd was maar dichterbij rijden was totaal onmogelijk. Overal stonden waarschuwingsborden voor beren en aan de rand van de parkeerplaats waren berenbestendige kastjes opgesteld zodat langparkeerders hun kostbaarheden (lees: etenswaren) ergens in kwijt konden. Bij het verlaten van de parkeerplaats riep een man die zopas geparkeerd had ons toe of we enig idee hadden waar het trailhead zich bevond.

We liepen langs een met bomen omzoomde laan in de richting van het trailhead, turend tussen de bomen naar berenleven. Tevergeefs. We bereikten het trailhead waar tot onze teleurstelling véél volk vandaan kwam en ook véél volk naartoe liep. Ik had een wandeling in de ruige bossen in gedachten gehad. In werkelijkheid kregen we een steiloplopend asfaltpad voorgeschoteld dat bezaaid was met toeristen in hagelwitte sportschoenen en ditto opgetrokken kousen. Hier en daar waren ook teenslippers te bespeuren. De terugweg beloofde slecht nieuws te worden voor mijn knieën. Voorbij een brug over het woeste water werd het pad aantrekkelijker. Geen asfalt meer, steeds meer rotsen maar ook steeds steiler. Vanaf een bepaald punt was het eigenlijk een primitieve trap, uitgekapt in de rotsen en met heel hoge treden. Voor Evi’s knieën was dit te ver in de rode zone, dus zou ze achterblijven terwijl ik, met de top van de waterval in zicht, verder zou gaan. De trappen werden nog hoger maar mijn lange benen konden er niettemin twee tegelijk nemen. Ik draaide rond een bocht van waarachter een wind, verzadigd van nevel van de waterval, in mijn richting blies. De verfrissing was welgekomen maar maakte tegelijkertijd het pad nat en glibberig.
Na een goed kwartier was ik boven. Een kabbelend bergriviertje stroomde naar de rand van de granieten afgrond. De richel waarover het water naar de diepte stroomde was bijna perfect recht en het water was glad als een spiegel. Zo vredig deze overgang was, zo ruw was de manier waarop het zich naar beneden stortte. Met veel kabaal stortte het zich op de rotsen aan de voet van de waterval, daarbij de befaamde nevel producerend, een dicht gordijn dat zelfs hoger reikte dan de top van de waterval.
De afdaling langs de smalle trap was minder evident voor mijn grote voeten maar ik kwam zonder blauwe plekken opnieuw bij Evi. Samen begonnen we aan de lange, saaie afdaling langs het asfaltpad waarbij het droge geklapper van rubberen schoenzolen op het harde wegdek enkel overstemd werd door het gekwetter van twee Amerikaanse tienermeisjes die ons kruisten en honderduit vertelden over allerlei oppervlakkigheden, en door het gekreun van onze meniscussen. Het was 15u toen ik achter het stuur kroop en we koers zetten naar San Francisco. Jammergenoeg zonder bloemen in ons haar.

Seasick Steve begon voor de derde of vierde keer aan de eerste track van zijn album toen we de tolhuisjes van Bay Bridge bereikten, die het vasteland verbond met het schiereiland waarop San Francisco ligt (nee, de Golden Gate ligt nog wat verder). De rit was lang en saai gebleken, en iedereen reed rapper dan ik, hoewel ik mezelf al een snelheidsovertreding van 5mph had toegestaan. Gewillig betaalden we 4 dollar om vervolgens stapvoets de enorme brug op te rijden, mee met de eindeloze stroom verkeer, verdeeld over een 5-tal baanvakken.
Het vinden van ons hotel in San Francisco was een makkie. Ik hoefde maar één keer op het laatste moment van baanvak te veranderen, hopend dat ik daarbij niemand van de weg reed. We reden de parkeerplaats van het hotel in, stapten uit, en werden verwelkomd door – eerst – de koude zeelucht van 20°C, en daarna door de overduidelijk homoseksuele receptionist. Holebi’s in San Francisco. Er zijn toch nog zekerheden in het leven. Vooral in Amerika, waar ze wel van hun eigen clichés houden. De man was ergens in de dertig, had geblondeerd haar, opzijgekamd met een lijnrechte scheiding, een ring in de neus, enkele piercings in de oren, en een ring aan elke duim. Voor de rest zag hij er, met zijn strakke kaaklijn en harde blik, redelijk ernstig uit. Nieuwigheid: de portier zou onze auto parkeren. Ik wierp met een half oog een blik in de richting van de parkeergarage met zijn übersmalle parkeerplaatsen, en daarna met plezier de autosleutels in de richting van de portier die ze met de glimlach opving. Maar toen we ’s avonds wilden vertrekken naar een Baskisch restaurantje dat in de buurt lag en dat door Rough Guide aanbevolen werd, stond hij nog steeds geparkeerd in de parkeerplaats vlak voor de ingang, waar ik hem enkele uren eerder had achtergelaten.

Het restaurant bleek, nadat we erin geslaagd waren het te vinden, een voltreffer. De Spaans/Frans aandoende garçon bediende ons met veel humor en ik at er voortreffelijke mosselen in sherrysaus. De hele avond zagen we groepjes schaars geklede tienermeisjes voorbij het raam dartelen, giechelend en mekaar aanstotend bij elk jong manspersoon die ze aan de overkant van de straat in de mot kregen.
Toen we opnieuw aankwamen bij het hotel was mijn parkeerplaats ingenomen. Ik liet de auto dan maar ergens in het midden van de doorgang staan, in de buurt van waar de portier getoond had dat ik hem mocht zetten. Hij maakte lachend het vanggebaar met zijn handen en ik mikte de sleutels erin.

