Roadtrip USA, Part XI: Quite a city…

Toen we van ons hotel naar downtown San Francisco liepen vielen ons 3 dingen op: ten eerste zagen we om de haverklap een bedelaar of drugsverslaafde. In fact waren we die morgen nietsvermoedend temidden de drugsverslaafden en bedelaars gaan zitten in een beduimeld koffiehuis. Ten tweede was het veel kouder dan verwacht. Een frisse zeebries ging door de straten en de zon gaf nog weinig warmte op dit moment van de dag. Ten derde was de af te leggen weg beduidend langer in werkelijkheid dan op papier. Dit gezegd zijnde, genoot ik met volle teugen van de wolkenkrabbers die afstaken tegen de staalblauwe hemel, de stedelijke ambiance die er heerste en het vooruitzicht een volledige dag in deze stad te mogen doorbrengen. We verkenden allereerst het financial district met de vele chique hotels, banken en kantoorgebouwen. In de jaren ’70 was hier een netwerk aangelegd van verhoogde voetpaden die een verbinding vormden tussen kleine winkelcentra. Langs deze voetpaden lagen er terrasjes en was er groen aangebracht. Alleen viel er op dit moment van de dag nog niet veel volk te bespeuren. We kwamen uit bij The Pyramid, het hoogste gebouw van de stad en met een voor de hand liggende vorm. We stonden op de hoek van de straat wat te draaien en te keren met de kaart, discussiërend over wat de meest logische volgende stap zou zijn van ons bezoek, toen we onderbroken werden door een man in maatpak. Hij raadde ons aan om langs het water naar Fisherman’s Wharf te wandelen.
“You get a lovely view over the bay there and if you wanna eat, there are several places where you can eat just along the way”.
Verbaasd over de hulpvaardigheid van die man gingen we graag op dat voorstel in, zij het via een short cut.

Via de kade, waar een Mexicaans zeilschip voor anker lag, bereikten we Fisherman’s Wharf met de beroemde Pier 39. Het was er ongehoord toeristisch en we waren er getuige van hoe schaamteloos commercieel Amerikanen kunnen zijn. De hele pier was omgebouwd tot “vissersdorp”, verdeeld over twee niveaus en volgestampt met souvenirwinkels, visrestaurants, winkels waar allerlei gadgets verkocht worden en fastfoodstalletjes. Er was entertainment, muziek en een constante pretzelgeur. Je zou er permanente agorafobie kunnen opdoen als je een deel van je verstandelijke vermogens niet eventjes opbergt. Dus deden we dat en liepen met een grote grijns en de portefeuille in aanslag mee met de stroom, die pier op. Evi kocht er 2 pullovers terwijl ik tussen de gepersonaliseerde sleutelhangers mijn naam zocht, en ik kocht er een T-shirt terwijl zij tussen de autonummerplaten neusde. Zo was iedereen tevreden en konden we naar de rand van het staketsel gaan om enkele clichéfoto’s te maken met op de achtergrond Alcatraz. Lang kon Amerika’s beruchtste gevangenis onze aandacht niet vasthouden want we werden aangetrokken door het ge-onk van de zwerm zeeleeuwen die de helft van de jachthaven bezetten. De drijvende pontons werden bijna volledig ingenomen door de bruine vetjassen, wat leidde tot hysterie bij de toeristen op de kade. Met kinderlijke blijdschap deed ik mee en ik fotografeerde de aandachtsgeile beesten met elke lens die ik had.

