Been there, done that

Jordanië: laatste deel

“De cirkel is rond…”

…zo besefte ik toen ik die zaterdagmiddag van het hotel wegliep, blinkend van zonnecrème en zweet. We liepen in dezelfde richting als we op dag één hadden gedaan en hadden min of meer hetzelfde doel voor ogen (een taxi vinden die ons ergens midden in de stad zou droppen), dus was het een beetje als een déjà-vu. We waren slechts 8 dagen verder, maar wat een verschil! We wisten precies waar we een taxi zouden nemen, hoeveel we voor die taxi zouden betalen en waar hij precies heen moest rijden: King Adbullah Mosque. De eerste dag waren we wat onwennig een prijsonderhandeling gestart met de eerste de beste taxi die voor het hotel stond. We wilden naar de buurt van het Romeinse theater toen, zonder echt te weten wat er daar overigens nog te doen was of te beleven viel.
Vandaag wisten we precies wat we zouden doen na het moskeebezoek. We wisten hoe we ons zouden verplaatsen, welke buurten we zouden bezoeken en hoeveel tijd we er zouden doorbrengen. Het klinkt allemaal misschien wat krampachtig en hopeloos kapotgepland, maar we moesten de rest van de dag in de stad kunnen vullen. Rond 0u30 zouden we aan ons hotel opgepikt worden door iemand van het reisagentschap, die ons naar de luchthaven zou voeren. Het was 12u, en we hadden dus 12,5u voor de boeg zonder ‘thuisbasis’.

To the mosque! Where you pray! To Allah! With the blue dome! Like the sky!

Ander verschil met de eerste dag: ik had mij deze keer wél ingesmeerd met zonnecrème. De eerste dag was ik het glad vergeten. Waarom ik u dit volstrekt oninteressant en schaamtelijk feit mededeel weet ik zelf niet. Anyway, met relatief veel zelfvertrouwen liepen we langs één van de grote boulevards van Amman, ergens tussen de Seventh en Eighth Circle. Al snel stopte er een taxi. Ik keek door het open raam naar binnen, en mijn blik werd beantwoord door de olijke ogen van een kleine, kale taxichauffeur. De man zag er doodbraaf en betrouwbaar uit, maar desondanks informeerde ik of hij wel met een meter werkte. Hij bevestigde met een gebaar richting een rechthoekig apparaat achter de pook.
Het was pas toen we allebei op de achterbank zaten, dat we tot de vaststelling kwamen dat de man alleen Arabisch sprak. Zijn talenkennis was zo zwak dat hij zelfs geen eigennamen meer begreep van zodra ze in de context van een niet-Arabische taal waren geplaatst. Dus toen ik hem vroeg ons naar de King Abdullah Mosque te brengen, begreep hij ons niet. Voor de duidelijkheid: de moskee in kwestie is de grootste van de stad en van het land. De betekenis van het gebedsgebouw voor de stad is te vergelijken met die van de Notre Dame voor Parijs.
Griet was die dag wat minder geduldig dan normaal: terwijl ik die nacht mijn buikbacterie definitief had verslagen, had zij er zelf één opgelopen. Al gauw ontspon zich tussen haar en de chauffeur een conversatie van de soort die Italianen en Spanjaarden er ook wel eens plegen te hebben. Doe de test: probeer eens de weg te vragen aan een Italiaan. Hij of zij zal hoogstwaarschijnlijk enkel Italiaans spreken en ondanks het feit dat jij er geen iota van begrijpt, zal hij ervan overtuigd zijn dat als hij Italiaans blíjft spreken, je het vanaf een bepaald punt wel zal beginnen snappen.
Griet bleef dus pogingen ondernemen om de man in het Engels uit te leggen wat en waar de moskee was, en ze werd daarbij vlot van antwoord bediend door de chauffeur in het Arabisch. Ik vond het wel grappig hoe ver ze daarbij ging:
Griet: “The mosque!!”
Chauffeur: “(Arabische tekens)”
Griet: “Where you pray!”
Chauffeur: “(Arabische tekens)”
Griet: “Where you pray! To Allah!!”
Chauffeur: “Allah?”  Dat had hij blijkbaar wel begrepen. Vermoedelijk dacht hij dat we naar Allah wilden en dus gewoon een totaal verknipt Westers stel waren.
Griet: “Yes, to Allah. In the mosque. The big one, with the blue dome!”
Chauffeur: “(Arabische tekens)”
Griet: “The blue dome! Blue! Like the sky!”
“Ik denk dat je hem totaal in verwarring brengt”, zei ik ten slotte terwijl ik voor de dertigste keer door de Lonely Planet bladerde, er heilig van overtuigd dat er ergens een foto in stond van de moskee. Het Eurekamoment bleef te lang uit, dus duwde ik de man mijn reisgids onder de neus, opengeslagen op een bladzijde met een klein plannetje van de stad. Ik wees hem op het kaartje het cijfer 11 aan, wat verwees naar de moskee.
“Eleven!”, zei ik hem, waarbij ik mijn wijsvinger bijna door het papier drukte alsof ik zo nóg wat duidelijker kon wijzen. Hij zei enkele dingen in het Arabisch waar ik helemaal niks kon uit opmaken en gaf toen de reisgids terug. Hij bleef praten terwijl hij gas gaf en vertrok, en tussendoor lachte hij in zijn achteruitkijkspiegel, alsof hij net een mop had getapt. Ik glimlachte even en leunde daarna achterover om de wind die door het open raam kwam door mijn haar te laten blazen.
“Nu zal hij het wel begrepen hebben”, zei ik tegen Griet. “Ik zou niet weten hoe ik het duidelijker kan uitleggen dan het hem te tonen op een kaart”.
Zoals gewoonlijk was het was de optimist in mij die sprak, want eigenlijk wist ik zelf ongeveer in welke richting ik de moskee moest situeren, en dat was niet de richting waarin we aan het rijden waren. Mijn vrees werd waarheid toen we ‘ergens’ stopten aan de kant van de straat. Er was niks bijzonders in de buurt te zien, en al zeker geen moskee.
Opnieuw brak er een strijd los tussen Engels en Arabisch, Griet vs chauffeur. Hoe langer het duurde, hoe bitsiger Griet uit de hoek kwam, gedreven door frustratie. Natúúrlijk vonden we die man een idioot omdat hij geen Engels sprak en geen kaart kon lezen. Maar anderzijds dacht hij waarschijnlijk hetzelfde van ons. Ikzelf raakte ook steeds meer gefrustreerd, maar dan omdat ik nog steeds de foto van de moskee niet kon terugvinden in de Lonely Planet.
Maar dan kwam het eurekamoment er toch: iets donkerblauws op één van de pagina’s. Het was een foto van de blauwe koepel van de moskee. Ik liet de chauffeur de afbeelding zien. Er verscheen een blik van herkenning op zijn gezicht en hij begon sneltreinarabisch te praten en te lachen. Ik begreep er geen snars van, maar vermoedelijk zei hij iets in de aard van:
“Aaaaaah! De moskeeeeee!? Maar dat spreek je normaalgezien zó uit: (een verzameling keelklanken alsof er zojuist een mot zich achter zijn huig had verstopt). Hoor je? Zó: (het zou ook kunnen dat hij gewoon fluimen aan het ophalen was, wie zal het zeggen). “Man, jullie westerlingen zijn echt wel oliedom. Hier, geniet nog wat verder van de prachtige hektische religieuze liederen die ik de godganse dag in mijn taxi draai.”
Hij draaide de volumeknop verder open en vertrok in de tegengestelde richting.

