I think somebody’s ass exploded in there

Here comes the sun

Vanuit het zuiden kwam hondengeblaf aangewaaid van over de zanderige leegte van de woestijn. Het geluid was afkomstig van meer dan één hond en het klonk niet bepaald verwelkomend. Ik aarzelde even en vertraagde subtiel mijn pas. Greg, van zijn kant, liep onverstoorbaar verder in de richting van een zwart niets waaruit ik heel vaag een silhouet kon ontwaren. Het enige teken van leven naast het geblaf waren enkele lichtjes ter hoogte van het dichtstbijzijnde dorp, aan de andere kant van de “wadi”, want zo werden de kilometersbrede kloven genoemd die zo typerend zijn voor de Wadi-Rumwoestijn. De wadi’s liggen noord-zuid georiënteerd en worden begrensd door indrukwekkende rotsformaties. De rode kleur van de rotsen werd op dit moment van de dag nog gecamoufleerd door een grijze waas, net zoals het rood van het zand. De lucht was donkerblauw en lichtte op aan de oostelijke horizon.
“It’s like a gate under the railway trace”, zei ik tegen Greg, doelend op het silhouet op de weg voor ons.
“Really? I don’t see anything!”
Toen we dichter kwamen bleek het een halfafgewerkte poort te zijn, volledig in Arabische stijl met twee wachttorentjes. Het ding stond in de stellingen en de weg werd versperd door hopen zand en bouwmaterialen. Achter de poort lag iets dat leek op een toekomstige parkeerplaats, met aan de rand een sierlijk gebouwtje. Daar hield de weg op. Vlak voor de poort hielden we halt.

Die ochtend was ik om 5u opgestaan, nadat ik 5 minuten eerder vanzelf wakker geworden was uit een heel diepe slaap. Blij dat ik ondanks het primitieve comfort toch een degelijke nachtrust achter de rug had, en gedreven door een kleine adrenalinestoot bij de gedachte aan een zonsopgang in de woestijn, was ik klaarwakker toen ik in mijn kleren schoot. Samen met Greg was ik in zuidelijke richting vertrokken, langs de weg die in het duister volledig onzichtbaar was.

“Let’s wait here”, zei Greg en we gingen zitten op het nog koude asfalt, met onze blik op het oosten gericht. Ik nam enkele testfoto’s om de belichting wat af te stellen. Het duurde niet lang voor de koude woestijnlucht de bovenhand begon te krijgen op mijn centrale verwarming.
“Where is the sun when you need her?”, vroeg ik me af.
Mijn horloge gaf 5.40u aan.
“I’d like to go up there”, zei Greg na een tijdje, en hij wees naar een zandheuveltje rechts achter ons. “Let’s get off the beaten track!”
Toen we door het woestijnzand begonnen te ploegen, hoorden we opnieuw het hondengeblaf en links voor ons zag ik in de verte een stofwolk opdoemen. Het bleek een terreinwagen te zijn die met grote snelheid in de richting van het gebouwtje en de parkeerplaats reed. De wagen zigzagde wild alsof hij een raceparcours afwerkte. Het geblaf werd luider, en toen merkte ik de hond op die vlak voor de wagen voor zijn leven rende. Het beest zigzagde, alsof hij wist dat de auto meer problemen met het bochtenwerk zou hebben. Op een afstand zag ik een tweede hond parallel meerennen terwijl hij het tafereel net als ons gadesloeg. Ter hoogte van het gebouwtje hadden de dierenbeulen genoeg van hun wrede spelletje en lieten ze de hond met rust. De wagen verdween noordelijke richting en de rust keerde terug.
Achter ons kleurden de rotsen langzamerhand roder, een voorbode van de blijde intrede van de zon. Het spektakel begon toen de eerste zonnestralen zich over de zwarte bergen in het oosten gooiden en de rotsen achter ons in lichterlaaie zetten. Onze lichamen wierpen meterslange schaduwen over het nu bloedrode zand. In mijn hoofd zetten de Beatles ‘Here comes the sun’ in en ik schoot foto na foto, panorama na panorama. Het silhouet van een eenzame kamelendrijver maakte het plaatje compleet.

