Roadtrip USA, deel V: de Travelodge zag eruit als een gevangenis

De volgende ochtend was het niet goed. Je kunt ziek zijn en wakker worden als een ander mens, maar je kunt ook ziek zijn en wakker worden alsof je tijdens je slaap geopereerd bent. Keelpijn, hoofdpijn, rugpijn, hoest, koorts. Een pijnstiller bracht me half op de been maar in de plaatselijke supermarkt was datzelfde been minder gewillig en probeerde ik al wankelend houvast te vinden. We waren die ochtend van plan te gaan ontbijten op de rand van de Grand Canyon. De Rough Guide raadt een viewpoint aan waar er geen toeristen komen omdat je een mijl moet wandelen om er te komen. De gedachte dat een mijl misschien te ver zou zijn voor mij vond ik zo afstotelijk dat ik vastberaden was om het toch te proberen. En zo geschiedde. We parkeerden de auto op een kleine parkeerplaats. Een hek versperde het pad en een bordje met “private” moest toeristen weghouden. Dat alles negerend trokken we het bos in. De zon scheen, de vogeltjes fluitten en het rook er zo heerlijk naar naaldbomen, ik voelde me al veel beter. Het pad kwam uit op een kleine open plek aan de rand van de kloof. Er stonden enkele barbecuestellen met daarrond wat tafels en stoelen. Het was de perfecte plaats voor een barbecue met wat vrienden. Wat verderop voerde het pad tot op een uitstekende klif vanwaar je een adembenemend uitzicht had op de Grand Canyon links, rechts en recht voor je. Op het uiterste punt zat een vrouw van het uitzicht te genieten, maar voor de rest was er niemand. Toen de vrouw na 5 minuten de terugweg aanvatte hadden we de plek voor ons alleen. Helemaal alleen met de machtige kloof. Het was met voorsprong het mooiste uitzichtspunt dat we al bezocht hadden. (Voor de geïnteresseerden: Shoshone Point).

Na een half uur graaiden we onze spullen bij elkaar en begonnen we terug te lopen. Op hetzelfde moment kwam er ander volk uit de tegengestelde richting, zich er waarschijnlijk op verheugend dat ze zo dadelijk helemaal alleen zouden zijn.

We reden een eindje naar het zuiden, naar Tusayan, om daar de IMAX-film over de Grand Canyon te bekijken. Daarvoor moesten we in het National Geographic Visitor Center zijn, die voor de gelegenheid omgebouwd was tot bioscoop. De geur van pizza en popcorn deed me bijna kokhalzen, dus gingen we buiten in de hitte zitten terwijl we wachtten op de voorstelling. Het was alsof er gewichten aan mijn oogleden hingen. In de zaal zelf was het dan weer ijskoud en ik weet niet beter dan dat ik minstens 6 mensen moet hebben besmet tijdens de voorstelling. De film is wel een aanrader. Zeker als je geen last hebt van motion sickness.

Ik slikte mijn ambities om een omweg te maken langs Monument Valley in, dus reden we rechtstreeks naar Page. Page is een soort van “dorp”, enfin… eigenlijk is het gewoon een verzameling motels en fastfoodketens, zoals de meeste andere Amerikaanse “dorpen” op het platteland, aan de rand van Lake Powell. En Lake Powell is het resultaat van de Glen Canyon Dam. En die laatste is er ironisch genoeg voor verantwoordelijk dat er heden ten dage geen Glen Canyon meer te zien is. Stel je de verontwaardiging voor als er op een dag zou beslist worden tot de bouw van een dam waardoor de Grand Canyon volledig onder water zou verdwijnen. Dat was het lot van de Glen Canyon, een kloof die misschien niet zo diep is als zijn grote neef, maar wel veel betere looks heeft meegekregen van mama natuur. De laatste jaren heeft de droogte er wel voor gezorgd dat Glen zijn kopke deels boven water heeft kunnen steken gedurende enkele maanden maar ik heb geen idee of hij te zien was in de periode dat ik er was want zodra we de oprijlaan van het Travelodge Hotel in Page opgereden waren, en we bij de norse inheemse receptioniste onze keycards opgehaald hadden, ben ik mijn bed ingekropen om er de volgende twee dagen niet meer uit te komen. That’s right: we hadden twee dagen aan Lake Powell en die zou ik heel goed kunnen gebruiken.