De moskee

We belandden uiteindelijk niet in de moskee, maar onder een boom in een rustig park, omgeven door een residentiële woonwijk. De moskee bleek nog een uur gesloten te zijn, dus hadden we toevlucht gezocht in het park, weg van de drukte, om er een uurtje niks te doen behalve lezen. In elk park lopen er wel een paar weirdo’s rond die smeken om je aandacht, en bij ons kwam de eerste kwam al na vijf minuten: iemand die één of ander snoepgoed verkocht en die continu al blazend met zijn lippen langs een plastieken panfluitje ging terwijl hij door het park slenterde. Hij bleef bijzonder lang voor ons staan, in de waan dat we, nadat hij een derde keer op zijn irritante fluitje had geblazen, meer geneigd zouden zijn wat van zijn vreemd spul te kopen.

Na een uur onderbraken we onze siësta om een nieuwe poging te ondernemen de moskee te bezoeken.  Toen we door het hek van de toeristeningang liepen werden we door twee bewakers opgewacht. Om verder te mogen moest Griet letterlijk in een nieuw kleedje gestoken worden. Ik moest helemaal niks, behalve 8 JD ophoesten voor ons beiden.
Griet kwam terug in een zwart kleed mét kap, als een personage uit een welbepaalde reeks onozele thrillers waarin een idioot met een mes een bende nog idiotere tieners op de hielen zit.

De deur van de gebedsruimte kraakte toen we die blootsvoets openduwden. De ruimte achter de deur was rond en halfduister. In het midden op de met tapijten bedekte vloer waren enkele mannen aan het bidden. Ze zaten op hun knieën en lieten herhaaldelijk hun voorhoofd de grond kussen. Eén van hen had zijn GSM en pakje sigaretten netjes naast zich neergelegd.
Ik had wat schroom om ver de moskee in te lopen, dus bleef ik in de achterste halve cirkel, dicht bij de muur, en nam van daaruit enkele foto’s.

Plan A

Na de moskee keerden we terug naar ons plekje in het park, waar we bezoek kregen van weirdo nummer twee. Deze liep minstens een uur lang voor onze neus te ijsberen terwijl hij geregeld nerveus op zijn horloge keek. Twee keer viel hij ons lastig: de eerste keer om te vragen hoe laat het was (als zijn horloge kapot was weet ik niet waarom hij er daarna voortdurend op zat te kijken), en een tweede keer om mij te waarschuwen voor de brandende zon, en dat ik er goed aan zou doen iets op mijn hoofd te zetten.
Na een lange siësta stippelden we ons verdere programma in Amman uit. We zouden de heuvel afdalen en de volgende beklimmen, Jebel Amman genaamd, omdat daar een bioscoop te vinden was en enkele interessante cafés.

De hitte, de helling, het getoeter van de taxi’s die ons wilden meenemen, het commentaar van de locals….  Je kon maar beter je verstand op nul zetten als je al wandelend door Amman geen punthoofd wilde krijgen. Bovendien zou ik op die manier nog voldoende bufferruimte over hebben om de volgende tegenslag te incasseren: het ontbreken van de bewuste bioscoop. Die had plaats moeten ruimen voor het ministerie van financiën. Tot overmaat van ramp bleef ik ook in mijn zoektocht naar een geschikte postkaart voor Linn succesloos (ik ben niet snel content).

Plan B

Tijd voor Plan B: Abdoun Circle, met zijn fancy bars, restaurants en bioscoop. Een taxi met airco gooide ons pal op de circle eruit en we wisten niet waar we eerst moesten gaan. Het aanbod was overweldigend. Daarbovenop kreeg Griet een sms dat de Belgische beloften het tot in de halve finale van het olympisch toernooi hadden geschopt. Taxi met airco, uitrusten, veel cafés en schitterend sportnieuws: het zorgde ervoor dat mijn frustratiebuffer weer aangroeide. Ik kon weer tegen een stootje.
Dat stootje kwam al gauw: de bioscoop op Abdoun Circle bleek ook niet meer te bestaan. Daarbij was er geen enkele “normale” bar te vinden met een “normaal” terras waar je “normale” dingen kunt krijgen, geserveerd door “normale” obers. Self-service koffiehuizen, exotische coctailbars, een Subway, een Pizzahut, een gesloten Irish pub, een chique tavernetoestand, en een ijssalon. Dat was de keuze.
Weinig later zat ik op het terras van het ijssalon met een bol citroen en een bol mango, en Griet met een flesje water en een hoop ergernis omtrent de toestand van haar innerlijke mens.

Plan B bis

De laatste kaart die we konden uitspelen – plan B bis – heette Blue Fig bar, die in de Lonely Planet lovend werd omschreven. Blue Fig lag op het eind van de straat, een straat die verdacht veel weg had van de E40, geflankeerd door een smal trottoir. Aan de zijstraten (of beter: ‘afritten’) waren geen zebrapaden, dus moesten we die telkens al rennend oversteken terwijl auto’s aan hoge snelheid aanstalten maakten de afrit in te slaan. Mijn buffer smolt als sneeuw voor de zon.
Blue Fig kwam net op tijd en was perfect (op één ding na). De inrichting was modern met veel hout, veel licht, een wijnkleurige tegelvloer in natuursteen en een portier die ons vriendelijk begroette. Achteraan was er een gezellig terras, omsloten door planten en beschut tegen de zon door enkele grote houten parasols. Het personeel bestond enkel uit mannen en telde meer hoofden dan het volk dat de terrasstoelen bezet hield (een 10-tal mensen, hoofdzakelijk meisjes). Uit speakers die ik niet kon zien klonk loungemuziek. Er werd gerookt en er werden alcoholische dranken gedronken. We waren duidelijk in een progressief nest beland. Perfect (op één ding na).
Eén van de 59 obers bracht ons een design-esque kaart, die warempel een aparte pagina had voor de bieren, gerangschikt volgens land. Behalve….. je hoort mij al komen……. België. Toch niet zo perfect dus. Een bierkaart met een relatief ruim assortiment aan bieren uit verscheidene landen, maar niet uit België, dat moet ongeveer hetzelfde zijn als een wijnkaart met wijnen uit Italië, Spanje, Zuid-Afrika, Chili, de VS en Australië maar niet uit Frankrijk.
Bier uit Nederland (for God’s sake), Ierland, Duitsland, Denemarken, de VS, Mexico, Australië en Frankrijk: een schande. Meer zal ik er niet over zeggen.