Toen het magische moment voorbij was en de zon aan haar steile klim begon, die uiteindelijk zou resulteren in een opnieuw veel te hete dag, keerden we terug met in ons kielzog twee blaffende honden.

Chillen in een heteluchtoven

Het kamp was verlaten toen ik rond 9u30 het tentzeil opzijsloeg, op zoek naar frisse lucht. Om 6u30 was ik opnieuw tussen de dekens gekropen om mezelf weer op te warmen, maar 3u later was ons kampementje al een echte sauna. Ik slofte door het zand naar de toiletten, omgeven door een magische stilte die alleen gebroken werd door het sporadische suizen van de wind en een verre radio die Arabiche keelgezangen uitbraakte. Af en toe hoorde ik iemand meeneuriën terwijl er vaatwerk klaterde. De sfeer deed me denken aan de openingsscène van een typische spaghettiwestern uit de jaren ’70. Ik was een cowboy die behoedzaam het spookstadje betrad, mijn handen op mijn geweerholsters, begeleid door het kraken van een schommelstoel die in de wind op en neer beweegt, en het regelmatige gesnurk van een dronkaard die de vorige avond in de saloon in slaap gevallen is.
Het gesnurk bleek afkomstig te zijn van Nasser, die in een open tent languit op een bank lag. Vanonder zijn te korte deken staken twee blote voeten en een arm die tegen de grond bungelde.

Toen ik terugkwam van de toiletten realiseerde ik me dat de andere kampgasten vertrokken waren en dat wij de enigen waren die twee nachten in de woestijn zouden doorbrengen. Er viel buiten Nasser en de muzikale Jordaniër in de keuken geen levende ziel te bespeuren, en op een half opgegeten koek na was de ontbijttafel leeg. Ik liet me in de halfopen etenstent op één van de zetels ploffen die rond de ontbijttafels stonden, en gaf me over aan de loomheid. Ik werd daarin spoedig vergezeld door mijn medereizigers, en in die toestand werden we aangetroffen door een personeelslid. Zich ervan bewust dat ze het ontbijt te vroeg hadden opgeruimd, trommelde hij een drietal man op om de tafel opnieuw te zetten en een oogwenk later bedienden we ons van thee, brood, yoghurt, en een vreemde brij van zaadjes waar je olie moest bij gieten. Ik weet niet wat het was, maar het was lekker.

Daarna begon voor mij het tweede moment waarop het gevoel van een strandvakantie doorbrak. Het eerste moment was aan de Dode Zee geweest, nu was het in de Wadi-Rumwoestijn, in een verlaten tentenkamp, in de beschutting van een dak van palmboombladeren, op een zachte zetel, met het interessante boek van Jan Leyers. Terwijl ik lag te lezen zag ik vanuit mijn ooghoek Nasser door het zand strompelen, op zoek naar thee en met een fles water in de hand. Ik zat eerst alleen onder dat palmboombladerendak, maar werd daarna vergezeld door achtereenvolgens Greg, Griet (op de vlucht voor Rowan), Rowan (in achtervolging op Griet maar al gauw een blok aan het been van Greg), en een gestrande Italiaan die een uurtje eerder met zijn motorfiets was aangekomen en die een merkwaardige behoefte vertoonde om stuntelige gesprekken op te starten met Rowan (hij sprak geen Engels). Tenslotte kwam Nasser ons vijven vervoegen. Uitgestrekt op een bank lag hij zijn kater te verwerken terwijl hij zachtjes zong. De rust die er aanvankelijk hing, hield het voor bekeken: aan mijn linkerzijde Nasser met zijn hypnosezang, en rechts van mij het monotone gezeur van Rowan over haar vermoeden dat ze een voedselvergiftiging had opgedaan, afgaande op het ongemakkelijke gevoel in haar buik.