Commercanten zijn het, die San Franciscanen. Ze drukken de naam van hun stad op alles waarop er een naam te drukken valt, en verkopen het vervolgens alsof het een bekend merk is waarmee iedereen gezien wil worden. En dat is het ook. De naam “San Francisco” bleek een beter merk dan LA en Las Vegas tesamen. Ik kreeg een eigen staaltje van deze koopmanskunst voorgeschoteld toen ik in de etalage van een camerawinkel aan het rondkijken was. Na een 5-tal seconden stond er al een verkoper naar mij. Het was een vijftiger van Aziatische origine en met kapotgerookte tanden. Hij zag er allesbehalve betrouwbaar uit maar veel leek ik niet te verliezen te hebben als Europeaan in de VS. Een lens zou hier beslist goedkoper zijn dan thuis. Hij leek mijn gedachten te kunnen raden.
“You’re looking for a tele objective?” Hij keek even snel naar de camera die kruislings over mijn schouder hing. “Pentax?”
-“Do you have one?”
-“Of course!!”
Hij liep naar de toonbank en doorzocht een kast. Hij haalde er een doos uit met een Pentaxlens van 75 tot 200mm. Hij wenkte naar mijn camera en ik legde hem op de toonbank. Zonder tijd te verliezen verwisselde hij vliegensvlug de lenzen en nam een paar testfoto’s die hij vervolgens toonde. “That’s a very decent objective, only 200$. Try it!” Aangenaam verast door de zoomcapaciteit van een telelens nam ik binnen enkele foto’s.
“You should go outside! This is an objective for outside! I trust you. Besides: your wife, fiancee, girlfriend or whatever is here with me.” Aarzelend ging ik naar buiten. Toen ik weer binnenkwam trok ik een sceptisch gezicht. “Autofocus isn’t quick enough. Do you have other objectives in this price range?”
“Yes yes!” De man knikte driftig en schoot weer zijn kast in. Hij haalde een Sigma boven. 50 tot 300 mm. “This is a very good objective. 300mm and a switch for macropictures”. Opnieuw ging ik over tot de test. De lens focuste veel gemakkelijker dan de vorige en lag ook beter in de hand.
Ik vroeg of hij de Pentaxlens er nog eens wilde opschroeven. Terwijl hij daarmee bezig was stak hij een preek af over het feit dat ik slechts één UV-filter had voor 2 lenzen. “I am only giving you advice. You can do what you want. But UV-filters are essential protection!”

Ik testte de Pentaxlens nog eens en informeerde even of hij toevallig ook de nieuwere Pentax 50-300mm had. Dat was het geval en de test was ook heel positief. De verkoper daarentegen minder. “Too expensive!”, zei hij. “400$!” Dat was een teleurstelling. Ik had gehoopt die lens voor een prijsje uit Amerika te kunnen meenemen. De verkoper zag mijn twijfels en zei toen: “if you buy an objective, ánd a UV-filter, I’ll give you a second filter for the tele objective for free!”.
“And how much do you charge for a filter?”, vroeg ik.
“39 dollars”.
In België kost een UV-filter al snel 50 euro en mijn beslissing was snel genomen. Toch haalde de man op de valreep nog eens de klassieker aller verkoperstrucs boven. “I would go for the Sigma. I have been using it myself for a while and I am very satisfied.”
“Ja, dat zal wel”, dacht ik bij mezelf.
De deal was beklonken en ik wilde betalen, maar Evi hield me tegen en haalde zelf haar portefeuille boven. “Vervroegd verjaardagscadeau!”, zei ze. Het was niet de plek om uitgebreid te gaan protesteren dus liet ik me met graagte trakteren. Toen we in de vooravond op onze hotelkamer het factuurtje controleerden zagen we dat de slinkse verkoper ons de tweede filter wél had aangerekend en dat hij natuurlijk de “taxes” niet vermeld had.

Onze wandeling ging verder naar de top van Telescope Peak vanwaar we een fantastisch uitzicht hadden op de prachtige mist die de Golden Gate Bridge aan het zicht onttrok. Daarna gingen we naar beneden langs de übertoeristische Lombard Street, zogezegd de steilste straat ter wereld, die in een reeks van haarspelden naar beneden ging, versierd met bloemen in alle kleuren van de regenboog.

In Chinatown heerste een agressieve drukte, vol spuwende en roepende Chinezen die langs winkels kuierden (of stilstonden) waar allerlei levende etenswaren werden verkocht. Over een bak vis vloeide een klein straaltje water om de dieren in leven te houden. Mensen porden in hun flank waarna ze krampachtig met hun vinnen sloegen, in een strijd met de verstikkingsdood. Het was degoutant en we lieten ons plan om die avond Chinees te gaan eten varen.