Advertenties

Roadtrip USA, deel IV: the canyon gives, the canyon takes

Ik werd dus wakker met hoofdpijn, en omdat ik normaalgezien enkel hoofdpijn heb bij chronische vermoeidheid, en die hoofdpijn gewoonlijk laat op de middag opdaagt, wist ik dat er iets niet in de haak was onder mijn motorkap. Maar goed, die dag stond de Grote Kloof op het menu, en nog veel meer interessante dingen, dus nam ik een sterke pijnstiller en hoopte ik voor de rest dat het zou overwaaien.

Eerst wilden we tanken, en de voorbije dagen is dat geen senicure gebleken aangezien de betaalautomaat steevast naar onze “ZIP-code” vraagt. Evi ging dus naar binnen om te betalen en naar verluid werd ze door de gebrekkig Engels sprekende uitbater behandeld als een gezochte crimineel. Hij wilde de creditcard niet aanvaarden zonder identificatiebewijs. Toen ze haar Belgische identiteitskaart presenteerde wilde hij niet geloven dat het een officieel document was. “Belgium? What’s that??” 
“It’s a country in Europe.”
“Europe?”
Vervolgens weigerde hij te geloven dat het wel degelijk haar eigenste zelf  was die op de foto te zien  was. “That’s not you!”
Het Belgische rijbewijs bracht ook geen zoden aan de dijk: “This does not look like driver’s license!”
“Look here, in English: d-r-i-v-i-n-g   l-i-c-e-n-s-e!”
Toen de arme drommel eindelijk overtuigd was en ik de auto had kunnen voltanken was de beproeving nog niet voorbij. Er moest immers nog een handtekening op het kasticket. Evi zette haar krabbel, welke door de man onderzoekend werd bekeken. “What’s this??”
“My autograph”
“Thát’s your autograph??”
Uiteindelijk heeft ze opnieuw haar identiteitskaart en creditcard bovengehaald om te bewijzen dat het wel degelijk om haar handtekening ging.

 We reden naar het noorden, richting far-weststadje Prescott, om daarna via het mijnwerkersdorp Jerome naar Flagstaff te rijden. Vandaar zou het dwars door de woestijn en Navajoland naar de Grand Canyon gaan.

Prescott lag op het einde van een boeiende weg door de bergen, en was eigenlijk wel een aangename leg-stretch. Geconcentreerd rond het oude gerechtsgebouw, saloons, souvenirswinkeltjes, mannen met boots maar zonder spurs. Veel meer ga ik er niet over vertellen want Jerome was véél interessanter. Eerst slingerde de weg de bergen in, tussen woeste rotspartijen en glimpen van machtige uitzichten op de Grand Staircase (googlen!). Toen we eindelijk over de kam konden loeren zagen we het dorpje tegen de helling geperst, en toen we er binnen reden, besloten we unaniem om er een onvoorziene lunchsstop te maken. We waren in het far-westdorp van Bobejaanland aangekomen. Overal had je een magnifiek uitzicht op de vallei en daarachter de okerkleurige rotsen van het volgende plateau. Het was adembenemend. We hadden ons oog laten vallen op een herberg met een panoramisch terras, genaamd “The haunted burger”, en believe it or not: de enige vrije tafel was die op het uiteinde van het terras. Ik vroeg er een slaatje en kreeg er de oogst van 3 moestuinen opgediend. Evi vroeg een hamburger en……… ja, die kreeg ze ook.

Vol groensels kroop ik opnieuw achter het stuur. We bolden de helling af en staken de vallei over. Daar lag Oak Creek Canyon te wachten, het kleine broertje van de Grand Canyon, maar volgens de inboorlingen ook een nationaal park waard. Ik ben niet geneigd ze helemaal gelijk te geven wat dat nationaal park betreft, maar het is in ieder geval een oogverblindend mooie kloof. Rode rotsen, afgewisseld met donkergroene bomen die de hellingen sieren. De weg liep op de bodem van de canyon, door een sappig groen bos en naast de weg stroomde een bergriviertje (dat tevens verantwoordelijk is voor de kloof). Halverwege stopten we aan Rock Slide State Park. De naam zegt het zelf al: je kunt er over de rotsen glijden. Gezwind in zwemkostuum gehesen trippelden we naar de waterkant waar er een volkstoeloop aan de gang was van mensen die op de vlucht waren voor de temperatuur. Kinderen en volwassenen lieten zich door het water meesleuren over de glibberige afgesleten rotsen. Verstandig zal het niet geweest zijn, maar ik wilde mij behoeden voor jarenlange spijt van de gemiste kans, dus liet ik me samen met Evi in het koude water glijden. In het begin ging het nog behoedzaam, maar eens de stroming ons te pakken had was er geen houden meer aan. De rit duurde een 5 tal minuten. Toen hielden we het voor bekeken.