Is het de moeite waard om te vertellen dat zowel die Italiaan als één van de personeelsleden uit het kamp een wijsvinger misten, en dat dat veel jolijt opleverde (“now we can be twins!”)? Nee? Ach, laat ons maar direct naar het interessante deel van de dag gaan: de jeepsafari.

De jeepsafari

Een pickup stond ons aan de ingang van het kamp op te wachten. In de laadbak stonden twee banken waarop we plaatsnamen, het gezicht naar elkaar. In de loop van de middag was de wind opgestoken en het beloofde een stoffige rit te worden. Met mijn Stubrusjaal over mijn hoofd getrokken, mijn sportzonnebril tegen mijn oogkassen, en met mijn lange broek en bergschoenen, hoopte ik voldoende beschutting te hebben. Het was geen verloren moeite.
Toen we de weg verlieten en het ruime zand kozen gaf de chauffeur plankgas. Een golf van opwinding ging door de laadbak van de pickup en ik voelde me Indiana Jones. Het principe van winderosie werd in real time op mijn eigen lijf en leden toegepast, dat eerder al door een lading Dode-Zeemodder was gladgepolijst.
Mijn tweede filmisch moment van de dag werd nog versterkt toen we stopten voor een grot en Nasser ons voorging naar binnen. Op een platte steen was een oude Bedoeïnenkaart uitgekerfd, vergezeld van afbeeldingen van schorpioenen op de wand.
“That means that the Bedouins wanted to warn each other that there are scorpions in this place”, zei Nasser.
Wetend dat ik geen grote fan ben van mijn eigen sterrenbeeld, prikte Rowan met haar vinger in mijn nek. Mijn schrikreactie en gealarmeerde blik waren natuurlijk bron van hilariteit. Laat ons er verder geen woorden aan vuil maken.

De rit nam twee uur in beslag en gaf nog heel wat voer voor herinneringen, zoals de filmset van Lawrence of Arabia (derde filmisch moment), een duinencross, een duinenklim (te voet dan), en het obligate glas zoete muntthee. Toen we in het kamp aankwamen konden we een paar verse kilo’s zand uit onze kleren schudden, maar onze ervaring met het sanitair blok was niet van die aard dat we stonden te springen om er opnieuw gebruik van te mogen maken. Misschien zijn Gregs kurkdroge, maar lyrische omschrijvingen nog het best geplaatst om een indruk te geven: “I think somebody’s ass exploded in there. I can’t see another way for poo to get all over the place, even at the side of the toilet seat” (over één van de mannentoiletten).
“I feel abused. I mean… there I was… naked… with my feet at the side of that poo hole, carefully avoiding any body contact with the bottom and pooring some cold water over me. This will have a lasting impact on me.” (over de douches).
Het hield me niet tegen toch nog een tweede douche-ervaring te trotseren en even later fris aan het kampvuur te gaan zitten, waar ik een gesprek aanknoopte met de eigenaar van het kamp over de weldaden van kamelenmelk. Intussen waren we al lang niet meer de enige gasten: het kamp zat vol Italianen en Nederlanders.