Roadtrip USA, part IX: everything is bigger

Bakersfield was een hellhole. Echt niks aan (voor zover onze beoordeling kon reiken want we waren er maar één nacht). We waren dus blij toen we de volgende dag weer naar het noorden konden vertrekken, want daar lag Yosemite National Park op ons te wachten, volgens velen het mooiste nationale park van allemaal. We reden een drietal uur door een landbouwlandschap met vooral veel fruitbomen. De weg en het landschap veranderden toen we de zuidrand van Yosemite bereikten: heuvels begonnen steeds meer bergen te worden, bedekt met uitgestrekte bossen, en daartussen slingerde de weg zich naar boven. Evi probeerde in het spoor te blijven van een Landrover die een sticker van Yosemite droeg en voor ons dienst deed als “haas” op het kronkelige parcours, maar de bestuurster sneed de talloze bochten keer op keer aan met een gezwindheid alsof ze de weg dagelijks vijf keer aflegde. Het was met klamme handjes dat ze de oprit van een winkel opdraaide om water te kopen.

Dat we Yosemite ongebruikelijk via het zuiden binnenreden gaf ons de mogelijkheid om een uitstapje te maken naar Mariposa Grove, in een zuidoostelijke hoek van het park. Een “grove” is zogezegd een plek waar “redwoods” groeien, gigantisch bomen met roodachtige stammen waarvan de giant sequoia de meest bekende is. “Gigantisch” is zelfs een understatement, zo bleek toen we de parkeerplaats opreden die zich als een lus om een enorme boom krulde waarvan de stam een omtrek had van minstens 15m. Wikipedia geeft enkele interessante weetjes over deze bomen: de Sequoiadendron Giganteum is samen met de Sequoia Sempervirens (alias Coast Redwood) de grootste boomsoort op aarde. Je vindt ze uitsluitend langs de westkust van de VS, en in het geval van de Giant Sequoia: op de westflanken van de Sierra Nevada. De hoogste boom meet 115m (een Coast Redwood). De hoogste Giant Sequoia is 95m hoog. Om verder te gaan over Giant Sequoia’s: ze worden gemiddeld 50 tot 85 meter hoog en ze zijn ’s werelds grootste bomen gemeten naar volume hout. Een Sequoia weegt zoveel als 16 blauwe vinvissen en is daarmee één van de grootste levende organismen ter wereld. De oudste sequoia is 3500 jaar oud (!!!!). De bomen zijn resistent tegen vuur, maar in het park zagen we wel veel bomen die erdoor aangetast waren. Een deel van hun stam was zwartgeblakerd, maar de boom is zijn geheel te groot en het hout te massief om door het vuur verteerd te kunnen worden. De zwakheid van de sequoia? De wortels, die niet zo diep in de grond gaan, maar zich eerder uitspreiden zoals naaldbomen dat meestal doen. Vlakbij de parkeerplaats zagen we een boom die naar verluid 200 jaar geleden was omgevallen. Het ding lag er nog zo goed als intact bij, de wortels hoog in de lucht rijzend. De hoogste boom van Yosemite meet 75m. Wij hadden hier ter plekke geen weet van dus hielden we een wandelingetje tot de zogenaamde “Grizzly Giant“, de tweede boom van het park, en ‘slechts’ 64m hoog.

Na de verstikkende hitte van Death Valley was Yosemite opvallend “fris” in de zin dat de lucht er aangenaam naar naaldwoud rook en het er een aangenamere 35°C was. Nog steeds warm genoeg voor een picknick, dus kochten we één en ander in een winkeltje om daarmee aan de kant van de weg, naast het water op een bank te gaan zitten. Een groot gezin braadde vlees op de barbecue en ik overtrad met plezier de wet door in het openbaar een blik bier open te trekken. In alle opzichten de zaligheid zelve, maar eigenlijk brandde ik van verlangen om gewoon verder te rijden en verderop te voet de wildernis in te trekken.

Vlak voor de weg doodliep parkeerden we de auto aan het trailhead van de wandeling naar Sentinel Dome, een granieten berg met afgeronde top die uitzicht bood op Yosemite Valley. De tocht was licht, de berglucht verkwikkend en het uitzicht van de top grandioos. We klommen recht naar de top van de granieten koepel en aan onze voeten ontvouwde zich een vallei die bezaaid was met dichte bossen en waar sprookjesachtige watervallen op uitkwamen. De randen werden gevormd door steile rotskliffen.We keerden terug om water in te slaan en vertrokken prompt op een tweede tocht naar een tweede uitzichtpunt dat afgebakend werd door een afgrond die je naar adem deed happen. Enkele tienerjongens kropen op hun buik tot bij de rand om in de diepte te kunnen kijken. Aan de andere kant van de vallei stak “El Capitan”, de hoogste rotswand van Noord-Amerika, 900 meter boven de groene valleibodem uit.

Op de terugweg vervoegden we de drommen toeristen die aan de ingang van Yosemite Valley het meest gefotografeerde beeld van het Nationale Park nog maar eens op de gevoelige sensor wilden vastleggen. Het kon me niet veel schelen dat ik een kuddedier was geworden want het zicht dat zich bij het uitkomen van de tunnel ontvouwde maakte mijn ogen waterig. We raakten in gesprek met een gezette vijftiger die dezelfde camera had als ik en die oprecht geïnteresseerd was in onze reis. Hij vertelde over zijn legerdienst in San Francisco waar hij elke morgen wakker werd met het beeld van de Golden Gate Bridge in de rollende mist. “Aaah San Francisco….  that’s….quite a city.” Hij lachte even alsof hij een verre herinnering bovenhaalde. “…quite a city…” We schudden handen en haastten ons naar de auto om de toeristentrein voor te zijn. Mariposa, het dorp waar ons motel lag, betekende nog ruim een uur on the road.

Een aardig dorpje, Mariposa. En een aardig motelletje, zo op het eerste zicht. Langs de hoofdweg zagen we tal van restaurants en bars, en we verheugden ons op een avond waarop we niet zouden moeten toegeven aan een Subway, Pizza Hut of Mc Donald’s. Nee, dit was een écht dorp. Rough Guide stuurde ons naar een modern restaurant met een uitgebreide wijnkaart, heerlijk eten en een goedlachse uitbater die ons met enige trots vertelde dat de lokale Cabernet Sauvignon die we besteld hadden geproduceerd was door een persoonlijke vriend van hem.
Met voldane glimlach en een klein stukje in de hielen van onze voeten keerden we naar het motel terug. Het lachen verging ons wel toen we op de muur een groot keverachtig wezen ontdekten dat veel weg had van een grote kakkerlak, maar dan zonder voelsprieten en mét vleugels. Ik zette er snel mijn schoen tegen waarna het schepsel in platte toestand in de hoek op de grond viel. Ik vertikte het om het kadaver (want zo kun je het het beste omschrijven) op te ruimen. Na een grondige inspectie van de kamer op ander levend wezen kroop ik aarzelend tussen de dekens en droomde ik met veel tussenpauzes van allerlei beestjes. Wat ik ondertussen niet kon zien, was dat een dichte kolonne mieren de kamer binnendrong via een kier in het raam om te beginnen met de ontleding van het kadaver dat in de hoek lag.