In het hotel hielden we siesta tot ik ’s avonds met het lumineuze idee afkwam om de Golden Gate te gaan bezoeken. In de Rough Guide had ik een restaurantje in die buurt opgemerkt waar we daarna iets zouden kunnen eten. Evi gidste me door de straten van San Francisco en die kunnen ellendig zijn voor automobilisten. Ik probeerde me de techniek “starten op een helling” te herinneren terwijl ik een straat bergop reed in een helling van minstens 25°. De kruispunten lagen telkens op een platform die als zodanig korte pauzes zijn in de beklimming of afdaling (zie ook diverse actiefilms waarin helse achtervolgingen worden gehouden op deze hellingen van San Francisco. Meestal zie je de auto’s door de lucht zoeven en bumpers aan diggelen vliegen.) Toen we aan de top van de berg kwamen was de richel zo scherp dat je als automobilist onmogelijk kon zien wat zich aan de andere kant bevond. Ik duwde me tegen de rugleuning van mijn stoel en probeerde zo hoog mogelijk te zitten. De neus ging omlaag toen we over de richel reden en aan de andere kant gaapte een afdaling die even steil was als de beklimming.
“Stel je voor dat de remmen hier…”
-“Zwijg!”

Het was al donker toen we de parkeerplaats opdraaiden aan de voet van de beroemde brug, die nog steeds volledig in de mist lag. Onder het motto “beter dit dan niets”, gingen we door het hek de brug op. Links van ons raasde het verkeer in twee richtingen, daarbij heel wat herrie makend telkens een auto over één van de vele drempels reed die dwars over het wegdek liepen. Het was een hele wandeling toen we eindelijk bij de eerste toren kwamen, die we enkel konden zien tot aan de eerste dwarsbalk.
“Tjah, dit is het dan….”
Veel viel er voor de rest niet over te zeggen en met de harde, koude wind in het gezicht liepen we terug naar waar we vandaan kwamen.