Het was de arak

Het avondeten was identiek aan dat van de vorige avond, maar het degustief was anders. Nasser kwam bij ons zitten en vroeg voor de eerste keer of iemand zin had in arak. Ik hield niet van anijstoestanden en paste aanvankelijk, maar anderzijds was er de eeuwige dorst en ik was het nog steeds beu water te moeten drinken. Ik proefde dus wat van Griets beker.
“What do you think, Maarten?”, vroeg Nasser.
-“It has too much water in it, it needs to be stronger”, antwoordde ik.
-“Hahaaa, give me a cup, I’ll make you a proper arak!”
Zogezegd, zogedaan: ik kreeg een beker “echte” arak en die smaakte al heel wat beter (wat ook de anderen beaamden). Zo waren we vertrokken voor wat een leuke avond aan het kampvuur moest worden.
Alleen…. mijn darmen hadden het zo niet begrepen. Ik weet niet wat het was dat zich in mijn buik aan het roeren was, maar het voelde aan alsof er zich fauna tussen mijn darmflora bewoog. Het eerste toiletbezoek liet zich niet lang uitstellen en was goed voor minstens een half uur vrolijk tijdverdrijf in de befaamde faciliteiten van het woestijnkamp.
Toen ik terug bij het kampvuur kwam aangewaggeld – de ene beker arak steeg bijzonder snel naar het hoofd -, zag ik dat Nasser zijn zangtalenten aan het demonstreren was, gezeten tussen een man in een wit kleed met een soort Arabisch snaarinstrument, en een andere man, eveneens in tafellaken, die driftig met zijn hand op een trommel timmerde. Het duurde niet lang voor enkele mannen hand zich in hand aan een huppeldansje waagden. Vrouwen die samen met mannen dansen is dan wel haram, maar dat weerhield één van hen er niet van Greg en Griet uit hun luie zetel te komen trekken en mee te sleuren in de plaatselijke line-dance, wat voor mij reden genoeg was om met mijn camera ‘de sfeer vast te leggen’. Het leverde enkele grappige beelden op, vooral wanneer Greg en Griet op een onbewaakt moment de benen namen om te ontsnappen aan verdere dansverplichtingen.

Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Ik had last van krampen, van luidruchtige Italianen en Amerikanen, en iemand die onafgebroken pogingen ondernam één van zijn longen op te hoesten. Ik weet niet of ik het gedroomd had, of dat ik klaarwakker was, maar op een gegeven moment riep ik “shut the f*ck up” naar de zoveelste lawaaierige passant. Zonder resultaat.

– Wordt vervolgd –

The goggles didn’t help

Ter aanvulling van gisteren: het fameuze restaurant

Rowan - ik - Greg - Griet

Rowan - ik - Greg - Griet

Wake-up call

De volgende morgen rinkelde de telefoon. Ik had net mijn kleren aangetrokken en mijn hoofd onder koud water gestoken om wakker te worden. Ik keek naar het toestel en er brandde een rood lichtje bij “reception”. Ik nam op.
“Hello?”
“Hello sir, […] waiting for you at the reception”. Ik verstond de reeks woorden die voor ‘waiting’ kwamen amper, maar er waren slechts 4 mensen in Amman die mogelijk op ons konden staan wachten.
-“We’re down in a second”, zei ik.
En tegen Griet: “Shit, ze staan ons al op te wachten! Ik dacht dat we 9.30u afgesproken hadden.”
Op dat moment was het 8.30u. In zeven haasten propten we onze bagage in onze rugzak want die dag zouden we Amman de rug toekeren en met de werkelijke trip door Jordanië beginnen.
10 minuten later verschenen we zwetend aan de receptie. De receptionist stond te bellen en gebaarde ons even te wachten. De rest van ons reisgezelschap was nergens te bekennen. Er was enkel een ietwat dikkere man met een snor. De receptionist legde de hoorn neer en zei iets in het Arabisch tegen de besnorde man. Daarna wendde hij zich tot ons.
“You are checking out?”, vroeg hij, doelend op onze rugzakken.
-“Eh, yes”
-“You have to go to the airport?”, vroeg hij daarna terwijl hij kort zijn blik naar de man met de snor verplaatste. Blijkbaar was die laatste een chauffeur.
“Nooo, we’re going to the Dead Sea! We’re with a group, and we were supposed to be here at 9u30!”
De mannen wisselden weer wat Arabische woorden.
“9.30?”, vroeg de man met de snor ons toen?
-“Yes, Nasser said 9.30”, zei Griet.
-“Nasser said 8.30 to me”, zei de man.
Ik glimlachte en trok mijn wenkbrauwen op. Ik kende onze gids amper een dag maar wist nu al dat het maken van afspraken niet zijn grootste talent was. We lieten onze rugzakken achter aan de receptie en gingen ontbijten. Other things could wait.