Roadtrip USA, part VIII: Ovenvers

Op de dag dat we onze langste rit voor de boeg hadden (van Las Vegas naar Bakersfield, zoek maar op Google Maps), bleven we veel te lang in ons bed liggen. Maar dat was nog geen ramp: het betekende enkel dat we Death Valley door zouden moeten op het warmste moment van de wag. Death Valley is zonder twijfel de warmste plek in Noord-Amerika en ook het diepste punt in de Verenigde Staten (een 80-tal meter onder de zeespiegel). De vallei ligt in de regenschaduw van de Sierra Nevada, en is dus al sowieso veroordeeld tot het woestijnschap, en ligt daarbij ook nog eens in een depressie waar de warmte amper uit weg kan. Vanop de hoogten aan de rand van Death Valley zie je de valleibodem letterlijk bakken in de zon. Als je in de vallei rondloopt voel je de warmte door je schoenzolen priemen en als je je hand op de grond legt moet je hem na 5 seconden noodgedwongen terugtrekken om niet te verbranden. De temperatuur overdag fietst vlotjes over de 50 °C. ’s Nachts koelt het af tot 38 graden. Waarom dit inferno in godsnaam tot Nationaal Park is benoemd zouden we met onze eigen ogen kunnen zien als we erdoor zouden rijden, maar daarvoor moesten we er eerst geraken. Na een half uur waren we al hopeloos op de verkeerde weg. Nietsvermoedend misten we de afslag van de interstate waardoor we noodgedwongen een alternatieve route in mekaar moesten knutselen “langs de kleine baantjes”. Die moesten ons naar Good Springs voeren, daarna naar Mountain Springs en vervolgens naar Pahrump waar we opnieuw op de geplande route zouden komen. Een tweevaksbaan voerde ons door de woestijn tot in het stoffige plaatsje dat door één of andere leukerd Good Springs genoemd was. Overal lag er rommel maar er was geen levende ziel te bekennen, alsof iedereen gevlucht was bij de aanblik van twee vreemdelingen, de eerste twee in tien keer zoveel jaar. Volgende halte: Mountain Springs. Wel vervelend natuurlijk wanneer je merkt dat in Good Springs de wegwijzer nog niet is uitgevonden. We reden dus maar wat op goed geluk rond in de hoop op een weg te belanden die in de richting van Mountain Springs voerde. We dachten die gevonden te hebben, tot het asfalt ermee ophield. Aan de andere kant van het dorp hadden we meer geluk en vonden we een weg die wel verderliep. Niet naar Mountain Springs, zo bleek, maar naar Ripley, een zo mogelijk nog veel stoffiger nest aan de andere kant van een tweetal  becactuste bergpassen. We vonden er een levend iemand, namelijk een vrachtwagenchauffeur die aan de kant van de weg een hek aan het sluiten was.
“You wanna go where?”
“Pahrump.”
“Oh shit….”
“…?”
“Two options: you drive back to the interstate and get the right exit; or you take the second on the left to Pahrump, but it’s a dirt road that gets really bumpy and it lasts for 16 miles or so”.

De beslissing was snel genomen. Snelheidsbeperkingen redelijk losjes interpreterend reed ik terug naar de interstate, op zoek naar de juiste afslag. We bevonden ons al terug in Las Vegas toen we hem vonden (hij kwam dus véél vroeger dan verwacht) en met een bijkomende vertraging van twee uur bevonden we ons eindelijk op de weg naar de Valley of Death. We kozen ervoor het park helemaal in het zuiden binnen te rijden om er zolang mogelijk door te kunnen rijden. In Pahrump jawel) namen we de afslag en al snel bevonden we ons weer in het midden van de woestijn met in de omgeving slechts één andere eenzame wagen, ergens ver weg in mijn achteruitkijkspiegel. We staken enkele verlaten bergpassen over, waarna we telkens opnieuw uitzicht kregen op een verse uitgestrekte en verlaten woestijnvallei. Maar na de laatste pas die we overstaken zagen we de weg enkel dalen, zo ver als we maar konden kijken. Het was het begin van Death Valley.

