Into the wild

Green Jordan

De dag begon zoals de vorige geëindigd was: met een glas zoete muntthee in de schommelstoel op het dak. Ik wist niet zeker of ik die nacht wel geslapen had. Mijn herinnering werd volledig ingenomen door het beeld van de achterkant van mijn oogleden en ik wist niet beter of ik had de hele nacht met mijn ogen dicht gelegen zonder echt te slapen. Om 5u was Greg zo geruisloos mogelijk opgestaan, had hij zijn camera genomen en naar buiten gegaan om de zonsopgang vast te leggen. Ik had even overwogen om hem achterna te gaan maar had in plaats daarvan mijn portefeuille genomen om mijn geld te tellen, en me daarna geïnstalleerd met “De weg naar Mekka” van Jan Leyers. Toen Greg tegen 7u terug was zijn we allebei naar het dak gegaan. Op de drempel van onze kamerdeur lagen twee dode kakkerlakken: één platgetrapte, en één met zijn poten omhoog. Net zoals in het restaurant was ik ook nu blij met de timing van de ontdekking.

Op het dak kwam één van de werkkrachten van het hotel met een glas thee in de hand op ons toegelopen en  hij informeerde of we eigenlijk geen last hadden van onze alcoholverwerkende gids. We antwoordden dat het de eerste keer was dat we hem dronken hadden gezien en dat het voor de rest eigenlijk wel een goeie gids was. De man leek niet bepaald overtuigd. Hij begon te vertellen over een incident in het hotel een tijdje terug waarbij de gids van een Belgische groep teveel had gedronken en daarna een meisje uit een Nederlandse groep had lastig gevallen. De reisorganisatie waarvoor hij werkte was permanent verbannen uit het hotel. We moesten allebei even slikken. Blijkbaar had Nasser een niet al te beste indruk achter gelaten. Terwijl we thee kregen kwam een wat dikkere man, die aan de wallen onder zijn ogen te zien pas was opgestaan, tegenover ons zitten. Hij vroeg naar onze impressies van zijn land. Uiteraard zongen we lof over Jordanië, met zijn prachtige natuur, volstrekte rust en mooie vergezichten.
“We don’t have that in the country where I live”, zei Greg.
-“Where is that?”
-“England”.
-“Aaah, England. I have seen pictures of England. Very green!”
-“Yes because of the rain.”
-“Jordan is dry. Too dry.”
Hij gebaarde met zijn hand over de vallei waar we over uitkeken.
“Not a lot of green here. They should come with airplanes and put water on the land, every day for 4 weeks, and it would be green. Then we could use the land.”
-“Right…right….”, zei Greg vertwijfeld bij het aanhoren van het megalomane plan van de Jordaniër.
Ik als notoir hater van neerslag probeerde het enthousiasme wat te temperen.
“In my country, there is also a lot of rain. And it is also very green. But we can’t see the beauty of the nature because the sky is grey all the time and we never see any sun. Without the sun, there are no colours and everything is dark and depressing. In Jordan, the sun shines every day, so every day you see the beauty of nature.”
De man knikte instemmend.
“What’s your country”.
-“Belgium”.
-“Aaaah, Belgium.”  En opnieuw knikte hij instemmend, alsof hij mijn afkomst goedkeurde. “Welcome to Jordan”.

Dodentocht

De twee vrouwen oversliepen zich en toen ze zich naar het ontbijt spoedden stonden we al klaar op het binnenpleintje om te vertrekken op de wandeling. Hier en daar had ik gelezen dat stevige wandelschoenen aangewezen waren, en ik had bijgevolg mijn bergschoenen aangetrokken. Voor de volledigheid was ik ook in lange broek, gewoon omdat ik bergschoenen onder een korte broek gewoonlijk voorbehoud voor bergwandelingen, waar ik nauwelijks volk tegenkom en waar geen vrome moslimmannen mij nastaren.