Tourist trap

“This is Madaba. It’s a nice town. I think you’ll like Madaba”, zei Nasser terwijl hij uitstapte.”
“How long will we be out?”, vroeg Greg omdat hij niet wist of hij zijn rugzak moest meenemen.
“About half an hour”, zei Nasser.
“Een half uur om Madaba leuk te vinden? Dan moet het wel heel sterke troeven hebben”, dacht ik bij mezelf. Die troeven had het niet. Wat het wel had was een kerk. Niks speciaals denk je misschien, maar stel je dan eens een dorp voor met een moskee.
Wat de kerk speciaal maakte, waren de mozaïeken die binnen lagen en die een kaart van het Midden-Oosten voorstelden. Alles was mozaïek: de vloer, maar ook wat normaal schilderijen zouden moeten zijn. Het waren mozaïeken die aan de muur hingen.
Nasser had zijn uitleg gegeven in een bijgebouwtje en toen wij de eigenlijke kerk binnen gingen bleef hij buiten om te roken. Even verdacht ik hem ervan toch een overtuigde moslim te zijn omdat hij de kerk niet betrad. In Jerash had hij ook het ganse principe van de ‘oproep tot gebed’ van de moskeeën uitgelegd. Hij kende die oproep glad van buiten. Maar anderzijds was er het roken en het drinken dat alles tegen sprak. Kortom, een moeilijk geval.

Take a look inside, guys”, zei Nasser nadat we geparkeerd hadden naast een klein wit gebouwtje op de flank van Mount Nebo. We hadden Madaba intussen achter ons gelaten en waren halverwege de klim naar de top van de bijbelse berg. In het gebouwtje werden mozaïeken gemaakt zoals deze die in de kerk van Madaba aan de muur hingen. Mensen zaten aan tafels met een tang steentjes in stukken te knijpen en te sorteren volgens kleur. Allemaal hadden ze één of andere handicap. Een man in rolstoel vertelde ons gelaten het proces van mozaïekmaken, daarna mochten we rondkijken in de rest van de ruimte die een grote winkel bleek te zijn van mozaïeken en allerlei andere souvenirs. Ik vroeg me af wat Nasser kreeg om hier op gezette tijdstippen een busje toeristen af te leveren. De winkel was groot, bijna een kleine supermarkt, en er ontspon zich een soort kat-en-muisspel. De man in de rolstoel week geen meter van Griet en Rowan, en ikzelf zag vanuit mijn ooghoeken voortdurend verkoopsters mij subtiel benaderen, waarschijnlijk om mij op een onverwacht moment te overvallen en me een keffiyeh om het hoofd te wikkelen voor ik boe of ba kon zeggen. Ik verplaatste me snel naar een afdeling waar het vol antieke spullen stond om daar wat onverschillig geïnteresseerd te staan doen maar al gauw zag ik van achter een hoek een man verschijnen, die vastberaden leek mij een antiek onderzettafeltje te verpatsen. Ik nam de benen naar de hoek waar het vol zout uit de Dode Zee stond, dat een heilzame werking zou hebben op de huid. Het duurde niet lang voor ik van twee kanten werd ingesloten. Griet kwam naast me staan en pakte een pot zout vast.
“Niet vastnemen!”, zei ik nog, maar het was al te laat. Ik ontsnapte op het nippertje, maar Griet zat in de val. Terwijl ze de uitleg aanhoorde over de wondere wereld van zout koos ik voor de uitgang.

Dead Sea Experience

Boven op Mount Nebo keken we uit over het Beloofde Land, net zoals Mozes ons had voorgedaan op het einde van Exodus. Onder ons lag de Dode Zee, gewikkeld in een deken van nevel.
“You are lucky because the view is very clear today”, zei Nasser. “From now on we go downhill because there…”, en hij wees naar beneden, “…is the lowest place on earth. 420 metres below sea level. You will also notice that it’s 10 degrees warmer than here. It will be so humid you can barely breathe.”