De weg leek zich eindeloos naar beneden te slingeren en onderweg werden we getrakteerd op een steeds buitenaardser lijkend landschap. Indrukwekkende rotsplooiingen, kleurencombinaties, onder een verzengende zon waarbij we in de verte het asfalt wazig zagen worden. we bereikten uiteindelijk de dalbodem, die heel uitgestrekt en plat bleek te zijn, als een reusachtige braadpan die links en rechts werd afgebakend door maf uitziende rotsformaties. We voelden de hitte door de autoruiten dringen. De weg slingerde ons constant richting rotswand en dalbodem. Na ongeveer een uur kwamen we bij badwater: het diepste punt van Death Valley, en plek waar eeuwenoud water aan de oppervlakte komt na een lange weg door onderaardse geologische lagen. Het water kan er nergens heen dus verdampt het, waarbij het zout als residu achterblijft, onder de vorm van een dikke korst die her en der uit het water stak. Na 5 minuten aan de rand van het water gestaan te hebben begon de intense hitte zijn tol te eisen. Ik voelde het zweet langs mijn nek lopen en er stak een wind op. De grill veranderde nu in een heteluchtoven want de wind was bijzonder heet.
De airco klopte overuren toen we een eindje verder een afslag namen naar de Devil’s Golfcourse. De meeste plekken in Death Valley hebben een verwijzing naar de hel of de duivel. Naast Devil’s Golfcourse waren er ook bijvoorbeeld The Devil’s Cornfield en Dante’s View. We bereikten de Golfcourse na een eindje over een onverharde weg gehobbeld te hebben. De benaming was in wezen ironisch bedoeld want het bleek om een patattenveld te gaan van hompen zoutsteen. Hier en daar zaten er kleine gaatjes in de grond, en die zou de duivel blijkbaar graag gebruiken om een balletje te slaan. We verlieten Death Vally (de vallei, nog niet het park) via het Panamint gebergte. Borden langs de kant van de weg geboden ons de airconditioning af te zetten zodat de motor bergop het loodje niet zou leggen, maar dat advies legden we maar al te graag naast ons neer. We hadden het volste vertrouwen dat ons bakje ons zonder problemen over de pas zou voeren, maar ik hield de temperatuur van de motor wel nauwlettend in de gaten. Via een niet minder dan prachtige weg reden we tenslotte het park uit en het was al na 18u toen we aan de voet van de Sierra Nevada kwamen. Bakersfield lag aan de zuidelijke grens van het gebergte en met tegenzin reden we zuidwaarts. De volgende dag moesten we opnieuw naar het noorden en ik wist bijgod niet waarom onze reisroute, die we als pakket geboekt hadden, ons langs deze stad wilde voeren. Het was een aanzienlijke omweg richting Yosemite National Park. Niet alleen zouden we zeker nog 2 uur in de wagen moeten doorbrengen, de volgende dag zouden we ook nog eens 3 uren autosnelweg moeten verteren voor we de geur van Yosemite zouden mogen opsnuiven.

Bakersfield was wat ik ervan verwachtte: een zielloze stad zonder centrum, zonder bars, zonder restaurants, en met een dambordpatroon. Onze kamer was ruim, maar rook naar sigaretten; en het zwembad was verkwikkend, maar al na 5 minuten ijskoud. De zoektocht naar eten duurde tot ik per ongeluk tegen de rijrichting in begon te rijden en ik het zoeken beu was. Het zou die avond Subway worden. Tot overmaat van ramp weigerde de uitbater van de nachtwinkel naast de Subway ons alcoholische drank te verkopen omdat onze Belgische identiteitskaart “unfamiliar” was voor hem en hij mijn rijbewijs niet eens wilde bekijken. Gelukkig maakten ze in het benzinestation veel minder problemen (geen) waardoor we onze frigobox alsnog met een sixpack konden verrijken.
Eten en slapen. Het is niet het klassieke einde van een dag als je op reis bent, maar het is wel het klassieke einde van een dag als je roadtript.

Roadtrip USA, deel VII: Whatever happens in Vegas…

Op dag 8 (deel 7 dus) bracht ik geen milliseconde door voor het stuur van één of ander rijdend vehikel. Daarmee bedoel ik noch de auto, noch de propaangeleide bus die ons door Zion Canyon voerde. Dat klopt: in Zion National Park namen we voor de gelegenheid de bus, om de simpele reden dat dat de enige mogelijkheid was om dit mormonen-gedreven park binnen te komen. Aanrader volgens Rough guide, maar in werkelijkheid verkies je toch eerder een vervoermiddel dat airconditioning heeft in de gegeven omstandigheden. De bus tufte aan een slakkengangetje door de ongetwijfeld prachtige kloof die Zion is, maar de ruiten waren verduisterd en konden slechts een tiental centimeter ver open schuiven zodat er van sightseeing en fotografie weinig sprake kon zijn. Er zat niks anders op dan ter plekke te zitten zweten en wat meewarig naar elkaar glimlachen. Op de terminus stapten we samen met alle andere zwetende Amerikanen uit en waagden we ons aan een miniem wandelingetje in de omgeving van het klaterende riviertje, wat onze dorst nog wat verder aanwakkerde. Dorst. Dat was eigenlijk al een constante op de hele reis geweest, in tegenstelling tot honger. Die ochtend hadden we genoten van een stevig ontbijt in een typisch Amerikaanse “diner”. Je kent ze wel uit de films: met van die hoge zitbanken, waarbij je rug aan rug zit; een draaiende ventilator aan het plafond en een onaantrekkelijke uitbaatster die ter tijd en stond je kop koffie komt hervullen. Omelet met tomaat en Zwitserse kaas lag er op mijn bord. En een grote kan thee. Het was het beste ontbijt in lange tijd. En nogmaals: lang leve Utah!

De weg voerde ons dus door Zion National Park, door de mormonen zo genoemd omdat ze in ‘Zion’ geloven, net zoals de reaggae-beweging. Een aards-paradijs weet je wel. Vanaf het moment dat we het park binnenreden vond ik dat al een treffende omschrijving: het aards paradijs. Onze monden vielen open bij het zien van zoveel natuurpracht. Woeste rotspartijen in diverse warme kleuren omgaven ons en mijn rechterwijsvinger, die op de sluiterknop van mijn camera lag, ging over op automatische piloot. Dit had ik nog nooit gezien. In geen enkel gebergte in de hele wereld. Hier konden ze in Zwitserland enkel over dromen. We hoopten dat Zion Canyon, zoals gezegd enkel toegankelijk per bus, nog mooier zou zijn, maar in feite konden we ons moeilijk een landschap voorstellen dat nog mooier kon zijn dan wat we zonet gezien hadden. En inderdaad: Zion Canyon kon de beelden op ons netvlies niet meer overtreffen. Voldaan sprongen we opnieuw in onze auto om Utah achter ons te laten en koers te zetten naar het zanderige Nevada.

In Nevada mag alles: te snel rijden, gokken en drinken. Het was al te merken toen de snelweg een hoekje van Arizona afsneed en niemand nog enige aandacht leek te besteden aan de snelheidsbeperking. Een vlugge blik op de kaart leerde ons dat de higway waarop we ons bevonden eigenlijk enkel via een grote omweg toegankelijk was voor de Arizoniaanse politie en dat wisten de plaatselijke bestuurders duidelijk ook. In Nevada werd het nog erger: daar werden we voor het eerst ingehaald door een vrachtwagen. Ik herhaal: door een vrachtwagen. Aan de woestijn kwam zichtbaar geen einde tot we in de verte de casinotorens van Vegas zagen opdoemen. Evi ging in overdrive en had hier en daar wat kalmering nodig om op het juiste baanvak te blijven.