Wegens tijdsgebrek en geen zin meer, reden we Sunset Volcano National Monument straal voorbij. Als we ooit een vulkaan willen zien gaan we wel naar de Vesuvius. Die leeft tenminste nog. Evi zat opnieuw achter het stuur, dus dat betekent dat de wegen weer onmenselijk saai waren. De highway liep rechtdoor tot aan de horizon en in de wijde omtrek was er niks te zien behalve hier en daar een berg of rots en struiken. Veel struiken. Het werd er niet beter op toen we Navajoland binnenreden. Het was duidelijk dat de Natives niet bepaald met hun gat in de boter waren gevallen tijdens de verdeling van het land. Zand, heuvels, zandheuvels, prikkeldraad, hier en daar een trailerhome, versierd met enkele autowrakken. Nadat we de afslag voor de Grand Canyon hadden genomen doken de roadside markets weer op: enkele kraampjes waaraan de indianen hun handgemaakte sieraden probeerden te verkopen aan toeristen. Er werd niet op een aankondigingsbord meer of minder gekeken. Het meest originele opschrift zagen we toen we enkele verkoopskraampjes een 50-tal meter gepasseerd waren: “Nice Indians behind you”, stond er te lezen.

De mijlen telden af, en de invalshoek van de zon ook. Ik hoopte vurig om de zonsondergang aan de Grand Canyon te mogen zien en te fotograferen. Alleen wilden de verdomde snelheidsbeperkingen niet meewerken. We hielden ons er wel aan, tenzij wanneer ze te belachelijk werden, zoals 25 mph voor een brede bocht die je even goed aan 65 zou kunnen doen zonder daarbij middelpuntvliedende krachten te ondervinden.

De zon stond nog behoorlijk boven de einder toen we de parkeerplaats opreden van het eerste viewpoint. Enthousiast als twee Japanse toeristen hosten we naar de rand van de canyon. Wat we daar zagen was mooi. Punt. Meer valt er niet over te zeggen want woorden zullen toch niet volstaan. Ik raad aan naar google images te surfen en daar “sunset grand canyon” in te typen.
Vanaf Grandview Point, zo’n 20 minuten verder down the road, keken we naar de definitieve zonsondergang. Romantisch, peaceful, rustig en quiet, in het gezelschap van Fransen, Spanjaarden, Amerikanen en Hollanders (you get the point).

Een kwartier verder lag Grand Canyon Village, eerder een verzameling toeristische voorzieningen dan een dorp, en locatie van ons motel. Aan de receptie, wachtend om in te checken, viel voor mij de bijl. Mijn knieën knikten, mijn maag ging op slot en alle energie ging op de loop. Tot overmaat van ramp moest de melkmuil-receptionist MIJN identificatiebewijs zien (dat van Evi was plots niet meer goed genoeg), en dat lag nog in de auto. Op de parkeerplaats. In a land far far away. Of zo leek het toch.

Het was duidelijk dat ik ziek was. Op de verkeerde plaats en op het verkeerde tijdstip. En op de reis waar ik al een half jaar vurig naar verlangde. End of luck for me I guess.

Roadtrip USA, deel III: “Ze hebben hier van die grote cactussen”.

Howdy!

Even niks meer van mij gehoord, maar dat heeft zijn logische redenen. Laat ons de draad oppikken waar ik hem heb laten rondslingeren. Ergens in Palm Springs.

Woensdagmorgen, 6u, Maarten ligt klaarwakker in zijn bed te zweten dat het niet meer netjes is. Buiten heeft het daglicht al een flink pad langs de hemel afgelegd. Tijd verliezen is niks voor mij, en slapen is toch wel een beetje tijdverlies, dus schiet ik in mijn kleren en trek ik erop uit voor een fotografische verkenning van de omgeving. Het moment was uitstekend: de enige levende zielen die ik tegenkwam waren gesportschoende senioren met hoogopgetrokken witte kousen die hun keffer aan het uitlaten waren. Sommigen keken in het voorbijgaan even over de rand van hun sportzonnebril en knikten daarbij even. Overal sisten de automatische bewateringsbuisjes die de straatbeplanting in het gareel moest houden. Zoniet zou elke plant hier binnen de korste keren een gewisse dood sterven. Dit was tenslotte nog steeds de woestijn. Palm Springs lijkt overigens goed op een soort van Zorro-stadje met Europese invloeden zoals  pleintjes en terrasjes. In hoeverre het allemaal authentiek is weet ik niet, maar laat ons er maar niet te enthousiast over worden.