De gewaarwording toen ik uit de auto stapte aan de ingang van één of ander resort aan de Dode Zee kun je met moeite onder “to notice” klasseren. De hitte kletste me eerst een paar keer om de oren om zich vervolgens aan mij vast te hechten als een vleermuis in je haar. De plakkerige hitte deed de meren in Noord-Italië degraderen naar 4de klasse in de categorie ‘zwoel’, en okselvijvers traden uit hun oevers om okselmeren te worden.
Nadat we binnen van het buffet gegeten hadden gingen we naar de oever van het meer om de Dead Sea Experience aan den lijve te ondervinden. Je hoeft niet ver te lopen om te voelen dat het water je naar boven duwt. Al gauw word je een menselijke dobber en ga je automatisch horizontaal. Het was gewoon zalig ondanks het water dat zo warm was als in je bad thuis.
Zo ging het een tijdje goed. “Don’t let the water into your eyes”, had Nasser gezegd. Ik dacht “how hard can it be?” Maar ergens weet je wel dat het onvermijdelijk zal zijn. Ergens is er wel één, slechts één luttele rebelse druppel die de aanval zal inzetten. En zo geschiedde. Ik begon me te vervelen en besloot eens op mijn buik te draaien, te zitten, op mijn zij te liggen, etc. Daarbij werd mijn haar nat en van mijn haar begon het water aan de afdaling richting ogen. Mijn wenkbrauwen gaven zich al snel gewonnen tegen de overmacht en plots voelde ik mijn rechteroog gigantisch pieken. Ik voelde ook hoe het water dichter bij mijn ander oog kwam dus dat kneep ik zo hard mogelijk dicht. Met twee dichtgeknepen ogen en een piekend rechteroog zocht ik mijn weg naar de oever, af en toe een oog open forcerend om me te oriënteren. Tot overmaat van ramp kwam er een druppel water op mijn lip terecht. Het is misschien maar een druppel, maar wanneer je het begint te proeven is het alsof je een theelepel zout in je mond hebt. Het moet een lachwekkend zicht geweest zijn: ik die met twee krampachtig toegeknepen ogen al spuwend, op de tast mijn weg naar de oever probeerde te banen. Op een misdadig lange afstand van de waterkant stonden de douches.
Toen ik mij had bediend van het wassende water en terug aankwam bij de oever, zag ik de anderen op hun handen en knieën door het ondiepe water scharrelen, alsof ze chocolade-eieren aan het zoeken waren. De waarheid was grappiger: de modderige bodem had van Rowans teenslets de diepste teenslets ter wereld gemaakt door hem met rubber en al heelhuids te verslinden. Slechte zaak voor Rowan want schoeisel is aan de Dode Zee een noodzakelijk attribuut. Deels om je voeten van snijwonden te behoeden in het zoute water (hoewel je het beter waterig zout zou noemen), maar nog meer om je voetzolen te besparen van derdegraads-brandwonden als je over de hete aarde terug naar het hotel/kuuroord/resort/whateveritwas terugliep. Het was als zoeken naar een naald in een hooiberg, maar ik toonde toch even mijn goede wil door op mijn beurt als een varken in de modder te beginnen graven. Die modder was uitzonderlijk vettig, zuigend en diep. Ik kon mijn hele arm er loodrecht in boren, maar moest wel heel hard trekken om hem terug te krijgen. Ik zou het dus beter niet met mijn been proberen als ik daar van mijn leven nog gevoel wilde hebben.
Rowan vond haar slets niet meer terug, maar vond wel een andere, dus kon ze met twee verschillende sletsen teruggaan. Maar niet voordat we ons volledig met modder ingesmeerd hadden want, zo zegt men, die heeft een geneeskrachtige werking. Ik moet toegeven: achteraf voelde mijn vel aan als de huid van een bloedworst.