Hier begint het meest tragische verhaal van de hele reis. Het begon toen we volledig de weg verloren in de zoektocht naar het restaurant. Op het gevoel af reden we door een kalme woonwijk, in de hoop een drukke bekende straat tegen te komen die wél op de kaart stond. Toen we daar eindelijk in geslaagd waren en we het restaurant gelokaliseerd hadden (het was toen kwart voor tien) begon de zoektocht naar een parkeerplaats. Stel je dit voor: een residentiële buurt met relatief brede straten en op het eerste gezicht parkeerplaatsen te over. Alleen: als je erdoor rijdt merk je dat alle vrije plaatsen vlak voor garagepoorten liggen. En er zijn héééél wat garagepoorten, soms wel 2 of 3 per huis (!). Gedurende ongeveer 20 minuten zochten we tevergeefs naar een parkeerplaats, maar helaas. Met een lege maag keerden we terug naar het hotel in de hoop dat het aansluitend hamburgerrestaurant of de pizzeria aan de overkant van de straat nog open zou zijn. Toen we bijna bij het hotel waren bleek dat we niet mochten inslaan in de straat waar we zouden moeten inslaan, en voor we het wisten belandden we op de snelweg richting Bay Bridge. Een kolossale omweg bracht ons – uiteindelijk – terug aan het hotel, volledig gefrustreerd dat we er toch elke avond weer in slaagden te laat aan te zetten. We liepen naar het hamburgerrestaurant, dat blijkbaar 5 minuten eerder de deuren gesloten had. Terug op onze kamer belden we naar de pizzeria van de overkant van de straat (waarvan het menu op elke hotelkamer lag), maar ook die had de boeken voor die avond gesloten. Met een humeur dat heel ver onder nul lag belde ik tenslotte de Pizza Hut. Toen ik – eindelijk – verbinding had en een pikante pizza had besteld, vroeg de man aan de andere kant van de lijn waar er geleverd moest worden.
“Best Western, 7th street”, antwoordde ik.
“Then you should call Pizza Hut in Geary Street. That’s closer by”.
Tweede poging. Wachtmuziek. Daarna wachtmuziek en toen nog meer wachtmuziek.
“Pizza Ut ow can I elp you?”
Het was een overduidelijke Aziaat die heel onduidelijk Engels sprak. Ik begreep amper iets van wat hij zij, maar ik gaf antwoord op de vragen die hij normaal zou moeten stellen.
“mioiiijf, fh,qiuhq,lizu?”
“A big hot&spicy with cheesy crust.”
“mdkqjsmijmioejè!’çruoeizmm?”
“Delivered.”
“Mmzqoi jfm,jn  gjfdkslmqhgkjfsdlqj?”
“Best Western, 7th street, room 48.”
“mlqkjmsfioeo  h,qiomhc’e,izjr?”
“Cash”
“Jukilompfrdeszqa?”
“Pardon??”
“Jukilompfrdeszqa?”
“Sorry, I don’t understand.”
“Jukilompfrdeszqa?”
*hand op de hoorn* Tot Evi: “jukilompfrdeszqa????'”
“Sorry, I really can’t understand.”
“Hm okey. Em….” *fluistert iets tegen iemand die blijkbaar naast hem zit* … “Wea you from?”
“I’m in the Best Western, 7th street!”
“No no, I mean: wea you live?”
“Em, I live in Belgium. I’m on holiday”
*stilte*
“Woa is yoa oldel fo… today?”
“My order?? One big hot&spicey with cheesy crust.”
“Okey. Em. We ave problem. Hot&spicey. Other also hot?”
“Hm, yeah ok.” Het kon me allemaal niet veel schelen, ik wilde eten!”
“Wea you want pizza deliveled?
*zucht* “Best Western 7th street, room 48”
“qmqozeijklwxfi?”
“Yes”
“…. goodnight?”
“Goodnight.”

En toen gingen we naar de bar van het hotel die om mysterieuze redenen al om 23u zou sluiten. Evi bestelde een glas wijn waarna de barvrouw haar sommeerde een identiteitskaart boven te halen die nog in de hotelkamer lag. Alleen achterblijvend bestelde ik een glas Anchor Steam, typisch bier uit San Francisco, terwijl ik mijn identiteitskaart voorlegde.

Deze blogpost wordt veel te lang. Niet alles is verteld maar ik kan het ook in sneltempo. Evi’s glas rode wijn heeft ons een whopping 11 dollar gekost. 11 dollar!! Voor het eerst betaalden we geen fooi. Onze pizza is op tijd aangekomen. In de doos zat een margharita met bitter weinig kaas en schijfjes groene chilipeper. Die was vuurspuwend pikant dus haalden we de schijfjes er één voor één af, om nog enkel een mager belegd stuk deeg over te houden. Het zijn geldverdieners, die San Franciscanen. En het zijn deugnieten ook!

Roadtrip USA, part VI: Bryce Canyon, buitenaardse makelij

Sta mij toe dag 6 over te slaan daar ik toch de hele dag in bed lag terwijl mijn witte bloedcellekes slag leverden met één of ander boosaardig virus waarvan ik hoop dat het het Mexicaanse was (dan ben ik er al vanaf). En de hele dag stond Evi aan mijn zijde om van tijd tot tijd een compresje te leggen, een citroensapke te persen of bemoedigende woordjes te spreken. Fact of the matter is dat ik op zondagmorgen wakker werd zonder koorts en ik de oorlog voor gewonnen verklaarde. Dartel als een jong veulen ramasseerde ik mijn boeltje en togen we op weg naar de Bryce Canyon. Onderweg stopten we even om over de rand van Marble Canyon te gluren, naar het panorama over Horseshoe Bend, een beeld dat ik een paar weken eerder nog in een aardrijkskundeles gebruikt had. Het is op de wandelweg naar Horseshoe bend (door Rough Guide “small sandy hill” genoemd, en in werkelijkheid….. tja, gewoon een kleine zanderige heuvel), dat ik op mijn limieten gebotst ben. De enige manier voor mij om boven te komen was zwaar hijgend en zwetend, om nog maar van het slakkengangetje te zwijgen. Het was duidelijk dat ik het op mijn gemakske zou mogen doen, daar in de Bryce Canyon.