Het eerste contact met de hitte van de woestijnstad schroeide onze wenkbrauwen eraf. Happend naar adem repten we ons naar de verkoeling van onze – laat ons zeggen, redelijk aanzienbare – motelkamer. Veel tijd was er niet te verliezen want Vegas lag redelijk letterlijk om de hoek. Dat zegt wel niks over de effectieve afstand tussen ons motel en de Strip want de tocht door de heteluchtoven leek eindeloos aan te slepen. Dat “slepen” mag je trouwens aan de letterlijke kant interpreteren want Evi’s schoen was er in geslaagd welgeteld 10 meter vol te houden alvorens het ding – om het eenvoudig uit te drukken – in twee brak. Beste lezer, u wil niet, nooit, never ever… met een vrouw op stap zijn in een temperatuur van minstens 40 graden terwijl één van haar schoenen naar de verdoemenis is. De focus werd aldus prompt verschoven naar de dichtstbijzijnde schoenenwinkel. Ha! Vegas! Schoenenwinkels te over, zo hoor ik u denken. Maar neen, think again. Blijkbaar hadden alle schoenenwinkels de dag daarvoor hun biezen gepakt (vermoedelijk om ons een loer te draaien) waardoor de dodentocht 4 keer langer duurde dan strikt noodzakelijk. Uiteindelijk rolden we onszelf binnen in één schoenenzaak die zich niet op tijd uit de voeten had kunnen maken en kon Evi zich uiteindelijk nog voorzien van een vers paar voetbescherming.

Zonder dat we het doorhadden bevonden we ons toen al in de Venetian. De place to be voor alles wat fake-Italiaans is (maar wel gezellig. Ze hebben er zelfs een ‘lucht’. Ja, google dat maar eens.). Van daar ging het naar de Mirage voor de dolfijnenshow die toen al lang gesloten was; en naar Caesar’s Palace, wat in mijn optiek het grootste complex op de Strip moet zijn. De Bellagio was de volgende in de rij, en we waren – alweer – 5 minuten te laat om van het befaamde buffet te kunnen genieten. Next best thing was het Frans restaurant voor de gevel van Paris vanwaar we konden genieten van het fonteintjesspektakel op het kunstmatig meer van de Bellagio.

Vegas: tonnen pret, maar niks is echt. Beter uw verstand op nul zetten en gewoon laten meeslepen door de manie.

Om terug bij ons hotel te komen waren we allerminst van plan de hele weg opnieuw te wandelen. We waren al op zoek naar een taxi toen we voorbij een pijl kwamen waarop “monorail” stond. We wisten dat de monorail voorbij ons hotel kwam dus was de beslissing snel genomen. We kwamen op een lange roltrap terecht die uitkwam in de gokzalen van de Flamingo. Nieuwe  bordjes leidden ons helemaal tot achterin de zaal waarna we weer een trap afgingen. Die leidde naar een verlaten winkelcentrum en we begonnen eraan te twijfelen of de bordjes ons echt wel ergens heen voerden. 10 minuten later waren we helemaal aan het einde van de lange wandelgang van het winkelcentrum gekomen waarna een nieuw bordje ons rechts af deed slaan, en een eind verder nog eens rechtsaf. Daar bevonden zich de betaalautomaten voor de monorail. Toen we nog eens een kwartier later eindelijk over de rail richting bed aan het schuiven waren en naar buiten keken richting Strip, zagen we dat we om de monorail te bereiken een ondergronds parcours hadden afgelegd dat zich al bijna kon meten met de lange weg naar het hotel. Een metaalachtige stem verschaftte de gewoonlijk niet zo snuggere Amerikanen met wat nuttige uitleg over de monorail: “the word ‘monorail’ comes from the Greek word of ‘mono’, which means ‘one’, and ‘rail’ which means….well yeah, just ‘rail’”. Het zijn toch rekels he, die USA-ers…..

Roadtrip USA, part VI: Bryce Canyon, buitenaardse makelij

Sta mij toe dag 6 over te slaan daar ik toch de hele dag in bed lag terwijl mijn witte bloedcellekes slag leverden met één of ander boosaardig virus waarvan ik hoop dat het het Mexicaanse was (dan ben ik er al vanaf). En de hele dag stond Evi aan mijn zijde om van tijd tot tijd een compresje te leggen, een citroensapke te persen of bemoedigende woordjes te spreken. Fact of the matter is dat ik op zondagmorgen wakker werd zonder koorts en ik de oorlog voor gewonnen verklaarde. Dartel als een jong veulen ramasseerde ik mijn boeltje en togen we op weg naar de Bryce Canyon. Onderweg stopten we even om over de rand van Marble Canyon te gluren, naar het panorama over Horseshoe Bend, een beeld dat ik een paar weken eerder nog in een aardrijkskundeles gebruikt had. Het is op de wandelweg naar Horseshoe bend (door Rough Guide “small sandy hill” genoemd, en in werkelijkheid….. tja, gewoon een kleine zanderige heuvel), dat ik op mijn limieten gebotst ben. De enige manier voor mij om boven te komen was zwaar hijgend en zwetend, om nog maar van het slakkengangetje te zwijgen. Het was duidelijk dat ik het op mijn gemakske zou mogen doen, daar in de Bryce Canyon.

We staken de staatsgrens over en bevonden ons in Utah, die ik prompt tot mijn favoriete staat van de VS proclameerde. Weg zanderige heuvels, weg kale woestijn, weg eenzame rotsen. Het landschap werd groener, de rotsen werden roder, bossen tekenden zich af aan de horizon. De armoedige indianenhuisjes hadden plaatsgemaakt voor idyllische huisjes met veranda’s en bloemenperkjes. Er kwamen far west-dorpjes met sympathieke winkeltjes, mormoonse kerkjes en roadside diners. Het was alsof we zonet een vriendelijker deel van de VS binnengereden waren. Maar dat gold niet voor de dieren die het ongeluk hadden in de buurt van de highway geboren te zijn. We zagen meer roadkill dan in welke andere staat dan ook, en het waren geen hagedissen of eekhoorntjes oh neen. Het waren fullsized herten die opengereten aan de kant van de weg lagen. Ik speurde vanuit de auto de bossen af aan de kant van de weg, maar ik kon geen levende herten ontwaren tussen het geboomte.