Ik bestelde een halve liter Amstel. En PAF! Geef toen: die had je ook niet zien aankomen he? De Amstelval was al dichtgeslagen en ik had hem niet eens zien aankomen. Dorst, een lege frustratiebuffer, een voordelige prijs, en het idee “dat bier bier is”: a lethal combination. Na 4 slokken zat ik me dood te ergeren aan het gele hopmengsel en aan mezelf, en bovendien zat er niet genoeg alcohol in het spul om de leeglopende buffer aan te vullen.

De grootste grap kwam toen ik ober nummer 23 vroeg of hij op het Lonely Planet-kaartje (wat een product placement de hele tijd!) een bioscoop kon aanduiden behalve die twee die we eerder die middag hadden proberen te vinden. Ik had duidelijk niet de strafste geest van het etablissement vastgestekt want na 5 minuten stond hij nog steeds grijnzend met zijn wijsvinger over het kaartje te schuiven.
“Here!”, zei hij tenslotte, de vinger pal op het ministerie van financiën.
-“We’ve already been there, and it’s gone!”, zuchtte ik.
De man vroeg versterking aan enkele van zijn werkloze collega’s en binnen de kortste keren stonden vier obers rond de Lonely Planet verzameld. Eén van hen had een balpen en was druk bezig met wat verdacht veel leek op het tekenen van een route op het kaartje. Ik hoopte dat het personeel van de stadsbibliotheek vergevingsgezind zou zijn.
Toen ze na hun beraadslaging ons het kaartje toonden bleken het gelukkig enkel kruisjes te zijn: ééntje nog maar eens bij het ministerie van financiën, ééntje op Abdoun Circle (zucht), en ééntje in de City Mall, dicht bij ons hotel.
“They play movies in the original version there?”, vroeg ik. De obers knikten enthousiast. “Sure! Yes! American!”
Ze waren zo behulpzaam dat ik even overwoog hen op te dragen een sectie Belgische bieren op te nemen in hun drankenaanbod maar ik zag er uiteindelijk van af.

The mall

Een ontsnapte gek die een taxi had weten te stelen racete ons naar de City Mall. Met hartkloppingen en een piekend adrenalinegehalte stapten we uit de taxi en keken op naar een kolossaal rechthoekig gebouw met een oprit en portaal als dat van een vijfsterrenhotel. Aan de ingang werden we gescand op metalen voorwerpen. De detector ging crescendo, maar de bewaakster liet ons toch door.
Het was een shoppingcenter zoals we er in Brugge alleen maar van zouden kunnen dromen. Glinsterende tegels, marmer, glas, staal, roltrappen, muziek, veel mensen, 4 of 5 verdiepingen, cafés, restaurants, een bioscoop en schoonmakers met gevoel voor humor.
De bioscoop bevond zich op de kelderverdieping. We kochten een kaartje voor The Black Knight (5 JD, oftewel 5€) en vulden de twee uur die ons nog restten voor het begin van de film met het afhaspelen van elke verdieping, waarna we nog een uur in de Pizza Hut doorbrachten (in een shopping center moet je ook geen ander soort eetgelegenheden verwachten). Het leek in alle opzichten op de Westerse wereld, behalve dan dat de meisjes die naast ons voor de Burger King hamburgers zaten te eten en hun laatste aankopen aan het showen waren, een hoofddoek droegen.
“Mooi shopping center”, zei ik tegen Griet. “Alleen jammer dat er zoveel allochtonen zijn.”

De film begon 20 minuten te laat in een zaal die afgeladen vol zat. Links van ons zat een man met zijn twee kinderen. Ze waren ongeveer vijf jaar oud, dus kon je je afvragen of de vader voor de kinderen naar die film kwam kijken, of dat de kinderen eigenlijk mee moesten met de vader. Achter de schermen stond de draaiknop van de airconditioning helemaal naar rechts gedraaid, in de donkerblauwe zone. Een ijzige wind sneed door de stoelen, maar gelukkig had ik in die week Jordanië een overtollige restwarmte opgeslagen waar ik nog lang mee zoet zou zijn. En tijdens de film stond het geluid zo hard dat ik het grootste deel van de tijd Griets klapperende tanden niet kon horen.

One last taxi

Is dit het moment om te schrijven wat ik van de film vond? (Neen!) Goed dan. 2,5 uur later stonden we weer in de warmte van Amman, maar niettemin kon ik de huiveringen die door mijn lijf gingen amper onderdrukken. Een combinatie van hardcore airconditioning, en spanning voor het vertrek dat nu wel heel dichtbij gekomen was. We zouden terugkeren naar het hotel en daar nog een uur of twee in de lobby doorbrengen tot omstreeks 0u30 de man van ons reisagentschap zou komen opdagen om ons naar de luchthaven te voeren.
Via een voetgangersbrug staken we de drukke weg over om een taxi aan te houden. Na een halve minuut hadden we al beet. Ik toonde de chauffeur een visitekaartje van ons hotel en vroeg “how much?”, in de hoop dat hij naar zijn meter zou wijzen.
“5 JD!”
-“5?? What about the metre?”
-“Metre does not work. It’s too late in the evening.”
-“Ok, I’ll just find another taxi.”
-“There is not any taxi with a metre at this time in the evening.”
-“We’ll see.”

Toen ik mijn aandacht weer op de autostroom vestigde die onze richting uit kwam, vertrok de taxi opnieuw . Een tweede kandidaat stopte en ik toonde weer het visitekaartje.
“5 JD!”
-“But the hotel is right there, we can practically see it!”, zei Griet, die er was komen bijstaan.
-“I’m sorry.”
We lieten hem voor wat hij was en maakten aanstalten om een andere taxi tegen te houden. De man vertrok, maar vanuit mijn ooghoek zag ik hem plots stoppen en terugkeren. Ik stak mijn hoofd opnieuw door het raam.
“Actually, your hotel is on my route. I can drop you off.”
-“For how much then?”, vroeg ik hem argwanend.
-“What have you got?”
-“Ehm…… 1 JD?”
_”Ok”

Toen we 5 minuten later voor het hotel stopten gaven we de chauffeur uit dankbaarheid een riante fooi bovenop zijn ene dinar. Waarschijnlijk zou hij ons zelfs voor 10 cent hebben meegenomen want voor hem maakte het niet uit gezien hij toch deze richting uit moest. Het was eerder een vriendelijke lift dan een taxirit.

Eclips

In de lobby kocht ik in extremis een postkaartje voor Linn en na een half uur gewacht te hebben in de zachte sofa, kwam een jonge kerel op ons toegelopen.
“To the airport?”, vroeg hij.
-“Yes”
-“Can we leave now?”. Zijn ogen verraadden nervositeit. Het was amper 23u.
We gooiden onze rugzakken in de koffer van een uiterst kleine Hyundai. Onze chauffeur gooide de pook in de eerste van slechts 4 versnellingen en vertrok op wat een vinnige rit naar de luchthaven zou worden. Hij was duidelijk gehaast.
Blijkbaar was er een misverstand geweest in zijn communicatie met Nasser, want hij had begrepen dat hij ons om 21u moest komen ophalen, en niet om 0u30. Daarom was hij eerst wat pissig omdat wij eerst niet op de afspraak geweest waren. Toen het misverstand uitgeklaard was veranderde hij in zijn Jordaanse zelf en verscheen er een brede grijns op zijn gezicht.
“Did you like Jordan?”
“Yes!”