Die dag lag ons eerste nationale park in het verschiet: Joshua Tree. Op papier het minst tot de verbeelding sprekend, maar dat was tot we over een eenzame tweevaksbaan een landschap binnentuften dat eigenlijk redelijk buitenaards aandeed. Ik had een woestijnlandschap verwacht met hier en daar een Joshua tree. Wat ons echter werd voorgeschoteld was een landschap van machtige granietrotsen, met daartussen sprookjesachtige valleien die krioelden van de Joshua trees en de cactussen. Boven ons cirkelden roofvogels en telkens we uitstapten om foto’s te maken zagen we wel ergens een hagedis tussen de gloeiende stenen wegglippen. We waren op voorhand gewaarschuwd voor ratelslangen en schorpioenen, en met een beetje verbeelding zat er wel ergens een coyote op de loer in afwachting van een eventuele roadrunner. Ik vond het allemaal fantastisch tot de verbeelding sprekend. Op ons dooie gemak reden we naar Keys’ View om er het uitzicht te bewonderen dat tot de Salton Sea ging, om daarna à l’ aise dwars door het park naar de zuidelijke uitgang te rijden. Het klinkt kort maar het nam wel ettelijke uren in beslag.

Daarna wachtte ons de dodelijk saaie rit over de Interstate 10 naar Phoenix. Die ging rechtdoor, rechtdoor en aan de andere kant van de horizon nog wat verder rechtdoor. Tot we volledig murw in Phoenix aankwamen, stad van snelwegen die dwars door het centrum lopen in plaats van eromheen, stad van recht op recht, stad van geen restaurants, stad die eigenlijk één grote suburb lijkt te zijn, stad van het fantastische Best Western motel. We stapten uit en de hitte sloeg ons in het gezicht met een mokerhamer. Even dacht ik dat ik voor een heteluchtblazer stond. Dit was extreem. Na de checkin bij – het dient gezegd – de vriendelijkste receptioniste van het Westelijk Halfrond, sleurden we onze bagage onze kamer in en repten ons naar het zwembad. De thermometer aan de muur wees 47 graden, maar erg betrouwbaar vond ik die meting toch niet echt gezien de warme muur waaraan hij hing.
Na een uurtje zwemmen en bubbelbaden ben ik een beetje stilgevallen. Mijn maag plakte tegen mijn rug, maar toch had ik in de verste verte geen honger. We gingen later op de avond op zoek naar een plaats om op het gemak wat te eten (tegen mijn zin, maar niet eten is ook geen optie), maar we vonden niks behalve wat groezelige fastfoodketens waar je liever niet binnengaat na 21u. Evi kwam met een fantastisch en o zo Amerikaans idee: diepvriesmaaltijden uit de supermarkt. En zo kwam het dat we een half uurtje later allebei op het bed uit een kartonnen bordje zaten te scheppen terwijl we op CNN naar het zoveelste geleuter over Michael Jackson luisterden. Ik ging slapen met barstende hoofdpijn en ik werd er ’s morgens weer mee wakker. Oh yes.

Roadtrip USA, dag II: Run to the hills

Dag 1 in het hopeloos failliete Californië dat desalniettemin in één ding geïnteresseerd is: de uitvaartplechtigheid voor Michael Jackson. Het dwong ons tot een verandering van reisroute: downtown L.A. links laten liggen en een meer noordelijke highway uitkiezen. Die bracht ons na een trip door een waas van smog, in het woestijnlijke Palms Springs, na een rit van twee uur. We reden bij het binnenrijden van dit stadje voorbij het tourist information center en besloten hier een eerste keer te stoppen, in de hoop een plattegrond op te scharrelen. Toen we uitstapten sloeg de woestijnwarmte ons in het gezicht met een zware mokerhamer. Vreemd: in de woestijn is het niet zozeer de zon die warmte geeft, de warmte komt evenzeer uit de grond. De twee tesamen zorgen voor een echt bakoveneffect waar zelfs de schaduw niet aan ontsnapt. Een plattegrond hadden ze er wel, en daarmee reden we verder naar ons motel waar ze ons vertelden dat we nog niet konden inchecken. Ons programma voor die dag bestond erin dat we de gloeiend hete woestijnbodem zouden ontvluchten en toevlucht zouden zoeken in de bergen die aan Palm Springs grenzen. Die bergen bereik je het beste door middel van de Aerial Tramway, in mijn streek beter bekend onder de naam “telefriek”, en in meer beschaafde delen van het land onder de naam “kabelbaan” of misschien zelfs “gondelbaan”. Anyways, om die kabelbaan te bereiken moest je aan de tourist information rechts afslaan (wat we ook gezien hadden toen we er de eerste keer passeerden), dus konden we weer wat tijd vullen met de volstrekt nutteloze terugrit na de volstrekt nutteloze heenrit naar ons hotel.