Tijdens de wandeling, en nu moet het er even uit, heb ik mij ontzettend geërgerd aan Rowan. Ik heb niet het flauwste idee waarom ze die morgen voor sandalen koos maar nog voor we een stap gezet hadden kon ik al zeggen dat het voor haar de flater van het jaar zou worden.
De hoteluitbater bleek ook de gids te zijn die ons door het reservaat zou loodsen. Ik schat dat zijn leeftijd met een 6 begon, hij sprak amper Engels maar bleek van het type ‘actieve 60 plusser’ te zijn. We gingen van start over een stijl, rotsachtig bergpad dat ons recht de vallei in voerde. Als ik tot dan toe had gevreesd dat het meezeulen van bergschoenen in mijn bagage een nutteloze inspanning zou worden, dan was die vrees nu volledig verdwenen. Ik kon ze wel kussen.
Rowan raakte al spoedig achterop omdat haar voeten voortdurend elk een eigen weg uitrolden over de losse stenen. Na een half uur deed ze haar beklag bij de gids. Die stamelde dat het pad straks beter zou worden en daar scheen ze voorlopig vrede mee te nemen. Haar voeten hadden intussen dezelfde kleur aangenomen als het pad.
We kwamen uit op een brede onverharde weg die zich in dalende lijn door de vallei slingerde. Het was redelijk steil, en dat was ook te zien aan de bezwete gezichten van enkele toeristen die uit de tegenovergestelde richting kwamen. We volgden de weg een eindje, af en toe halt houdend om over de rotswanden uit te kijken op zoek naar wilde dieren en genietend van de loepzuivere stilte. Maar toen we opnieuw voor een smal pad kozen dat langs de helling liep, sloeg Rowan permanent aan het zeuren.
“Can’t we keep on following that nice road into the valley?” “You said it would be easier by now.” “This is not what I had in mind when I imagined a walk”.
En zo ging ze maar door. Ik liep zo ver mogelijk vooraan zodat ik haar slechts in de verte hoorde klagen in dat ééntonige Londense accent. Ik dacht terug aan enkele bergtochten die ik in mijn leven had gedaan waarin een brede onverharde weg met veel losse stenen, de hoofdrol speelde. Ik herinnerde me vooral de intense saaiheid, de pijn aan mijn knieën en mijn voeten, en het met opengesperde mond naar boven staren op de stukken bergop. Als het van Rowan afhing zouden we die weg helemaal naar beneden volgen tot we onze voeten niet meer zouden voelen en bijna door onze knieën zouden zakken, en daarna op het heetst van de middag langs dezelfde weg terugkeren. Bergop.
Bij de volgende pauze, ergens in een koel bosje aan een waterbron, waar we onze gezichten verfristen, liep Rowan naar de gids en stelde voor dat ze op haar eentje zou terugkeren naar de weg, en zo zou terugkeren naar het dorp. Hij kon weinig enthousiasme voor haar plan opbrengen en het verwonderde mij dat ze dat als leerkracht niet inzag. Wat voor gids zou iemand alleen laten terugkeren in een onbekend gebied?
Daarna ging het enkel nog bergop, wat in principe de terugkeer inluidde. De weg was stijl en de zon scheen ongenadig. Ik was blij dat ik eerst naar Zwitserland was geweest en daarna naar Jordanië, en niet omgekeerd.

Het einde van de klim scheen niet in zicht te komen toen het einde van de fles water al lang bereikt was. We stopten even onder een boom en zagen een man in legeruniform ons van boven tegemoet komen. Van een pad was nog nauwelijks sprake en Rowan was aan het fantaseren over een complot tegen ons omdat Nasser ervoor gezorgd had dat we geen ingang voor het natuurpark moesten betalen.
“He’s taking revenge on us just because we didn’t pay the 7 dinars”.
Niemand van ons ging mee in die theorie, en niemand ervoer het pad op dezelfde manier als zij (…waarschijnlijk omdat wij wél schoenen aanhadden).
De man in uniform hield een ketel thee in zijn hand.
“Bedouin tea?”
Niemand behalve ik leek happig om op dat moment thee te drinken behalve ik. De woorden ‘drank’ en ‘dorst’ gingen in een lichtkrant door mijn hoofd. We klommen een eindje hoger tot bij de rotsen voor ik een beker thee kreeg. Het was een vuil geval met een overdaad aan zand dus aarzelde ik aanvankelijk alvorens de thee naar binnen te gieten.
Plotseling verscheen onze gids met een stok waarop een menselijke schedel prijkte, als een soort ‘surprise’.
“Old bedouin burial ground”, glunderde de man in uniform. Ik maakte snel een foto van de gids met de schedel, een beeld dat op zijn minst compromitterend kon worden genoemd in de ogen van iemand die de context niet kent.
Later zou ik van Rowan horen dat de man in legeroutfit haar de rekening van mijn thee kwam presenteren.
“I can’t believe he wanted to charge me for your tea!”
-“I can’t believe he actually wanted to charge for that!”, zei ik.