Op de weg van Amman naar de luchthaven werden we uitgewuifd door grote billboards met teksten als “Thanks for you visit” en “Hope to welcome you soon again!”
En passant wees Griet op de maan, die volledig verscholen ging achter de schaduw van de Aarde. In het kamp in Wadi Rum hadden ze waarschijnlijk op dat moment de lichten gedoofd en zat iedereen te staren naar een weergaloze sterrenhemel.

That’s all folks!

Advertenties

I’ll tell you a story

Nasser

“Let’s stop here”, zei Nasser.
De minibus stopte aan de overkant van een brug over een riviertje. Er was nog een andere auto geparkeerd en wat verderop stonden een man en een jongetje gebogen over wat een schildpad leek te zijn. Rowan stak onmiddellijk een verhaal af over haar eigen schildpad die er net zo uitzag en waarvan ze niet wist wat zijn land van herkomst was. Zelfs in de zoo konden ze het haar niet vertellen. Maar nu ze in Jordanië dezelfde schildpad zag wist ze het! Ik glimlachte flauwtjes, de grootste blijk van interesse die ik voor haar huisdier kon opbrengen.
Nasser, onze gids, stak een sigaret op. Het zou een vast ritueel worden: we stoppen even voor een uitzicht of wat uitleg en tegelijk geeft het hem de gelegenheid te roken.
Het woord “kettingroker” schiet mijns inziens te kort om het rookgedrag van Nasser te beschrijven. Zijn nicotineverslaving bleek echter het minste van zijn problemen te zijn, in tegenstelling tot zijn drankverslaving. Elke avond was hij stomdronken. Gelukkig behoorde hij tot de soort van de plezante dronkaards zodat het voor ons niet meer dan een kleine vervelendheid betekende.
Met zijn Afrikaans bloed, grijze ringbaard en zwart haar deed hij me denken aan Morgan Freeman, maar dan 30 jaar jonger. Hij was Palestijns van oorsprong en was nog steeds hoopvol dat de Israëlische staat hem op een dag zou compenseren voor de grond die ze zijn familie hadden afgenomen.
“I don’t care if they give me a piece of land in the middle of the desert, as long as I get compensated. I’ll make sure it gets enough water, no problem! But now, I have nothing!”, had hij in de auto verkondigd.

“Common guys, follow me. I’ll tell you a story.”
En dat kon hij goed. Blijkbaar speelde het riviertje waar we gestopt waren een rol van betekenis in het Oude Testament. Nasser vertelde over oude Jordaanse koninkrijken, de aardsvader Jakob en iets over nitraten die belangrijk zijn in de Jordaanse economie. Daarna vluchtten we terug naar de airco van het busje. Het programma die dag was lang: 2 steden uit de tijd van Alexander de Grote (Gadara/Umm Quais en Gerasa/Jerash), en een Arabische burcht uit de tijd van de kruistochten.

De koning is dood. Leve de koning!

De weg was lang, het asfalt hobbelig en de verkeersdrempels zorgden er keer op keer voor dat mijn gordel zich tussen mijn ingewanden snoerde. Het landschap was prachtig met glooiende heuvels, vijgenbomen en kleine dorpjes, maar op den duur zat ik meer naar de weg te turen in de hoop een verkeersdrempel tijdig op te merken om vervolgens zenuwachtige pogingen te ondernemen mijn gordel wat losser te maken.

Umm Quais lag in het uiterste noorden van Jordanië tegen het drielandenpunt met Syrië en Israël, tegenwoordig door Israël omgevormd tot een tweelandenpunt door de bezetting van de Golanhoogte, die eigenlijk tot Syrië behoort.
Vanaf de ruïnes van de oude Griekse stad hadden we een prachtig uitzicht met in het westen het Meer van Galilea en in het noorden de Golanvlakte, bron van 40% van de problemen in het Midden-Oosten (de overige 60% komen voort uit de bezetting van de Palestijnse gebieden). Volgens Israël vormt de Golanhoogte een bedreiging omdat de Syriërs in het verleden van daaruit Israëlische dorpen en steden hebben bestookt. Het hele gebied is zwaar gemilitariseerd maar daar was vanuit het rustige Jordanië niet veel van te zien. In ruil voor neutraliteit mag Jordanië rekenen op ruggensteun van het VS. Het houdt zich afzijdig van de Israëlisch-Palestijns beslommeringen maar draagt er wel de gevolgen van, zowel op het vlak van demografie (60% van de bevolking is of stamt af van Palestijnse vluchtelingen) als op het vlak van toerisme.
De bezieler en hoeder van de Jordaanse stabiliteit was lange tijd koning Hoessein, maar sinds diens dood in 1999 is die fakkel overgenomen door zijn zoon Abdullah. De koning bleek immens populair te zijn: toen we van Umm Quais naar de burcht van Ajlun reden heb ik geprobeerd te turven hoe vaak ik zijn beeltenis langs de weg zag opduiken, maar ik heb de inspanning al gauw gestaakt. Het waren er te veel. Verder waren ziekenhuizen, moskeeën en scholen naar hem genoemd.

Enfin, genoeg educatie. Over de burcht in Ajlun kan ik kort zijn want de enige anekdotische waarde die eraan valt te geven is dat ik er vrouwen in Burka, gewapend met een Canon Ixus, de toerist zag uithangen.
That does not give me a story, so let’s get on with it.

Frigoboxtoeristen

Het restaurant dat bij de ruïnes van Jerash hoorde was zoals verwacht veel te duur en dus zouden we zoals gepland de Hollander gaan spelen door buiten onze sandwiches met Nutella op te eten, die we de dag voordien in Amman gekocht hadden. O, wat waren we vooruitziend geweest! En o, wat waren we trots op onszelf!
Rowan ging samen met Nasser binnen eten en naar verluid heeft hij er twee halve liters Amstel achterovergeslagen.
Amstel valt alleen in extreme hitte en dorst te verantwoorden, dus hebben die Hollanders het goed bekeken. Ze exporteren het goedje naar de meest exotische locaties waar dorstige toeristen gemakkelijk in de val kunnen lopen door er een glas van te bestellen, twee slokken te nemen, en vervolgens vast te stellen dat hun dorst verdwenen is (samen met het moment waarop je je niks aantrekt van de smaak), en dat het ledigen van het glas niet de meest aangename ervaring van hun reis belooft te worden.
Geef mij dan maar liever Heineken. Dat smaakt naar niks, dus kun je je er ook niet aan mispakken.