Rond kwart na 1 kwamen we aan in het dalstation (laat ons het maar zo noemen). De gondel bracht ons naar  enkele duizenden feet, vraag me niet hoeveel want ik weet het al niet meer. Ik heb geen verstand van die Amerikaanse eenheden. De lucht rook er naar sparren en het was er ook aangenaam koel en groen. Eekhoorntjes kwamen er praktisch aan je enkels snuffelen en hagedissen bevolkten de zongewarmde rotsblokken. De tuin van Eden zal er niet erg verschillend uitgezien hebben; op de appelboom na. We maakten er een kleine fijne wandeltocht met prachtige uitzichten op de zonovergoten woestijn en de stad.

In de latere namiddag keerden we terug naar ons hotel in Palms Springs, beter bekend als het Benidorm van Californië. Of er veel zestigplussers toeven weet ik niet echt want het is hier niet bepaald het toeristisch hoogseizoen, getuige de vele gesloten eetgelegenheden, maar het is wel een shop- en horecawalhalla. Daarna is het ook een enorme waterslokop. Zeg nu zelf: een stad in de woestijn die volgeplant staat met palmbomen, waar achter elke straathoek een nieuw golfterrein roept, en waar er her en der zwembaden worden bijgetankt.

Over zwembaden gesproken: ons motel had er ook één en daar kon je ons de rest van de dag vinden. Zei ik zwembad? Ik bedoelde eigenlijk bubbelbad. Openlucht, jazeker. Mét uitzicht op de bergen ja. En praktisch privé want er was slechts één andere familie aanwezig.

Later op de avond, daarnet dus, hebben we Mexicaans gegeten op een terras dat verkoeld werd door waterverstuivers. Logisch. Verstandig. Het is als een clochard die op krediet elke avond in de Hilton gaat slapen alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Program voor morgen: Joshua Tree National Park. Nooit van gehoord? Dan bent u beslist geen U2-fan (ennnnnn googlen maar!). Daarna rijden we naar Phoenix, Arizona voor onze volgende overnachting. Tot daar!