We staken de staatsgrens over en bevonden ons in Utah, die ik prompt tot mijn favoriete staat van de VS proclameerde. Weg zanderige heuvels, weg kale woestijn, weg eenzame rotsen. Het landschap werd groener, de rotsen werden roder, bossen tekenden zich af aan de horizon. De armoedige indianenhuisjes hadden plaatsgemaakt voor idyllische huisjes met veranda’s en bloemenperkjes. Er kwamen far west-dorpjes met sympathieke winkeltjes, mormoonse kerkjes en roadside diners. Het was alsof we zonet een vriendelijker deel van de VS binnengereden waren. Maar dat gold niet voor de dieren die het ongeluk hadden in de buurt van de highway geboren te zijn. We zagen meer roadkill dan in welke andere staat dan ook, en het waren geen hagedissen of eekhoorntjes oh neen. Het waren fullsized herten die opengereten aan de kant van de weg lagen. Ik speurde vanuit de auto de bossen af aan de kant van de weg, maar ik kon geen levende herten ontwaren tussen het geboomte.

In Bryce Canyon National Park hadden we geen enkele moeite ons motel, Ruby’s Inn, te vinden, omdat het leek alsof alles aldaar eigendom was van Ruby’s Inn: Ruby’s campground, Ruby’s General Store, Ruby’s Car Wash, etc. Het was te vroeg voor de check-in, dus reden we door naar een andere herberg waar ook een restaurant te vinden was. Rough Guide noemde het eten in Ruby’s Inn “consistently atrocious”, dus daar wilden we ons liever niet aan wagen.

Een “salmon burger” was er mijn deel. Mét frieten. En mayonaise!! Ik kapte direct de hele pot mayonaise over de frieten heen, en juist op dat moment kwam de serveuse vragen of alles naar wens was. Ik durfde haar niet rechtstreeks aan te kijken, maar ik kan me voorstellen dat ze raar opgekeken moet hebben bij deze vreemde West-Europese gewoonte.

Ik had een constante puf toen we ons uiteindelijk naar de rand van Bryce Canyon begaven, en ik voelde me als een ballon die elk moment kon opstijgen. Los van het opgeblazen gevoel, voelde ik me toch al veel beter dan die morgen dus een wandeling kon er wel af.
De eerste aanblik van Bryce was verbluffend. Het was alsof God, nadat hij de Grand Canyon, de haven van Rio en de Great Barrier Reef had geschapen, nog een enorme chunk energie over had waarmee hij al het voorgaande tesamen tot polderlandschap degradeerde. Bryce was waarschijnlijk het meest intense landschap dat ik ooit in mijn leven had gezien. Oranje-rode rotspieken schoten uit de wand, tientallen meter hoog, en bovenop deze pieken rustten soms grotere rotsblokken, hoodoo’s genaamd, en balancerend in een fragiel evenwicht tot de wind vond dat het welletjes was en er eentje de dieperik in stuurde. Een wandelpad vertrok van het uitzichtsplatform waar wij ons bevonden en slingerde zich tussen de rotspilaren de afgrond in. We gingen op pad, in het gezelschap van een horde Spanjaarden (of Mexicanen. Ze spraken in ieder geval Spaans en iedereen in een straal van 20 kilometer kon het horen), die er niet beter op gevonden hadden dan teenslippers aan te trekken voor de tocht. Ik heb niks tegen teenslippers, maar op een pad als hetgene waarover we toen gingen leek het toch wel ietwat….. bespottelijk. De Spanjaarden waren zelf van een heel andere mening en voelden zelfs de neiging om ons, met onze stevige bergschoenen, te tonen hoe zij dat pad eens in teenslippers zouden aanpakken. Het bracht mij tot enig ooggerol, maar ik voelde niet meteen de behoefte om met deze luidruchtige malloten in competitie te gaan. Ik wilde gewoon zo ver mogelijk bij hen uit de buurt blijven, was het niet achter hen, dan wel voor hen uit. Het werd het tweede, want de groep stopte om de haverklap voor weer maar eens een nieuw idioot groepsportret waarin iedereen om ter belachelijkst het woordje “cheese” probeerde uit te spreken. Over elke fotosessie werd er telkens op voorhand uitgebreid gecommuniceerd tussen de leden van de groep die zich op diverse plekken op het pad bevonden. Het leidde tot een hels over-en-weer geschreeuw binnen de kloof en het werkte ongelooflijk op het systeem.