Toen ons lunchpakket verorberd was gingen we binnen op zoek naar Rowan en onze gids. Ze was juist druk bezig haar avontuur op de Egyptische ferry voor de elvendertigste keer te vertellen en Nasser had duidelijk moeite om zijn aandacht erbij te houden. Nadat we ons aan tafel hadden bijgezet werd het gesprek verschoven richting nog oninteressantere regionen zoals de vorm van de lipjes op blikjes frisdrank, en het Jordaanse gsm-netwerk. Het grootste netwerk heette “Zain” en blijkbaar betekende dat “mooi” in het Arabisch. Ik merkte op dat een gsm-netwerk met de naam “Beautiful” bij ons klanten zou trekken door de naam alleen al.

Op het einde van onze rondleiding door Jerash, wat best wel de moeite waard was want het is de best bewaarde ruïnestad in het Midden-Oosten, legde Nasser het Jordaanse systeem van afvalverwerking uit. Kwestie van de aandacht vast te kunnen houden bij een temperatuur van 38°C.
“You just throw everything in one bag. Later on, it’s sorted by someone else.”
-“Who wants to do a job like that??”, vroeg Griet.
-“It’s very well paid”, zei Nasser.
“Praktisch systeem. Je laat een ander het vuile werk opknappen”, dacht ik bij mezelf.
Later die dag noemde Greg Nassers vertellement “a bunch of crap”.
“You seriously believe that there will be someone who’s sorting garbage all day long, eight days a week? They don’t give a rat’s ass about recycling.”
Ik dacht er even over na en kwam tot de conclusie dat ik eigenlijk veel te goedgelovig ben.

De chili, de yoghurt en de kakkerlak

Die avond stuurde Nasser ons naar een restaurant in Amman.
“It’s a very good restaurant! Typical Jordanian food! Tomorrow you will say thank you Nasser, it was delicious!”
“And ask for Nasser’s table!”, voegde hij eraan toe.

We werden erheen gevoerd met het busje van het hotel. We spraken met de chauffeur af dat we over twee uur terug buiten zouden staan, maar die maakte duidelijk dat hij gewoon zou blijven wachten in de auto.
“Seriously? For two hours??”
“No problem, I wait in car.”
Er stonden 2 portiers in een deftig pak aan de deur die ons bij het binnengaan begroetten. Een man met een vriendelijk gezicht kwam ons tegemoed.
“Welcome!”
-“Four persons. Nasser’s table please.”
-“Whó’s table?”
-“Nasser’s table!”
-“Oh, Nasser! He’s your guide?”
-“Yes”
-“Follow me, please”.

We betraden een binnenpleintje dat deels overdekt werd door donkere doeken. Er stonden grote ronde tafels, waarrond mensen languit in zitbanken aan een waterpijp lagen te lurken. In het midden en tegen de muur klaterde een fontein. De man gebaarde ons plaats te nemen aan een grote lage tafel naast de fontein. Een ober kwam onze drankjes opnemen.
“How much does a beer cost?”, vroeg Rowan.
“You want beer?”
“No no, how much does it cost?”
De ober keek Rowan verward aan en ze herhaalde haar vraag nog eens. Toen kwam een andere ober er bij staan.
“We do not serve alcohol”, zei die. “No beer, no wine.”
Voor de verandering werd het die avond weer maar eens water, net zoals de dag ervoor, en net zoals het de volgende dagen ook beloofde te worden.

We wilden eten bestellen maar kregen de kans niet om het menu te bestuderen.
“Fixed menu!”, zei de ober. “Typical Jordanian!”. Hij liep lachend weg en ik achtte dit het ideale moment om over mijn ervaring met de yoghurt te vertellen. “You know the taste in your mouth when you just….”
“Laat me raden, dit zal in dezelfde bewoording op je blog verschijnen?”, vroeg Griet.
-“Reken maar”, zei ik grijzend.

Kort daarna kwamen drie obers aangemarcheerd, hun beide handen en armen beladen met schotels. De tafel werd volledig volgezet met eten. Daarna prepareerden ze voor elk van ons een bordje. Het was heerlijk. We deden ons te goed aan de groenten, de olijven, het vlees waarvan we niet wisten wat het was, zelfs aan de humus.
“It’s very good, but a lot!”, zei Rowan aan één van de obers.
“It’s only the entrée”, zei de ober met een knipoog.
We keken elkaar aan terwijl we gelijktijdig even stopten met kauwen. Greg, die juist nog een broodje uit de mand wilde nemen trok langzaam zijn arm terug.

Nadat de tafel was vrijgemaakt herhaalde het tafereel zich, maar dan met het hoofdgerecht. Schapenkoteletten, kalfsvlees, nog 3 andere onidentificeerbare soorten vlees, en … de beruchte yoghurt werden op tafel gezet. Ook frieten deden hun intrede. Elk bordje werd afgewerkt met een groene chilipeper.
Toen we bijna vol zaten proefde Greg, zelfverklaard chililiefhebber, een stukje van zijn peper.
“It’s warm but not hot”, zei hij.
“Warm kan ik wel aan”, dacht ik terwijl ik de chili in twee sneed en één helft in mijn mond stak. Ik had het beter niet gedaan.

Het vuur begon achteraan op mijn tong en breidde zich snel uit naar alle uithoeken van mijn mond. Ik slaakte een wanhopig gereutel en begon met mijn hand te klapwieken voor mijn mond, alsof dat zou helpen.
“I told you it was warm”, zei Greg.
“HOOOOT!”, murmelde ik terwijl de tranen over mijn wangen begonnen te lopen en mijn brillenglazen bedampten.
Ik had gehoord dat water het alleen erger maakt, maar dat brood wel helpt. Ik viel de broodmand aan en begon als een bezetene brood in mijn mond te proppen. Toen dat niet hielp propte ik er nog meer brood bij.
“You have to eat the yoghurt!”, zei Rowan.
Ik keek haar aan als een stier in een Spaanse arena die een kortstondige onoplettendheid van de torero in de mot gekregen heeft. Ik tikte driftig met mijn wijsvinger tegen mijn slaap.
“I’m not kidding, yoghurt helps!”
No way dat ik ooit nog een hap van die yoghurt zou nemen.
“Pain!!!!” zei ik intussen met opeengeklemde kaken terwijl ik hulpeloos de tafel afzocht naar meer brood.
Ik nam mijn toevlucht tot het glas water om van de 5 seconden verkoeling te profiteren en het brood door te spoelen.
“Eat the yoghurt!!”, zei Rowan.
“Very funny”, zei ik hijgend. Daarna laaide het vuur weer op en graaide ik naar het brood.
“It’s not a joke! I’m very serious!”
Ik besteedde al geen aandacht meer aan haar want ik had het te druk met het bijeenhouden van mijn gehemelte en het overtuigen van Greg dat een foto op dat moment geen goed idee was als hij accidenten wilde vermijden.