Roadtrip USA, deel I: van de grond gaan

Wat doen jullie op lange transatlantische vluchten? Slapen? Eten? Slapen? Film kijken? Een boek lezen? Kruiswoordraadsels oplossen? Vast wel. En dit zijn ook de activiteiten waarmee ik een hele dag heb weten te vullen op de vlucht van Londen naar LA. 11u20min waren vooropgesteld. 12u en 20 minuten zijn het geworden, nadat ons geduld eindeloos op de proef was gesteld, eerst door een stel druiloren die naar verluid (zo zei de captain toch) niet tevreden waren met het gegeven dat hun stoelen kapot waren en niet achterover konden leunen. Daarna konden we niet opstijgen vanwege het naderende slechte weer. Als vliegtuigen enigszins evenveel beenruimte zouden bieden als treinen, dan zou het nog draaglijk geweest zijn. Maar waarschijnlijk is dat ook de reden waarom iedereen klaagt dat de treinen altijd te kort zijn. Soit, andere discussie. Vliegen is dus lastig. Eerst moet je de gedachte volledig verbannen dat er een mogelijkheid bestaat dat het ding de dieperik induikt en je de vreselijkst denkbare doodsangst staat te wachten. Daarna moet je je benen in één of andere plooi zien te leggen die anatomisch onmogelijk medisch verantwoord genoemd kan worden, en daarna moet je de verveling verdrijven met activiteiten waar je je nooit mee bezig gehouden zou hebben als je niet in een vliegtuig had gezeten. Als een trip naar het toilet een “verademing” genoemd kan worden, dan weet je dat je dodelijk verveeld bent. Uiteindelijk zijn we wel veilig geland. Vlotte vlucht, geen enkel probleem. Vervolgens de auto opgepikt. Budget heeft wel interessante prijzen, hun personeel is wel wat minder interessant. Ik vroeg om assistentie aan een latino personeelslid dat heel gebrekkig Engels sprak. Die zei dat we een auto uit rij 3 mochten kiezen en ons daarna naar de uitgang begeven, zoals je bij de péage op een Franse autosnelweg passeert. We kozen (of tenminste: ik koos, want Evi had er niet echt een mening over) een zwarte Nissan Almira. Vinnig ding. Trekt hard op. Bij de uitgang gekomen werden we resoluut teruggewezen door het personeelslid aldaar. We waren geen lid van het zogenaamde “Fasttrack”, dus moesten we eerst naar de inschrijvingsbalie. En zo geschiedde. Gelukkig was het meisje achter die laatste balie wel heel behulpzaam. Met auto en al scheurden we (zei het heel behoedzaam) de freeway op. In de verkeerde richting. En dat zou niet de laatste keer zijn. Op de Interstate aangekomen verzandden we in een dampen wasemende file waardoor we – goed idee, Evi, – uiteindelijk onze toevlucht zochten in Mulholland Drive, de befaamde heuvelweg met verbluffende uitzichten op de stad, en natuurlijk een hoofdrolspeler uit de gelijknamige film van David Lynch. De uitzichten waren inderdaad verbluffend. En de weg zelf leek weggelopen uit een BMW-reclamespot. Na nog enkele kleine, maar onvermijdelijk verkeersovertredingen, zijn we erin geslaagd in onze eerste lodge aan te komen, vanwaar ik nu deze blogpost schrijf in een Word-document. Het is 19u ’s avonds maar de klok van de laptop zegt dat het 4u ’s nachts is. Echt moe voelen we ons nochtans niet echt. Ok, misschien wel een beetje moe, maar alleszins geen allesverwoestende, ooglidneerslaande klap van de hamer. Voorstel: morgen schrijf ik hier een vervolg op en zoek ik een manier om dit online te krijgen.

Met de nadruk op Start.

Woohoo!
Morgen is het zover. Na maanden voorbereiden (min of meer) en plannen, vertrek ik morgen voor mijn road trip langs de nationale parken van de VS.
Lang geleden dat ik hier nog eens gepost heb, maar het werk en liefdesleven heeft me nogal overvallen en daardoor mijn “patroon” verstoord laten we maar zeggen.
Maar goed, de bedoeling is dus dat ik vanuit het Wilde Westen voor zeer regelmatige updates zal zorgen, en wel zo sappig en sensatiezwanger als maar mogelijk is. Op die manier zou ik deze blog graag een doorstart geven, tenminste als daar nog interesse voor is….

Morgen zit ik een hele dag op onrustwekkende hoogte waar ik op regelmatige basis de onrustwekkende staat van de spataderen in mijn kuiten zal controleren waarbij ik ongemakkelijk van links naar rechts zal schuiven uit vrees voor doorzitwonden en dergelijke. Ik ben niet gemaakt voor vliegtuigen.

Bon, meer details in de volgende post!

Nog 50

“Ik heb een hekel aan die kijk-eens-naar-mij-cultuur”, zei de traditionelere collega terwijl ze uit het raam van de leraarskamer neerkeek op de speelplaats waar de laatstejaars bezig waren met hun 50-dagen act.

Daar zit iets in. Maar met een dergelijk festival der korte rokjes daar beneden ben ik daar tolerant in.

Waar ik niet tolerant voor ben zijn die vervelende collega’s die zich het middelpunt van het lerarenkorps wanen en zich moeien met alles wat in de leraarskamer gebeurt, die ook altijd aanwezig zijn, die spreken over problemen waar ze zelf waarschijnlijk niks mee te maken hebben of zelf uitvinden, die een ziekelijk irritante stem hebben, die de ruimte rondfladderen met de kop koffie in de hand en doen alsof ze met vanalles heel druk bezig zijn en die op de koop toe achterlijke grapjes en opmerkingen maken. De kenners weten nu al dat ik het over een vrouwelijke collega heb.

Hopelijk ben jij geen collega van mij, en if so: je weet toch niet over welke school ik het heb. Ik heb er dit jaar 5 de revue zien passeren. Kies maar.

50 dagen….. Klinkt 100 dagen niet veel beter? En is het derde trimester zo al niet lachwekkend verwaarloosbaar? Anderzijds: bij 100 dagen mag je al blij zijn als het meer dan 10 graden is die dag. En dat je niet beklad wordt aan de schoolpoort.