Na een siësta aan het zwembad – één van de twee momenten waarop het strandvakantiegevoel tijdens deze reis zou opduiken – was ik toe aan bier. Geen water meer, maar bier. En het kon me niet schelen dat het me 4 JD zou kosten, ik zou een moord begaan voor een frisse pint. Toen ik mij weer had aangekleed stond de Amstel-val mij met opengesperde armen in een kom-eens-hier-gebaar op te wachten. Een bar, een blik Amstel, een plastiek bekertje. Zieliger kon het niet maar ik kon nauwelijks wachten. Drie grote deugddoende slokken en dat was het. De vierde slok was er één van “wtf is me dat???” en de vijfde één van “ik heb heimwee naar het Dode-Zeewater.”
“I think Leffe is delicious!”, zei Rowan en ik kon haar wel slaan om zoveel gevoelloosheid.

Road trip

We verlieten de sauna van de Dode Zee en het busje nam ons mee de bergen in. Weidse vergezichten ontplooiden zich voor ons terwijl de motor van de Hyundai hoge octaven zong om ons boven te krijgen. De chauffeur en Nasser waren duidelijk in een felle discussie verwikkeld waarbij de chauffeur het niet kon laten Nasser aan te kijken als hij iets tegen hem zei. Op die momenten kwamen we soms gevaarlijk dicht tegen de rand van de weg met bijhorende afgrond, of soms helemaal op de linkerrijstrook.
Rowan probeerde ons ongemak subtiel duidelijk te maken aan de twee mannen vooraan: “Nasser, do a lot of accidents happen on these roads”?
-“No, people are used to driving here.”
De boodschap was niet aangekomen, maar ik had het te druk met foto’s te maken om tegelijk voor mijn leven te vrezen. Mannen kunnen slechts met één ding tegelijk bezig zijn weet je wel.

Wasted state of mind

Na een betrekkelijk lange rit kwamen we aan in het dorpje Dana, op de rand van het gelijknamige natuurreservaat dat in wezen een diepe kloof was, met donkerrode wanden, en diverse soorten aan fauna en flora. Het uitzicht zou adembenemend geweest zijn als de zon er niet vlak in ons gezicht stond. Het dorpje zelf was verlaten. Het was volledig opgetrokken in natuursteen (in tegenstelling tot de betonnen huizen overal elders in het land) en het wordt in deze toestand beschermd als een soort erfgoed. Er waren enkel drie geïmproviseerde ‘hotels’. Het onze bestond uit een binnenplaatsje waar aan beide kanten kamers op uitgaven. Aan één kant had men op het dak met glas en staal een soort veranda geconstrueerd, en die afgedekt met een zeil in plaats van een dak. Op het dak aan de andere kant stond niks behalve een bank en een schommelstoel voor twee personen. De twee daken konden bereikt worden door een primitieve stalen trap die eigenlijk niet meer was dan een ijzeren gaas waar men een trapvorm in had geslagen.
Er bleek een probleem te zijn met de reservatie: te weinig kamers gereserveerd. Er waren slechts 3 kamers i.p.v. 5 (de chauffeur, Nasser, Greg, Rowan en één voor Griet en ik). Het was natuurlijk geen enkel probleem voor mij om samen te hokken met Greg, en voor Griet om samen te hokken met Rowan (“hopelijk valt ze snel in slaap”,dixit Griet). Maar Nasser wilde niet samen met de chauffeur op een kamer, dus hij zou een kamer gaan zoeken in een ander hotel.
Toen we later die avond samen op het dak een fles Mount-Nebowijn, die we uit Amman hadden meegenomen, zaten meester te maken (die de titel ‘hard core‘ kreeg want hij steeg snel naar het hoofd), kwam Nasser plots door de poort aangewaggeld. Ik zag aanvankelijk enkel zijn voeten door het bladerdak van een boom op de binnenplaats maar ik herkende zijn broek en schoenen.
“He seems to be wasted”, zei ik.
Toen hij de trap op zwalpte wisten we het zeker. Compleet dronken.
“Hiiiigh guuuuuuuys”, zei hij met een gigantische smile op zijn gezicht terwijl hij een soort sierlijke intrede maakte met wijd opengesperde armen en benen, als een goochelaar die “tadaaaaa” zegt nadat hij het konijn uit de hoed heeft getoverd.
“Can I join you?”
-“Sure”
Hij kwam wijdbeens tussen Rowan en ik zitten waardoor we subtiel tot tegen de rand van de bank schoven. Met veel gegesticuleer begon hij allerlei verhalen te vertellen waarin de pointe ontbrak maar die hij zelf ogenschijnlijk bijzonder grappig vond. Het duurde niet zo lang voor de vrouwen gingen slapen. Greg had nog geen zin en ik zag mijn kans schoon om die schommelstoel eens uit te testen.