Anyway, we wisten de groep leeghoofdige toeristen gelukkig af te schudden waardoor we op een bepaald ogenblik in zekere rust en stilte van het landschap konden genieten. Met uitzondering van de Amerikanen, want die hoor je altijd en overal. Het bracht mij opnieuw bij de bedenking dat de Amerikanen de schoonheid van hun eigen land eigenlijk niet verdienen. Serieus: geef die mensen een leeg, lelijk en kaal land dat ze naar hartelust kunnen volplanten met Burger King, Mac Donald’s, Taco Bells, Jack-In-The-Boxes en Subways, en ze zullen een oppervlakkig maar gelukkig leven leiden. Geef al die natuurpracht in plaats daarvan aan een volk dat het verdient en ernaar hunkert. Een volk dat er ook mee omgaat zoals het hoort. Maar bestaat er eigenlijk zo’n volk?

Relatief probleemloos raakte ik opnieuw boven, afgezien van de obligate hoestbui na de inspanning, en het was wat ons betreft tijd om in te checken. Ruby’s Inn bleek meer te zijn dan zomaar een “motel”. Het was een heel bedrijf dat zowat 70% van de toeristische sector in Bryce Canyon in handen leek te hebben: een gigantische lobby, waarvan de muren uitgerust waren als een heus dierenmortuarium. Herten, bergleeuwen en wasbeertjes staarden de bezoekers levenloos aan vanaf hun plek boven het open haardvuur. Een leger van vier of vijf receptionisten werkten als aan de lopende band de check-in af van de niet-aflatende stroom toeristen. Aan de lobby grensde de general store en een heuse souvenirwinkel. We werden verwezen naar een comfortabele kamer, ergens in het Elk-Block (mannetjeshertblok, of reeblok (?)). Na gewassen en uitgerust te hebben waagden we ons die avond nog aan een kleine queeste waarbij we op zoveel mogelijk uitzichtspunten de zonsondergang wilden bewonderen. Het lukte ons geen enkele keer want we waren veel te laat vertrokken. De zon zat al achter het geboomte nog voor we één voet in de auto hadden gezet. Niettemin deed het goed om Bryce te kunnen zien zonder één enkele toerist in de omgeving. Op Fairytale-point zagen we langzaam de duisternis over ons neerdalen en viel het ons op dat er geen enkel, maar dan ook geen enkel geluid op te pikken viel in een heel wijde omgeving. Het was peacefulness van de meest pure soort, en zo was onze avondlijke uitstap toch meer dan geslaagd te noemen (hoewel ik toch gehoopt had iets van Bigfoot te kunnen horen, ruiken of zien).

Roadtrip USA, deel III: “Ze hebben hier van die grote cactussen”.

Howdy!

Even niks meer van mij gehoord, maar dat heeft zijn logische redenen. Laat ons de draad oppikken waar ik hem heb laten rondslingeren. Ergens in Palm Springs.