De terugweg tot aan het dorp ging door ‘the garden’: een dicht struikgewas waardoor onafgebroken het geluid van stromend water klonk en waarin iedere plant wel een eetbare vrucht droeg. De gids stopte verschillende keren om ons achtereenvolgens een tros druiven, braambessen en vijgen toe te steken.
Wat minder in dank werd afgenomen waren de doornstruiken die weelderig over het pad krulden. Schrammen waren ieders deel, behalve het mijne. Na mijn schoenen kon ik nu wel mijn lange broek kussen. Rowan was niet in de stemming om de pracht van de plaatselijke flora te bewonderen want ze was ziedend op de gids. Nadat ik haar voorbij een moeilijk stuk had geholpen door zoveel mogelijk doornstruiken opzij te drukken met mijn voet, hoorde ik haar tegen de arme man van leer trekken. Ik liep snel wat verder naar Greg en Griet maar haar stem bleef hoorbaar.
“I’m very angry with you!!”
-“I’m sorry.”
-“I don’t care about your sorry…”

We lachten groen en prezen ons gelukkig dat onze walk in the woods bijna achter de rug was.

Ik kwam als eerste terug aan het hotel waar Nasser, de chauffeur en nog wat anderen voor de ingang druiven zaten te eten. Ik kreeg terstond een tros in de handen geduwd.
“How was it?”, vroeg hij monter. Van een kater leek geen sprake.
-“For me very good. But people with sandals will say otherwise.”

Hello!

Onze chauffeur stond zichtbaar te trappelen om verder te rijden, en wij met hem, dus sloegen we het middagmaal in het hotel af om onze reis verder te zetten. De hotelcrew wuifde ons uit terwijl het busje zich door de smalle straatjes wrong. Volgende halte: Petra.

We reden door verschillende kleine dorpjes waar schijnbaar enkel 10-jarige kinderen woonden. Zonder uitzondering zwaaiden ze ons lachend toe terwijl ze “helloooo!” riepen. Jommekes avontuur in “Kinderen baas” zou hier perfect mogelijk zijn geweest.
We stopten in een snackbar om te eten en hoewel ik niet overdreven hongerig was verorberde ik mijn ‘chicken shwarma’ alsof ik in dagen niet gegeten had.

Het was een ontspannen namiddag die grotendeels bestond uit autorijden en genieten van het vooruitzicht van een normaal bed en een douche. Ik realiseerde me plots dat ik zo ver ik kon kijken niks anders zag dan een zandvlakte en ik besefte dat ik me voor het eerst in mijn leven in een echte woestijn bevond. Hier en daar zag je een tent, of een eenzame dromedaris staan, met op de achtergrond een kleine wervelwind die plaatselijk veel stof deed opwaaien. Rechts voor ons, in de heuvels, lag Wadi Musa, het dorp dat de toegangspoort vormt naar de historische site van Petra.

One dinar. One!

Wadi Musa deed me denken aan een skioord. Overal waren hotels en restaurants en het vertoonde tekenen van relatieve rijkdom, vooral vergeleken met de dorpjes waar we eerder die middag doorgereden waren. De benoeming van Petra tot één van de nieuwe wereldwonderen zal de inwoners geen windeieren gelegd hebben. We stopten voor een gebouw waarin zich een mythische bron zou bevinden.
“Here is one of the places where Moses hit the rocks and water came out”, zei Nasser. We stonden op de rand van wat ik het best kan beschrijven als een klein zwembad, gevuld met klaarhelder water dat vanuit een rotsachtige tunnel gestroomd kwam.
“It is said to have healing power!”
Greg, die farmaceutische wetenschappen gestudeerd had, nam de proef op de som en dronk enkele slokken water uit zijn hand. Die beker liet ik liever aan me voorbijgaan. Het water uit de kraan was ook zogezegd te drinken en ik wilde mijn darmen in hun oorspronkelijke staat behouden.
Naast de bron was een souvenirwinkel waar zandfiguren in flesjes verkocht werden. Net toen we onze rug wilden draaien om terug naar de wagen te lopen verscheen een jonge verkoper (hij was een jaar of 11). In zijn handen hield hij een Palestijnse keffiyeh (in zwart-wit), die hij mij terstond om het hoofd wilde leggen.
“No thank you!”, zei ik lachend terwijl ik hem ontweek, en ik maakte me zonder omkijken uit de voeten.