Na een poos kreeg ik de brand min of meer onder controle door zo lang mogelijk water in mijn mond te houden alvorens te slikken. Uiteindelijk bleven alleen het rechterdeel van mijn onderlip en mijn tong smeulen. Eten zat er voor mij niet meer in.
Intussen was Rowan nieuwsgierig geworden naar de yoghurt en durfde het aan te proeven.
“Hmmm!, it’s very good!”, zei ze.
Ik trok mijn wenkbrauwen op en doopte een punt van mijn vork in de witte brei, die er in elk geval uitzag als doodgewone yoghurt. Ze smaakte naar….yoghurt. Lekkere yoghurt zelfs.
“I really meant it about the yoghurt”, zei Rowan nog maar eens. Ik kon alleen maar zuchten en beteuterd kijken.

Nadat we de rekening betaald hadden (10 JD per persoon, oftewel 10€), en terwijl de vrouwen naar het toilet waren, stonden Greg en ik in de gang te staren een kakkerlak op de vloer.
“If I’d seen this when we came in, I would not have eaten here”, zei ik.
-“You know, cockroaches aren’t filthy animals. They are nature’s vacuum cleaners because they eat all the filth”, zei Greg
-“That’s the point. If there are cockroaches here, it means that there must be filth”, zei ik.
-“Good point.”
We zagen hoe de kakkerlak tussen de voeten kroop van een meisje dat op een soort flipperkast stond te spelen. Tot twee keer toe verzette ze haar rechtervoet maar miste ze het smerige beest op een haartje. De derde keer was het prijs maar we hadden jammergenoeg geen tijd om het resultaat te bekijken want Rowan stond ons al aan de deur te wenken.

We vonden het minibusje op de kleine parking naast de ingang, met achter het stuur onze slapende chauffeur.

– wordt vervolgd –

Where from?

Five jaydee

“2,5 JD”, zei de receptionist van het hotel toen we vroegen hoeveel een taxirit naar downtown Amman zou kosten. In die wetenschap stapten we naar buiten waar de portier plichtsgetrouw het lint even voor ons opzij hield. We stonden 5 seconden op straat of er stopte al een taxi, zomaar out of the blue want we hadden hem niet eens doen stoppen. Ik liep naar het open raampje.
“How much to the Roman Theatre?”
-“5 JD”
Ik keek naar Griet.
“Hij vraagt 5 dinar.”
-“Aan de receptie hebben ze 2,5 gezegd, dus dat is te veel.”
Ik stribbelde even tegen. Misschien hebben ze zich aan de receptie vergist? Er is wel een groot verschil tussen 5 en 2,5.
“5 dinar is too much!”, zei Griet aan de chauffeur. Die haalde zijn schouders op met een air van “dat is mijn probleem niet”.
Aarzelend gingen we achteruit om duidelijk te maken dat we een andere taxi zouden gaan zoeken. “We’ll find another taxi then!”
Ik had verwacht dat de chauffeur nu toch zijn prijs zou gaan verlagen maar in plaats daarvan reed hij gewoon weg.

Na een kort moment van verbazing gingen we te voet op weg in de ochtendlijke hitte. Alles in Amman is wit, gebroken wit of grijs, waardoor het zonlicht naar alle kanten gereflecteerd wordt en je niet zonder zonnebril kan. Links van ons liep een drukke boulevard paralel met de straat van ons hotel. Zwermen Koreaanse auto’s vormden een rivier van verkeer waarin de talrijke gele taxi’s eruit sprongen. Af en toe zag je een volgepakte bus voorbijrijden, zowat de enige vorm van openbaar vervoer in de stad. Een taxi was het meest voor de hand liggende vervoermiddel voor wie geen auto bezat.

Kermis

Toen we langs de boulevard begonnen te lopen hadden we ogenblikkelijk een taxi beet. Toen ik naar zijn prijs vroeg wees de chauffeur naar zijn meter en die leek ons betrouwbaar. We stapten in en vertrokken op een rollercoasterrit door de verkeersdrukte van Amman. Tunnels, viaducten, rotondes en splitsingen volgden elkaar in sneltempo op. Verkeerssituaties die in een westerse stad een enorme opstopping zouden veroorzaken waarbij chauffeurs woest eerst op hun claxon en vervolgens op het gezicht van de andere bestuurders zouden gaan timmeren, werden in Amman opgelost door een kort getoeter om andere chauffeurs te waarschuwen en waarbij de rem nauwelijks beroerd werd. Het was een opmerkelijke verstandhouding.
Samen met het gaspedaal en de waarschuwingspinkers, was de claxon het belangrijkste instrument voor de Jordaanse chauffeurs. Het was multifunctioneel. Er werd geclaxonneerd als er naar links of rechts werd afgedraaid, bij het oprijden of het verlaten van een rotonde, om een andere bestuurder te verzoeken wat plaats te maken zodat er ingehaald kon worden (rijstroken worden immers genegeerd), als er een opstopping was, of om voetgangers die wilden oversteken duidelijk te maken dat ze daar beter nog even mee konden wachten. Verder kon een claxonstoot ook betekenen “wilt u een taxi?”, “wilt u echt geen taxi?”, “ik blijf hier langs de kant van de weg staan tot u uw stadsplan hebt opgeborgen en verderloopt zodat ik zeker weet dat u geen taxi wilt”, of “he, u daar in de massa met die rood-witte hoofddoek … nee niet u, maar die ernaast … ja u … ken ik u niet van ergens?”

Een ander geluid dat voortdurend te horen is, is dat van de gasleveranciers. Die werken volgens hetzelfde principe als de ijskar bij ons: met een kinderachtig liedje.

Amman was een helse kermis.

Oversteken

We werden gedropt vlak voor het Romeinse theater en betaalden, jawel, 2.5 JD. Om het theater te bereiken moesten we de straat oversteken en in Amman is dat niet minder dan een levensbedreigende situatie. In de Lonely Planet had ik gelezen:
“Unlike what you may think, Jordanian drivers do not have the intention to run you over.”
Dat was heel moeilijk te geloven. Er waren geen zebrapaden of verkeerlichten. Oversteken doe je door te wachten op een gaatje, te rennen voor je leven, in het midden van de straat opnieuw te wachten op een gaatje en opnieuw te rennen voor je leven.
In de Lonely Planet stond verder:
“Some people stop a taxi so they would get at least one free lane”.
Dat leek me nogal overdreven toen ik het voor het eerst las, een week voordien. Maar toen ik in Amman op de rand van het trottoir schietgebedjes en mijn akte van berouw stond te prevelen, werd het plots een heel aanlokkelijk idee.
Een taxi hebben we uiteindelijk niet nodig gehad en zonder kleerscheuren bereikten we het theater.

Puke or white beans

Later op de middag bevonden we ons in een bescheiden restaurant op de eerste verdieping van een huis langs de drukste straat ter wereld. De uiterst vriendelijke eigenaar had ons hartelijk welkom geheten in zijn etablissement en ons wegwijs gemaakt op zijn menukaart die vol stond met exotisch klinkende namen als tabuleh en humus. Hoewel humus me deed denken aan verdorde eikenbladeren op een bedje van modder, kon ik het niet laten de avontuurlijke toer op te gaan. Ik vroeg naar de mansaf, volgens wat ik had gelezen het nationale gerecht. De eigenaar trok zijn wenkbrauwen op.
“Are you sure?”
-“I want to try it.”
-“If you don’t like it, I’ll bring you white beans instead.”
-“Em…ok.”
Ofwel had hij ervaring met Europeanen die zich aan mansaf wagen, ofwel had hij een flinke dosis zelfkennis als het aankwam op het maken van mansaf. Ik had er alle vertrouwen in want mansaf is tenslotte niks meer dan een soort yoghurtgerecht en yoghurt I like.