Zo gebeurde het dat Greg, Nasser en ik nog tot half één hebben zitten kletsen op dat dak. Het verbaasde me hoe snel Nasser nuchter werd. Hij vertelde over zijn familie, over vrouwen in het algemeen (waarin hij verrassend conservatief uit de hoek kwam), over zijn schotelantenne en over de ramadan. Hij legde het systeem uit hoe aan de stand van de maan de begindatum van de ramadan wordt bepaald en hoe het de komende jaren steeds zwaarder zal worden naarmate de vastenperiode dichter en dichter opschuift naar het heetst van de zomer. “It’s impossible not to drink a whole day long when it’s 40 degrees outside.”
Hij vertelde ook over het probleem met de reservatie en waarom hij een ander hotel is gaan zoeken.
“I need some personal space”, zei hij. “Some privacy”.
Dat begrepen we allebei maar al te goed. Maar toen zei hij iets vreemds: “It’s not for my mind, my mind is ok. It’s for my body. I have certain needs.”
“I think he means his bottle bottle of booze”, zei Greg me toen Nasser even naar het toilet was.

De volgende dag zouden we met een andere gids het park in trekken en Nasser beloofde dat hij hem zou vragen ons op zijn mooiste tocht mee te nemen. “Because I love you guys, really!”.

The Hose

Onze kamer was simpel vierkant met een houten deur en een raam met een luik. De muren hadden geen bekleding want de buitenmuur en de binnenmuur waren dezelfde. Er bengelde een peertje aan het houten dakgebinte boven ons hoofd. Greg begon prompt de matras te controleren op ‘bed bugs’. “Look for the black dots. That’s their poo!”  Gelukkig waren er in geen van beide matrassen tekenen van bed bugs te vinden.

Het sanitair viel best mee want er was één toilet dat geen “poo hole” was, zoals Greg het plastisch uitdrukte. Nuja, een gewoon toilet is nog altijd op z’n Jordaans: je mag het toiletpapier niet in het toilet gooien, maar in de emmer die ernaast staat. Anders riskeer je een plaatselijke en onsmakelijke vorm van wateroverlast. Eigenlijk dient toiletpapier enkel om de handel af te drogen nadat je met behulp van een waterspuit (eveneens naast het toilet te vinden) en je linkerhand (die je bijgevolg nooit mag gebruiken om te eten) alles proper gewreven hebt (sorry voor de mental image). “The Hose” was een begrip geworden onder ons vier en er was geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht die werkelijk te gaan gebruiken.

Shikaka!

Toen ik terugkwam nadat ik mijn tanden had gepoetst wees Greg me op een nerveus gepiep ergens in het dak. “We have a bat”, zei hij.
Mijn haren gingen onmiddelijk overeind staan. Op één of andere manier krijg ik net iets té vaak te maken met die creatures of hell als ik op reis ben.
We noemden ons nieuw, maar voorlopig onzichtbaar huisdier Shikaka, en ik ging met een ongemakkelijk gevoel slapen. “The spirit shall overcome”, ging het door mijn hoofd toen ik het licht uitdeed.

– Wordt vervolgd –

ps: is dit nog te doen of wordt het te lang? Is het eigenlijk wel interessant? In ieder geval is het te lang om ideaal blogmateriaal te zijn. Maar ik schrijf nu dan ook voor mijn vast publiek. Feedback aub.