Het hotel was degelijk. We kregen er vruchtensap als welkomstdrink en ik was blij nog eens iets anders te kunnen drinken dan water om de dorst te verdrijven. De douche in onze kamer was er één naar mijn hart: hoe je ook aan de kraan draaide, het water bleef stromen. Het leek een uitstekend excuus om er extreem lang onder te blijven staan. “Ik moest wel zo lang douchen, anders zou het waterverspilling zijn”.
Jammergenoeg douchte Griet voor mij en kreeg ze als eerste met het ‘probleem’ te maken. Ik werd te hulp geroepen en kon het water dan toch stoppen door aan de douchekop te draaien.

We hadden 4u voor we met z’n allen zouden gaan eten dus gingen Griet en ik, na gedoucht en gerust te hebben, op verkenning in Wadi Musa. We zochten een bakkerij om sandwiches in te slaan voor de volgende dag. Gewapend met een plannetje uit de Lonely Planet, waar de bakkerij in kwestie in vermeld werd, trokken we de straat op. Maar wat begon als een gecontroleerde oefening in oriëntatie, mondde al snel uit in natte-vingerwerk waarbij we alleen zeker waren van de richting van het dorpscentrum. Onderweg werd ons om de haverklap “hello!” toegeschreeuwd door spelende kinderen. Ook hier waren er geen volwassenen te bekennen. We zagen een jongen van pakweg 11 te paard onze richting uitkomen. Het was de jongen van de souvenirwinkel. Ik zag de bui al hangen.
“You want to ride the horse?”
-“No”
-“Where are you going?”
-“The shop!”
-“Common, jump up, I’ll take you!”
We schoten in de lach.
“With three people on one horse? Are you insane?”
-“Common, it’s no problem!”
Hij was duidelijk getraind in omgang met toeristen. Om ze te overtuigen, blijf zo lang mogelijk doorzeuren.
Wij pasten eveneens onze beproefde tactiek toe: negeren. We bogen ons over het plannetje en deden of we controleerden of we nog steeds op de juiste weg waren. Uiteindelijk joeg hij zijn paard voorwaarts en het nerveuze dier zette een galop in.

De weg bracht ons gelukkig recht naar het centrum. Daar waren geen kinderen meer te bekennen, enkel starende mannen. Bij elke winkel, elke bar en elk restaurant stond wel een kerel voor de deur die ons binnen probeerde te lokken.
“Where from?”
-“Hawai”
-“Welcome. Come take a look inside.”
-“Talk to the hand.”

We vonden onze bakkerij probleemloos. Een rek tegen de muur lag vol plastieken zakken, gevuld met sandwiches. Alleen waren de zakken niet doorzichtig en stond er nergens te lezen hoeveel stuks zo’n zak bevatte. Ik riep de hulp in van de man achter de kassa.
“How many are in the bag?”
-“One dinar.”
-“No, I mean how many are inside?”
-“…one dinar.”
-“Yes, I know. But I want to know – hoooow – many – sandwiches – are – in – the – bag.” En ik ging met mijn handen langs de zak op en neer om het geheel van de sandwiches op één of andere manier te benadrukken. De man leek in de war.
“One dinar.”
We werden radeloos. Intussen moest die man toch al doorhebben dat ‘one dinar’ niet het antwoord op onze vraag is??
-“Do you understand our question?”
-“One dinar”
Een tijd later, toen ik aanstalten maakte om de zak te openen en de inhoud zelf te gaan tellen, kreeg de kassaman de ingeving er een personeelslid dat wél Engels verstond erbij te roepen.
“12”, zei die.
-“Excellent”, zei ik. Ik zag af van het idee om de verkoper nu om de prijs te vragen in de vrees dat de ironie niet zou overkomen, en dus legde ik een dinar op de toonbank bij het naar buiten gaan.

Bij een kruidenier gingen we op zoek naar een pot Nutella. Die vonden we niet en we wilden terug naar buiten gaan, maar net op dat moment stond de uitbater op en vroeg “what were you looking for?”, in perfect Engels, zonder enig accent.
“Nutella”
-“Hmmm, let’s seeee”, zei de man en hij liep de winkel in. Hij liet zijn ogen de rekken afgaan terwijl hij met zijn hand over zijn kin wreef.
“I’m sorry, but apparently I can’t help you.”
-“No problem.”
-“Have a nice evening!”
-“Bye”

Als de man van de bakkerij het ene uiterste betekende, dan was dit het andere.