Woensdagmorgen, 6u, Maarten ligt klaarwakker in zijn bed te zweten dat het niet meer netjes is. Buiten heeft het daglicht al een flink pad langs de hemel afgelegd. Tijd verliezen is niks voor mij, en slapen is toch wel een beetje tijdverlies, dus schiet ik in mijn kleren en trek ik erop uit voor een fotografische verkenning van de omgeving. Het moment was uitstekend: de enige levende zielen die ik tegenkwam waren gesportschoende senioren met hoogopgetrokken witte kousen die hun keffer aan het uitlaten waren. Sommigen keken in het voorbijgaan even over de rand van hun sportzonnebril en knikten daarbij even. Overal sisten de automatische bewateringsbuisjes die de straatbeplanting in het gareel moest houden. Zoniet zou elke plant hier binnen de korste keren een gewisse dood sterven. Dit was tenslotte nog steeds de woestijn. Palm Springs lijkt overigens goed op een soort van Zorro-stadje met Europese invloeden zoals  pleintjes en terrasjes. In hoeverre het allemaal authentiek is weet ik niet, maar laat ons er maar niet te enthousiast over worden.

Die dag lag ons eerste nationale park in het verschiet: Joshua Tree. Op papier het minst tot de verbeelding sprekend, maar dat was tot we over een eenzame tweevaksbaan een landschap binnentuften dat eigenlijk redelijk buitenaards aandeed. Ik had een woestijnlandschap verwacht met hier en daar een Joshua tree. Wat ons echter werd voorgeschoteld was een landschap van machtige granietrotsen, met daartussen sprookjesachtige valleien die krioelden van de Joshua trees en de cactussen. Boven ons cirkelden roofvogels en telkens we uitstapten om foto’s te maken zagen we wel ergens een hagedis tussen de gloeiende stenen wegglippen. We waren op voorhand gewaarschuwd voor ratelslangen en schorpioenen, en met een beetje verbeelding zat er wel ergens een coyote op de loer in afwachting van een eventuele roadrunner. Ik vond het allemaal fantastisch tot de verbeelding sprekend. Op ons dooie gemak reden we naar Keys’ View om er het uitzicht te bewonderen dat tot de Salton Sea ging, om daarna à l’ aise dwars door het park naar de zuidelijke uitgang te rijden. Het klinkt kort maar het nam wel ettelijke uren in beslag.

Daarna wachtte ons de dodelijk saaie rit over de Interstate 10 naar Phoenix. Die ging rechtdoor, rechtdoor en aan de andere kant van de horizon nog wat verder rechtdoor. Tot we volledig murw in Phoenix aankwamen, stad van snelwegen die dwars door het centrum lopen in plaats van eromheen, stad van recht op recht, stad van geen restaurants, stad die eigenlijk één grote suburb lijkt te zijn, stad van het fantastische Best Western motel. We stapten uit en de hitte sloeg ons in het gezicht met een mokerhamer. Even dacht ik dat ik voor een heteluchtblazer stond. Dit was extreem. Na de checkin bij – het dient gezegd – de vriendelijkste receptioniste van het Westelijk Halfrond, sleurden we onze bagage onze kamer in en repten ons naar het zwembad. De thermometer aan de muur wees 47 graden, maar erg betrouwbaar vond ik die meting toch niet echt gezien de warme muur waaraan hij hing.
Na een uurtje zwemmen en bubbelbaden ben ik een beetje stilgevallen. Mijn maag plakte tegen mijn rug, maar toch had ik in de verste verte geen honger. We gingen later op de avond op zoek naar een plaats om op het gemak wat te eten (tegen mijn zin, maar niet eten is ook geen optie), maar we vonden niks behalve wat groezelige fastfoodketens waar je liever niet binnengaat na 21u. Evi kwam met een fantastisch en o zo Amerikaans idee: diepvriesmaaltijden uit de supermarkt. En zo kwam het dat we een half uurtje later allebei op het bed uit een kartonnen bordje zaten te scheppen terwijl we op CNN naar het zoveelste geleuter over Michael Jackson luisterden. Ik ging slapen met barstende hoofdpijn en ik werd er ’s morgens weer mee wakker. Oh yes.