In Bryce Canyon National Park hadden we geen enkele moeite ons motel, Ruby’s Inn, te vinden, omdat het leek alsof alles aldaar eigendom was van Ruby’s Inn: Ruby’s campground, Ruby’s General Store, Ruby’s Car Wash, etc. Het was te vroeg voor de check-in, dus reden we door naar een andere herberg waar ook een restaurant te vinden was. Rough Guide noemde het eten in Ruby’s Inn “consistently atrocious”, dus daar wilden we ons liever niet aan wagen.

Een “salmon burger” was er mijn deel. Mét frieten. En mayonaise!! Ik kapte direct de hele pot mayonaise over de frieten heen, en juist op dat moment kwam de serveuse vragen of alles naar wens was. Ik durfde haar niet rechtstreeks aan te kijken, maar ik kan me voorstellen dat ze raar opgekeken moet hebben bij deze vreemde West-Europese gewoonte.

Ik had een constante puf toen we ons uiteindelijk naar de rand van Bryce Canyon begaven, en ik voelde me als een ballon die elk moment kon opstijgen. Los van het opgeblazen gevoel, voelde ik me toch al veel beter dan die morgen dus een wandeling kon er wel af.
De eerste aanblik van Bryce was verbluffend. Het was alsof God, nadat hij de Grand Canyon, de haven van Rio en de Great Barrier Reef had geschapen, nog een enorme chunk energie over had waarmee hij al het voorgaande tesamen tot polderlandschap degradeerde. Bryce was waarschijnlijk het meest intense landschap dat ik ooit in mijn leven had gezien. Oranje-rode rotspieken schoten uit de wand, tientallen meter hoog, en bovenop deze pieken rustten soms grotere rotsblokken, hoodoo’s genaamd, en balancerend in een fragiel evenwicht tot de wind vond dat het welletjes was en er eentje de dieperik in stuurde. Een wandelpad vertrok van het uitzichtsplatform waar wij ons bevonden en slingerde zich tussen de rotspilaren de afgrond in. We gingen op pad, in het gezelschap van een horde Spanjaarden (of Mexicanen. Ze spraken in ieder geval Spaans en iedereen in een straal van 20 kilometer kon het horen), die er niet beter op gevonden hadden dan teenslippers aan te trekken voor de tocht. Ik heb niks tegen teenslippers, maar op een pad als hetgene waarover we toen gingen leek het toch wel ietwat….. bespottelijk. De Spanjaarden waren zelf van een heel andere mening en voelden zelfs de neiging om ons, met onze stevige bergschoenen, te tonen hoe zij dat pad eens in teenslippers zouden aanpakken. Het bracht mij tot enig ooggerol, maar ik voelde niet meteen de behoefte om met deze luidruchtige malloten in competitie te gaan. Ik wilde gewoon zo ver mogelijk bij hen uit de buurt blijven, was het niet achter hen, dan wel voor hen uit. Het werd het tweede, want de groep stopte om de haverklap voor weer maar eens een nieuw idioot groepsportret waarin iedereen om ter belachelijkst het woordje “cheese” probeerde uit te spreken. Over elke fotosessie werd er telkens op voorhand uitgebreid gecommuniceerd tussen de leden van de groep die zich op diverse plekken op het pad bevonden. Het leidde tot een hels over-en-weer geschreeuw binnen de kloof en het werkte ongelooflijk op het systeem.

Anyway, we wisten de groep leeghoofdige toeristen gelukkig af te schudden waardoor we op een bepaald ogenblik in zekere rust en stilte van het landschap konden genieten. Met uitzondering van de Amerikanen, want die hoor je altijd en overal. Het bracht mij opnieuw bij de bedenking dat de Amerikanen de schoonheid van hun eigen land eigenlijk niet verdienen. Serieus: geef die mensen een leeg, lelijk en kaal land dat ze naar hartelust kunnen volplanten met Burger King, Mac Donald’s, Taco Bells, Jack-In-The-Boxes en Subways, en ze zullen een oppervlakkig maar gelukkig leven leiden. Geef al die natuurpracht in plaats daarvan aan een volk dat het verdient en ernaar hunkert. Een volk dat er ook mee omgaat zoals het hoort. Maar bestaat er eigenlijk zo’n volk?

Relatief probleemloos raakte ik opnieuw boven, afgezien van de obligate hoestbui na de inspanning, en het was wat ons betreft tijd om in te checken. Ruby’s Inn bleek meer te zijn dan zomaar een “motel”. Het was een heel bedrijf dat zowat 70% van de toeristische sector in Bryce Canyon in handen leek te hebben: een gigantische lobby, waarvan de muren uitgerust waren als een heus dierenmortuarium. Herten, bergleeuwen en wasbeertjes staarden de bezoekers levenloos aan vanaf hun plek boven het open haardvuur. Een leger van vier of vijf receptionisten werkten als aan de lopende band de check-in af van de niet-aflatende stroom toeristen. Aan de lobby grensde de general store en een heuse souvenirwinkel. We werden verwezen naar een comfortabele kamer, ergens in het Elk-Block (mannetjeshertblok, of reeblok (?)). Na gewassen en uitgerust te hebben waagden we ons die avond nog aan een kleine queeste waarbij we op zoveel mogelijk uitzichtspunten de zonsondergang wilden bewonderen. Het lukte ons geen enkele keer want we waren veel te laat vertrokken. De zon zat al achter het geboomte nog voor we één voet in de auto hadden gezet. Niettemin deed het goed om Bryce te kunnen zien zonder één enkele toerist in de omgeving. Op Fairytale-point zagen we langzaam de duisternis over ons neerdalen en viel het ons op dat er geen enkel, maar dan ook geen enkel geluid op te pikken viel in een heel wijde omgeving. Het was peacefulness van de meest pure soort, en zo was onze avondlijke uitstap toch meer dan geslaagd te noemen (hoewel ik toch gehoopt had iets van Bigfoot te kunnen horen, ruiken of zien).