Stappen in Wadi Musa

Met Nasser hadden we om 20u afgesproken in de lobby. Toen we daar een kwartier voor het afgesproken tijdstip aankwamen bleken de familie Flodder, en even verder Greg en Rowan, een Amstel-festijn te hebben opgestart. Een bediende was juist bezig Rowans glas van een onzichtbare schuimkraag te voorzien toen we erbij kwamen zitten.
“How much does it cost?”, vroeg ik aan Greg.
-“4 JD”
-“4?? I think I’ll pass”.
– “You wanna drink?” Rowan duwde haar glas een eindje in mijn richting.
– “No thanks”
– “Why not?”
– “It’s your beer.”
– “Yes, and I’m offering you some.”
– “No, really”
– “If I ask you if you want to drink, I don’t ask it out of politeness. I’m really offering you some”.
– “Ok then”
Ik nam een slok van haar glas en bedacht intussen dat de eerste slok altijd de beste is. Hierna zou ik geen Amstel meer willen. Maar zo had Rowan het niet begrepen: 2 minuten later begon ze opnieuw.
“You want to drink again?”
-“No, thanks”
-“I mean it!”
-“Me too!”
-“Are you refusing out of politeness or because you really don’t want?”
-“Because I really don’t want.”
-“Ok, then.”

Blijkbaar was Rowan in de Amstel-val gelopen en probeerde ze er krampachtig uit te raken. Ik voelde er weinig voor haar daarbij te helpen. Mijn vorige ervaring was nog niet lang genoeg voorbij.

Naast ons werd de familie Flodder tot onze ergernis steeds luidruchtiger. Gelukkig kwam Nasser, weliswaar een kwartier te laat en al wat aangeschoten, de lobby binnengewandeld.
“Let’s go guuuys!”

Onderweg naar het dorpscentrum zeverde hij erop los, nodigde hij de hello-kinderen uit om met ons mee te gaan (waar ze gelukkig niet op in gingen), en pikte hij een volgzame straatkat op. Rowan bleek van het type te zijn dat tegen dieren praat alsof ze haar werkelijk begrijpen.
“Hello mister cat, how are you? You are so cute! Oh yes you are! Oh yes you are! Are you coming with us?” …

We aten op een terrasje met (luidruchtige) lokale livemuziek op de achtergrond. Ik betaalde 6 dinar voor een kebab die qua omvang 3 keer kleiner was dan de shwarma van die middag (waar ik 3 dinar voor betaald had, drank inbegrepen). Gelukkig voor mij had Greg niet veel trek en mocht ik zijn kip overnemen. Nasser at wat soep en dronk voor de rest arrak. Zijn vertelsels werden steeds inhoudslozer met als toppunt een simpel verhaaltje dat hij uitrok tot romanformaat. Tegen de tijd dat de rekening kwam, was er enkel nog een dikke nevel in zijn hoofd. Er scheen een probleem te zijn met de rekening en het aandeel van de taksen daarin. Nasser hertelde wel 5 keer onze rekening, er stellig van overtuigd dat hij dat wel even voor ons zou kunnen regelen. Dat zou hij waarschijnlijk ook gekund hebben als hij nog over een korte-termijngeheugen had beschikt en niet vergeten was hoe hij moest hoofdrekenen. Toen hij voor de zesde keer aan Rowan vroeg wat zij voor haar eten moest betalen, had ze er genoeg van. Ze nam de rekening uit zijn handen en vroeg de ober ons geld terug. Ze bekeek de rekening en legde het gevraagde bedrag op tafel. Daarna legde ze er de fooi bij en daarmee was de kous af. Wij gingen naar het hotel en Nasser zou “a little bit later” komen. Het was maar al te duidelijk wat hij daarmee bedoelde.
Rowan zeurde over de rekening, ik keek verlangend naar de blikjes frisdrank die in rijen in koelkasten lagen die voor winkeldeuren stonden, en in de verte spatte vuurwerk uit elkaar. Ik voelde me, en ik was waarschijnlijk, een rariteit in het straatbeeld. Ik keek uit naar de volgende dag, want dat zou ongetwijfeld een hoogtepunt van de reis worden.