Na een wijl kwam hij het eten opdienen. Ik kreeg een fors stuk kippenborst voorgezet, bedolven onder 34 kilo rijst. De eigenaar schoof het bord wat opzij en zette me daarnaast een kom voor met een wit-grijs-groene dampende vloeistof, even vloeibaar als gewone melk. Toen hij was verdwenen pakte ik mijn lepel en nam een hap/slok.
Je moet weten: ik ben een optimistisch mens. Ik ga altijd uit van het beste en ik keer mij gemakkelijk af van de negatieve kant der zaken. Daarbij heb ik ook een hekel aan het toegeven van mijn eigen fouten, zoals de keuze van een gerecht in een restaurant.
“Interessant”, zei ik. Maar in werkelijkheid dacht ik “disgusting”. Daarna begon ik mezelf inwendig te overtuigen van hoe lekker de mansaf wel niet was. “De nasmaak valt nog mee.” “Het is zuur, maar je houdt toch van zuur?” “Zuur is verfrissend.” “Gebaar van niks en neem nog een hap. De eigenaar is waarschijnlijk stiekem aan het meekijken.” “Be a man!”
Ik nam een tweede hap, en die was nog slechter dan de eerste. “The hell with it, ik kan dit niet eten”, dacht ik.
“Hoe smaakt het?”, vroeg Griet.
-“Ken je die smaak in je mond als je pas hebt moeten overgeven?”
Haar gezichtsuitdrukking vertelde me dat ze die smaak levendig kon voorstellen, en dat het niet het moment was om daarover te beginnen.
“Wel, zo smaakt het. En voor één keer bedoel ik het niet als een belachelijk grote overdrijving van de werkelijkheid. Het is precies die smaak.”
En dat meende ik. Ik nam nog één hap, waarna ik een walging maar met moeite kon onderdrukken. Ik stortte me op de rijst om de smaak te verdrijven.
Even later kwam de eigenaar aan onze tafel.
“You like it?”
-“It’s very sour”, zei ik, om niet te moeten zeggen dat ik het absoluut walgelijk vond.
-“Shall I bring you some white beans instead?”
-“No thanks, I’ll have enough with the chicken and the 34 kilo’s of rice.”

Egyptian

Anoniem over straat lopen bleek een illusie. Vooral Griet haalde zich ongevraagd de aandacht van de Jordaanse mannen op de hals. Mannen maakten trouwens 90% van het volk op straat uit.
Meestal werden we ongegeneerd aangestaard. In andere gevallen werden we begroet met “hello!”, “welcome!” of “hello, where from?”. Op die vraag antwoordden we steevast “Hawai!”. Omdat ze niet direct wisten of we dit nu ernstig bedoelden of niet, gaf het ons voldoende respijt om gewoon verder te lopen.

Toen we opnieuw voor het theater stonden en even rustten op een steen werd ik uitgesproken door een man die thee probeerde te verpatsen.
“Tea?”
-“No thanks”.
-“You try. Is Egyptian. Good for you.”
De man diepte een bosje bladeren op en duwde die onder mijn neus.
“Egyptian.”
-“I don’t want Egyptian.”
-“Egyptian”. Hij duwde de blaadjes nu bijna in mijn linkerneusgat.
Ik rook even aan de blaadjes. Het was munt.
“Very good. Egyptian”, herhaalde hij terwijl hij een bekertje nam en dat vulde met water. Ik probeerde hem te negeren door me op de reisgids te concentreren maar al gauw duwde hij een dampende beker warm water waarin enkele theeblaadjes dreven in mijn richting.
“No, thanks!”, herhaalde ik met een zenuwachtig lachje.
-“Egyptian”. Hij zei het op een kalme beheerste toon alsof hij me gerust wilde stellen. Met getuite lippen sloeg hij zijn ogen naar beneden en stak de beker wat dichter.
“Egyptian”.
Zo ging het nog even door en uiteindelijk nam ik de beker om te proeven.
“It’s too sweet. I don’t like sweet”, zei ik en ik wilde hem de beker teruggeven, maar hij schudde het hoofd, sloot zijn ogen en toonde mij zijn handpalmen, alsof de beker thee een geschenk was dat hij niet kon terugnemen.
“For you”.
We werden van Egyptian verlost door enkele mannen die verderop zaten en het tafereel gade hadden geslagen. Ze riepen Egyptian bij zich en gaven hem blijkbaar een soort vermaning in de aard van “laat de toeristen eens met rust”, want daarna ging hij de andere kant op. Ik zette de beker thee naast me en liet hem voor wat hij was. Veel te zoet.

We namen een taxi richting uptown om aldaar in een supermarkt 6 flessen water in te slaan voor 1,2 JD. We wimpelden een taxi af die ons voor 5 JD naar het hotel wilde brengen en betaalden één van diens collega’s amper 1 JD voor dezelfde service. Op onze kamer zetten we de flessen in de koelkast en brachten we de rest vooravond op ons bed door met Top Gear op de tv.

’s Avonds ontmoetten we onze reisgezellen in de lounge van het hotel:
Greg was een blanke Zuid-Afrikaan die in Londen werkte. Hij was qua gedraging een kruising tussen Rob Van Oudenhoven en Hugh Grant. De gelijkenis ging niet verder dan gedraging want voor de rest had hij een monkey but op z’n hoofd en een tweetal man boobs.
Rowan was een praatzieke lerares, eveneens uit Londen. Enerzijds wist ze veel, en anderzijds dacht ze veel te weten. Dat laatste zorgde wel eens voor stille conflicten met mezelf, namelijk als ik wist dat ze ongelijk had maar geen zin had om dat te zeggen. Ze kon eindeloos over zichzelf praten en vertelde met evenveel energie over die keer dat de batterij van haar camera plat was, als over die keer dat ze volledige dag in een vuile stal had moeten doorbrengen en als vee werd behandeld terwijl ze op de ferry van Egypte naar Jordanië wachtte. Maar het vervelendst van al vond ik haar Londens accent.

Ons viertal zou de volgende dag aangevuld worden met Nasser, onze rock’n roll-gids, en behorend tot het soort mensen die je in je leven kortstondig leert kennen maar die je toch voor de rest van je leven zult blijven herinneren.

– wordt vervolgd –

Welcome!