Roadtrip USA, deel V: de Travelodge zag eruit als een gevangenis

De volgende ochtend was het niet goed. Je kunt ziek zijn en wakker worden als een ander mens, maar je kunt ook ziek zijn en wakker worden alsof je tijdens je slaap geopereerd bent. Keelpijn, hoofdpijn, rugpijn, hoest, koorts. Een pijnstiller bracht me half op de been maar in de plaatselijke supermarkt was datzelfde been minder gewillig en probeerde ik al wankelend houvast te vinden. We waren die ochtend van plan te gaan ontbijten op de rand van de Grand Canyon. De Rough Guide raadt een viewpoint aan waar er geen toeristen komen omdat je een mijl moet wandelen om er te komen. De gedachte dat een mijl misschien te ver zou zijn voor mij vond ik zo afstotelijk dat ik vastberaden was om het toch te proberen. En zo geschiedde. We parkeerden de auto op een kleine parkeerplaats. Een hek versperde het pad en een bordje met “private” moest toeristen weghouden. Dat alles negerend trokken we het bos in. De zon scheen, de vogeltjes fluitten en het rook er zo heerlijk naar naaldbomen, ik voelde me al veel beter. Het pad kwam uit op een kleine open plek aan de rand van de kloof. Er stonden enkele barbecuestellen met daarrond wat tafels en stoelen. Het was de perfecte plaats voor een barbecue met wat vrienden. Wat verderop voerde het pad tot op een uitstekende klif vanwaar je een adembenemend uitzicht had op de Grand Canyon links, rechts en recht voor je. Op het uiterste punt zat een vrouw van het uitzicht te genieten, maar voor de rest was er niemand. Toen de vrouw na 5 minuten de terugweg aanvatte hadden we de plek voor ons alleen. Helemaal alleen met de machtige kloof. Het was met voorsprong het mooiste uitzichtspunt dat we al bezocht hadden. (Voor de geïnteresseerden: Shoshone Point).

Na een half uur graaiden we onze spullen bij elkaar en begonnen we terug te lopen. Op hetzelfde moment kwam er ander volk uit de tegengestelde richting, zich er waarschijnlijk op verheugend dat ze zo dadelijk helemaal alleen zouden zijn.

We reden een eindje naar het zuiden, naar Tusayan, om daar de IMAX-film over de Grand Canyon te bekijken. Daarvoor moesten we in het National Geographic Visitor Center zijn, die voor de gelegenheid omgebouwd was tot bioscoop. De geur van pizza en popcorn deed me bijna kokhalzen, dus gingen we buiten in de hitte zitten terwijl we wachtten op de voorstelling. Het was alsof er gewichten aan mijn oogleden hingen. In de zaal zelf was het dan weer ijskoud en ik weet niet beter dan dat ik minstens 6 mensen moet hebben besmet tijdens de voorstelling. De film is wel een aanrader. Zeker als je geen last hebt van motion sickness.

Ik slikte mijn ambities om een omweg te maken langs Monument Valley in, dus reden we rechtstreeks naar Page. Page is een soort van “dorp”, enfin… eigenlijk is het gewoon een verzameling motels en fastfoodketens, zoals de meeste andere Amerikaanse “dorpen” op het platteland, aan de rand van Lake Powell. En Lake Powell is het resultaat van de Glen Canyon Dam. En die laatste is er ironisch genoeg voor verantwoordelijk dat er heden ten dage geen Glen Canyon meer te zien is. Stel je de verontwaardiging voor als er op een dag zou beslist worden tot de bouw van een dam waardoor de Grand Canyon volledig onder water zou verdwijnen. Dat was het lot van de Glen Canyon, een kloof die misschien niet zo diep is als zijn grote neef, maar wel veel betere looks heeft meegekregen van mama natuur. De laatste jaren heeft de droogte er wel voor gezorgd dat Glen zijn kopke deels boven water heeft kunnen steken gedurende enkele maanden maar ik heb geen idee of hij te zien was in de periode dat ik er was want zodra we de oprijlaan van het Travelodge Hotel in Page opgereden waren, en we bij de norse inheemse receptioniste onze keycards opgehaald hadden, ben ik mijn bed ingekropen om er de volgende twee dagen niet meer uit te komen. That’s right: we hadden twee dagen aan Lake Powell en die zou ik heel goed kunnen gebruiken.

Roadtrip USA, deel IV: the canyon gives, the canyon takes

Ik werd dus wakker met hoofdpijn, en omdat ik normaalgezien enkel hoofdpijn heb bij chronische vermoeidheid, en die hoofdpijn gewoonlijk laat op de middag opdaagt, wist ik dat er iets niet in de haak was onder mijn motorkap. Maar goed, die dag stond de Grote Kloof op het menu, en nog veel meer interessante dingen, dus nam ik een sterke pijnstiller en hoopte ik voor de rest dat het zou overwaaien.

Eerst wilden we tanken, en de voorbije dagen is dat geen senicure gebleken aangezien de betaalautomaat steevast naar onze “ZIP-code” vraagt. Evi ging dus naar binnen om te betalen en naar verluid werd ze door de gebrekkig Engels sprekende uitbater behandeld als een gezochte crimineel. Hij wilde de creditcard niet aanvaarden zonder identificatiebewijs. Toen ze haar Belgische identiteitskaart presenteerde wilde hij niet geloven dat het een officieel document was. “Belgium? What’s that??” 
“It’s a country in Europe.”
“Europe?”
Vervolgens weigerde hij te geloven dat het wel degelijk haar eigenste zelf  was die op de foto te zien  was. “That’s not you!”
Het Belgische rijbewijs bracht ook geen zoden aan de dijk: “This does not look like driver’s license!”
“Look here, in English: d-r-i-v-i-n-g   l-i-c-e-n-s-e!”
Toen de arme drommel eindelijk overtuigd was en ik de auto had kunnen voltanken was de beproeving nog niet voorbij. Er moest immers nog een handtekening op het kasticket. Evi zette haar krabbel, welke door de man onderzoekend werd bekeken. “What’s this??”
“My autograph”
“Thát’s your autograph??”
Uiteindelijk heeft ze opnieuw haar identiteitskaart en creditcard bovengehaald om te bewijzen dat het wel degelijk om haar handtekening ging.