– Wordt vervolgd –

The goggles didn’t help

Ter aanvulling van gisteren: het fameuze restaurant

Rowan - ik - Greg - Griet

Rowan - ik - Greg - Griet

Wake-up call

De volgende morgen rinkelde de telefoon. Ik had net mijn kleren aangetrokken en mijn hoofd onder koud water gestoken om wakker te worden. Ik keek naar het toestel en er brandde een rood lichtje bij “reception”. Ik nam op.
“Hello?”
“Hello sir, […] waiting for you at the reception”. Ik verstond de reeks woorden die voor ‘waiting’ kwamen amper, maar er waren slechts 4 mensen in Amman die mogelijk op ons konden staan wachten.
-“We’re down in a second”, zei ik.
En tegen Griet: “Shit, ze staan ons al op te wachten! Ik dacht dat we 9.30u afgesproken hadden.”
Op dat moment was het 8.30u. In zeven haasten propten we onze bagage in onze rugzak want die dag zouden we Amman de rug toekeren en met de werkelijke trip door Jordanië beginnen.
10 minuten later verschenen we zwetend aan de receptie. De receptionist stond te bellen en gebaarde ons even te wachten. De rest van ons reisgezelschap was nergens te bekennen. Er was enkel een ietwat dikkere man met een snor. De receptionist legde de hoorn neer en zei iets in het Arabisch tegen de besnorde man. Daarna wendde hij zich tot ons.
“You are checking out?”, vroeg hij, doelend op onze rugzakken.
-“Eh, yes”
-“You have to go to the airport?”, vroeg hij daarna terwijl hij kort zijn blik naar de man met de snor verplaatste. Blijkbaar was die laatste een chauffeur.
“Nooo, we’re going to the Dead Sea! We’re with a group, and we were supposed to be here at 9u30!”
De mannen wisselden weer wat Arabische woorden.
“9.30?”, vroeg de man met de snor ons toen?
-“Yes, Nasser said 9.30”, zei Griet.
-“Nasser said 8.30 to me”, zei de man.
Ik glimlachte en trok mijn wenkbrauwen op. Ik kende onze gids amper een dag maar wist nu al dat het maken van afspraken niet zijn grootste talent was. We lieten onze rugzakken achter aan de receptie en gingen ontbijten. Other things could wait.

Tourist trap

“This is Madaba. It’s a nice town. I think you’ll like Madaba”, zei Nasser terwijl hij uitstapte.”
“How long will we be out?”, vroeg Greg omdat hij niet wist of hij zijn rugzak moest meenemen.
“About half an hour”, zei Nasser.
“Een half uur om Madaba leuk te vinden? Dan moet het wel heel sterke troeven hebben”, dacht ik bij mezelf. Die troeven had het niet. Wat het wel had was een kerk. Niks speciaals denk je misschien, maar stel je dan eens een dorp voor met een moskee.
Wat de kerk speciaal maakte, waren de mozaïeken die binnen lagen en die een kaart van het Midden-Oosten voorstelden. Alles was mozaïek: de vloer, maar ook wat normaal schilderijen zouden moeten zijn. Het waren mozaïeken die aan de muur hingen.
Nasser had zijn uitleg gegeven in een bijgebouwtje en toen wij de eigenlijke kerk binnen gingen bleef hij buiten om te roken. Even verdacht ik hem ervan toch een overtuigde moslim te zijn omdat hij de kerk niet betrad. In Jerash had hij ook het ganse principe van de ‘oproep tot gebed’ van de moskeeën uitgelegd. Hij kende die oproep glad van buiten. Maar anderzijds was er het roken en het drinken dat alles tegen sprak. Kortom, een moeilijk geval.