You will be picked up at the airport by our representative, zo stond er in de informatiebrochure. Hoopvol liet ik mijn blik over de talloze bordjes gaan waarop doodgewone namen als Mr. Edwards of Peter & Julie prijkten, en die vastgehouden werden door redelijk middenoosten uitziende kerels, maar onze namen stonden er niet bij. Ik werd al even hoopvol aangestaard, alsof de wachtende mannen wilden zeggen “please, zeg dat u Mr. Edwards bent want het is 3u ’s nachts en ik sta hier al een uur en ik wil zeker zijn dat mijn vrouw niks uitspookt.”
Voor we het wisten stonden we in de inkomhal van de luchthaven en niemand was er om ons welkom te heten, uitgenomen de enthousiaste douanebeambte die mij even daarvoor wel 5 keer om mijn naam gevraagd had.
“Maarten?”
-“Yes.”
-“Maaaarten?” (vragende blik, grote grijns)
-“Yeeeeeees?” (twijfelachtig)
-“Maarten?”
-“Maarten?”
-“Maarten?”
Toen zei ik mijn familienaam om hem aan te vullen, in de hoop dat hij daarop doelde.
“You don’t know?”, vroeg hij.
-“Don’t know what?”
Zwijgend bestudeerde hij mijn paspoort. Ik keek naar Griet terwijl ik mijn schouders ophaalde. De douanier nam tenslotte zijn stempel waarmee hij enkele keren krachtig heen en weer ging tussen zijn inkt en mijn paspoort om zo mijn toegang tot zijn Beloofde Land te verzegelen. Deze geüniformeerde jongeman had duidelijk schik in zijn job van gatekeeper en speelde graag met de voeten van de reizigers die voor zijn poort verschenen.
“Welcome to Jordan!”, zei hij opgewekt terwijl hij mijn paspoort teruggaf. Het was de eerste welcome van een lange reeks, die zou beginnen in de hoofdstad Amman en er ook zou eindigen. De tijd en afstand daartussen stond volgepakt met Griekse en Romeinse ruïnes, een heilige berg, een wel heel zoute zee, een wereldwonder, een rotswoestijn, de Rode Zee, een karrevracht verkeersdrempels, 10 liter thee, 3 kakkerlakken, 50 liter water, 2 glazen Amstel, 2 flessen hard core rode wijn, een kom zure yoghurt en een halve chilipeper.

“Excuse me…”, klonk het plots van achter ons. Het bleek een blank, mollig, roodharig meisje te zijn.
“You seem te be waiting for somebody, can I take you somewhere?”
Onze reddende engel bleek een Canadese te zijn die in Jordanië werkte. Ze moest een landgenote van haar komen oppikken op de luchthaven en stond op het punt opnieuw naar Amman te vertrekken, 40 km verder. We twijfelden geen ogenblik over haar aanbod.
Ze nam ons mee over het parkeerterrein in de richting van een uit de kluiten gewassen 4×4. Nauwelijks had ze de koffer geopend of er stond een local klaar om onze rugzakken erin te laden in de hoop er wat kleingeld voor te krijgen. De arme man had beter moeten weten. Pas gelande toeristen hebben natuurlijk de tijd nog niet gehad kleingeld te verzamelen.

We scheurden naar Amman over een hobbelige snelweg waarop de wegmarkeringen zo donker waren dat ze in de nachtelijke duisternis amper te zien waren. Het zou me later duidelijk worden dat wegmarkeringen niks meer dan versieringen zijn op de Jordaanse wegen waar iedereen gewoon rijdt waar er plaats is, en soms ook waar er geen plaats is. Rijstroken worden totaal genegeerd terwijl er zowel links, rechts, als in bochten wordt ingehaald. De enige verkeersinfrastructuur waar iedereen zich verplicht in te schikken heeft, zijn de verkeersdrempels. Ze duiken op op de meest onmogelijke plaatsen, al dan niet aangekondigd, en ze vereisen een maximumsnelheid van 10km/u om er heelhuids over te raken. Zo ook op de autosnelweg naar Amman, waar ze goddank worden aangekondigd door een reeks zware spijkers in het asfalt.

40 minuten later tuften we over een lege boulevard in Amman, tussen de 7th en de 8th circle, grote rotondes die de chaos van autowegen in de Jordaanse hoofdstad toch enige structuur gaven. Vertrekkend vanuit downtown Amman waren ze genummerd van 1 tot 8. Van ons hotel wisten we dat het Larssa heette, dat het in de buurt van de 8th circle zou liggen en dat het voor ons onvindbaar was. De buurt leek sjofel, verlaten, een beetje luguber zelfs. Gelukkig waren we uitgerust met een telefoonnummer en een pragmatische Canadese chauffeur die aanbood het hotel op te bellen en het hen simpelweg te vragen. En als ik zeg simpelweg, dan bedoel ik dat letterlijk. Ze vormde het nummer, wachtte even tot er opgenomen werd viel met de deur in huis.
“Yeah hi, I have two guests of your hotel in my car who should have been picked up but they weren’t so I took them to Amman and my question is where are you?”
Na een verbazend lang gesprek waarbij de hotelbediende kennelijk ettelijke keren herhaalde dat het “very simple” was om het hotel te vinden, maar faalde om een éénduidige en heldere wegbeschrijving te geven, besloot onze roodharige redster dat ze het maar zelf moesten uitzoeken.
“I’ll drop them off at the police station on the corner, can you pick them up?”
Die vraag heeft ze een paar keer moeten herhalen maar het bleek uiteindelijk no problem te zijn.

Het politiebureau zag er eerder uit als een legerbasis: ommuurd en met een smeedijzeren hekken waarnaast twee flikken de wacht hielden, uitgerust met een een machinegeweer. Ze keken vreemd op toen er voor hun neus twee jonge Europeanen uit een 4×4 stapten en hem uitzwaaiden toen die de circle weer op schoot. De stilte keerde terug en de flikken wisten duidelijk niet goed of ze ons al dan niet moesten aanspreken. De ongemakkelijke situatie duurde maar heel even want toen kwam er een zwarte Toyota aangereden met 2 mannen. Toen ze ons zagen stopten ze.
“You are looking for Larssa Hotel?”
Het zag ernaar uit dat onze passage aan het politiekantoor niks meer dan een voetnoot van onze reis zou worden en voor die wachtende flikken het hoogtepunt van hun oersaaie werkweek.

We baanden ons een weg door een woonwijk, door zijstraten van zijstraten van zijstraten terwijl er oosterse muziek uit de boxen knalde. “Very simple tarara”, dacht ik bij mezelf.
De wagen stopte ten slotte voor het hotel: een riant gebouw op de hoek van de straat, gemarkeerd met neonlichten, een metaaldetector aan de ingang voor de schijn en een portier die er enkel stond om het lint opzij te houden dat voor de deur gesperd stond om God weet welke reden. Het hotel was chique, maar niet overdreven chique. Kortom: een typisch 3 sterren hotel en heel welgekomen na de reis die we achter de rug hadden. Onze kamer had 2 grote bedden, een televisie, koelkast en airco.

Klokslag half 5 kropen we onder de kraaknette lakens. Ik sloot mijn ogen en net op dat moment begon de moskee aan de overkant van de straat met zijn oproep tot het gebed.
Ergernis was misschien de meest logische reactie geweest, maar in plaats daarvan kreeg ik de slappe lach. Isn’t it ironic?

– Wordt vervolgd –