 We reden naar het noorden, richting far-weststadje Prescott, om daarna via het mijnwerkersdorp Jerome naar Flagstaff te rijden. Vandaar zou het dwars door de woestijn en Navajoland naar de Grand Canyon gaan.

Prescott lag op het einde van een boeiende weg door de bergen, en was eigenlijk wel een aangename leg-stretch. Geconcentreerd rond het oude gerechtsgebouw, saloons, souvenirswinkeltjes, mannen met boots maar zonder spurs. Veel meer ga ik er niet over vertellen want Jerome was véél interessanter. Eerst slingerde de weg de bergen in, tussen woeste rotspartijen en glimpen van machtige uitzichten op de Grand Staircase (googlen!). Toen we eindelijk over de kam konden loeren zagen we het dorpje tegen de helling geperst, en toen we er binnen reden, besloten we unaniem om er een onvoorziene lunchsstop te maken. We waren in het far-westdorp van Bobejaanland aangekomen. Overal had je een magnifiek uitzicht op de vallei en daarachter de okerkleurige rotsen van het volgende plateau. Het was adembenemend. We hadden ons oog laten vallen op een herberg met een panoramisch terras, genaamd “The haunted burger”, en believe it or not: de enige vrije tafel was die op het uiteinde van het terras. Ik vroeg er een slaatje en kreeg er de oogst van 3 moestuinen opgediend. Evi vroeg een hamburger en……… ja, die kreeg ze ook.

Vol groensels kroop ik opnieuw achter het stuur. We bolden de helling af en staken de vallei over. Daar lag Oak Creek Canyon te wachten, het kleine broertje van de Grand Canyon, maar volgens de inboorlingen ook een nationaal park waard. Ik ben niet geneigd ze helemaal gelijk te geven wat dat nationaal park betreft, maar het is in ieder geval een oogverblindend mooie kloof. Rode rotsen, afgewisseld met donkergroene bomen die de hellingen sieren. De weg liep op de bodem van de canyon, door een sappig groen bos en naast de weg stroomde een bergriviertje (dat tevens verantwoordelijk is voor de kloof). Halverwege stopten we aan Rock Slide State Park. De naam zegt het zelf al: je kunt er over de rotsen glijden. Gezwind in zwemkostuum gehesen trippelden we naar de waterkant waar er een volkstoeloop aan de gang was van mensen die op de vlucht waren voor de temperatuur. Kinderen en volwassenen lieten zich door het water meesleuren over de glibberige afgesleten rotsen. Verstandig zal het niet geweest zijn, maar ik wilde mij behoeden voor jarenlange spijt van de gemiste kans, dus liet ik me samen met Evi in het koude water glijden. In het begin ging het nog behoedzaam, maar eens de stroming ons te pakken had was er geen houden meer aan. De rit duurde een 5 tal minuten. Toen hielden we het voor bekeken.

Wegens tijdsgebrek en geen zin meer, reden we Sunset Volcano National Monument straal voorbij. Als we ooit een vulkaan willen zien gaan we wel naar de Vesuvius. Die leeft tenminste nog. Evi zat opnieuw achter het stuur, dus dat betekent dat de wegen weer onmenselijk saai waren. De highway liep rechtdoor tot aan de horizon en in de wijde omtrek was er niks te zien behalve hier en daar een berg of rots en struiken. Veel struiken. Het werd er niet beter op toen we Navajoland binnenreden. Het was duidelijk dat de Natives niet bepaald met hun gat in de boter waren gevallen tijdens de verdeling van het land. Zand, heuvels, zandheuvels, prikkeldraad, hier en daar een trailerhome, versierd met enkele autowrakken. Nadat we de afslag voor de Grand Canyon hadden genomen doken de roadside markets weer op: enkele kraampjes waaraan de indianen hun handgemaakte sieraden probeerden te verkopen aan toeristen. Er werd niet op een aankondigingsbord meer of minder gekeken. Het meest originele opschrift zagen we toen we enkele verkoopskraampjes een 50-tal meter gepasseerd waren: “Nice Indians behind you”, stond er te lezen.

De mijlen telden af, en de invalshoek van de zon ook. Ik hoopte vurig om de zonsondergang aan de Grand Canyon te mogen zien en te fotograferen. Alleen wilden de verdomde snelheidsbeperkingen niet meewerken. We hielden ons er wel aan, tenzij wanneer ze te belachelijk werden, zoals 25 mph voor een brede bocht die je even goed aan 65 zou kunnen doen zonder daarbij middelpuntvliedende krachten te ondervinden.

De zon stond nog behoorlijk boven de einder toen we de parkeerplaats opreden van het eerste viewpoint. Enthousiast als twee Japanse toeristen hosten we naar de rand van de canyon. Wat we daar zagen was mooi. Punt. Meer valt er niet over te zeggen want woorden zullen toch niet volstaan. Ik raad aan naar google images te surfen en daar “sunset grand canyon” in te typen.
Vanaf Grandview Point, zo’n 20 minuten verder down the road, keken we naar de definitieve zonsondergang. Romantisch, peaceful, rustig en quiet, in het gezelschap van Fransen, Spanjaarden, Amerikanen en Hollanders (you get the point).

Een kwartier verder lag Grand Canyon Village, eerder een verzameling toeristische voorzieningen dan een dorp, en locatie van ons motel. Aan de receptie, wachtend om in te checken, viel voor mij de bijl. Mijn knieën knikten, mijn maag ging op slot en alle energie ging op de loop. Tot overmaat van ramp moest de melkmuil-receptionist MIJN identificatiebewijs zien (dat van Evi was plots niet meer goed genoeg), en dat lag nog in de auto. Op de parkeerplaats. In a land far far away. Of zo leek het toch.

Het was duidelijk dat ik ziek was. Op de verkeerde plaats en op het verkeerde tijdstip. En op de reis waar ik al een half jaar vurig naar verlangde. End of luck for me I guess.