Take a look inside, guys”, zei Nasser nadat we geparkeerd hadden naast een klein wit gebouwtje op de flank van Mount Nebo. We hadden Madaba intussen achter ons gelaten en waren halverwege de klim naar de top van de bijbelse berg. In het gebouwtje werden mozaïeken gemaakt zoals deze die in de kerk van Madaba aan de muur hingen. Mensen zaten aan tafels met een tang steentjes in stukken te knijpen en te sorteren volgens kleur. Allemaal hadden ze één of andere handicap. Een man in rolstoel vertelde ons gelaten het proces van mozaïekmaken, daarna mochten we rondkijken in de rest van de ruimte die een grote winkel bleek te zijn van mozaïeken en allerlei andere souvenirs. Ik vroeg me af wat Nasser kreeg om hier op gezette tijdstippen een busje toeristen af te leveren. De winkel was groot, bijna een kleine supermarkt, en er ontspon zich een soort kat-en-muisspel. De man in de rolstoel week geen meter van Griet en Rowan, en ikzelf zag vanuit mijn ooghoeken voortdurend verkoopsters mij subtiel benaderen, waarschijnlijk om mij op een onverwacht moment te overvallen en me een keffiyeh om het hoofd te wikkelen voor ik boe of ba kon zeggen. Ik verplaatste me snel naar een afdeling waar het vol antieke spullen stond om daar wat onverschillig geïnteresseerd te staan doen maar al gauw zag ik van achter een hoek een man verschijnen, die vastberaden leek mij een antiek onderzettafeltje te verpatsen. Ik nam de benen naar de hoek waar het vol zout uit de Dode Zee stond, dat een heilzame werking zou hebben op de huid. Het duurde niet lang voor ik van twee kanten werd ingesloten. Griet kwam naast me staan en pakte een pot zout vast.
“Niet vastnemen!”, zei ik nog, maar het was al te laat. Ik ontsnapte op het nippertje, maar Griet zat in de val. Terwijl ze de uitleg aanhoorde over de wondere wereld van zout koos ik voor de uitgang.

Dead Sea Experience

Boven op Mount Nebo keken we uit over het Beloofde Land, net zoals Mozes ons had voorgedaan op het einde van Exodus. Onder ons lag de Dode Zee, gewikkeld in een deken van nevel.
“You are lucky because the view is very clear today”, zei Nasser. “From now on we go downhill because there…”, en hij wees naar beneden, “…is the lowest place on earth. 420 metres below sea level. You will also notice that it’s 10 degrees warmer than here. It will be so humid you can barely breathe.”

De gewaarwording toen ik uit de auto stapte aan de ingang van één of ander resort aan de Dode Zee kun je met moeite onder “to notice” klasseren. De hitte kletste me eerst een paar keer om de oren om zich vervolgens aan mij vast te hechten als een vleermuis in je haar. De plakkerige hitte deed de meren in Noord-Italië degraderen naar 4de klasse in de categorie ‘zwoel’, en okselvijvers traden uit hun oevers om okselmeren te worden.
Nadat we binnen van het buffet gegeten hadden gingen we naar de oever van het meer om de Dead Sea Experience aan den lijve te ondervinden. Je hoeft niet ver te lopen om te voelen dat het water je naar boven duwt. Al gauw word je een menselijke dobber en ga je automatisch horizontaal. Het was gewoon zalig ondanks het water dat zo warm was als in je bad thuis.
Zo ging het een tijdje goed. “Don’t let the water into your eyes”, had Nasser gezegd. Ik dacht “how hard can it be?” Maar ergens weet je wel dat het onvermijdelijk zal zijn. Ergens is er wel één, slechts één luttele rebelse druppel die de aanval zal inzetten. En zo geschiedde. Ik begon me te vervelen en besloot eens op mijn buik te draaien, te zitten, op mijn zij te liggen, etc. Daarbij werd mijn haar nat en van mijn haar begon het water aan de afdaling richting ogen. Mijn wenkbrauwen gaven zich al snel gewonnen tegen de overmacht en plots voelde ik mijn rechteroog gigantisch pieken. Ik voelde ook hoe het water dichter bij mijn ander oog kwam dus dat kneep ik zo hard mogelijk dicht. Met twee dichtgeknepen ogen en een piekend rechteroog zocht ik mijn weg naar de oever, af en toe een oog open forcerend om me te oriënteren. Tot overmaat van ramp kwam er een druppel water op mijn lip terecht. Het is misschien maar een druppel, maar wanneer je het begint te proeven is het alsof je een theelepel zout in je mond hebt. Het moet een lachwekkend zicht geweest zijn: ik die met twee krampachtig toegeknepen ogen al spuwend, op de tast mijn weg naar de oever probeerde te banen. Op een misdadig lange afstand van de waterkant stonden de douches.
Toen ik mij had bediend van het wassende water en terug aankwam bij de oever, zag ik de anderen op hun handen en knieën door het ondiepe water scharrelen, alsof ze chocolade-eieren aan het zoeken waren. De waarheid was grappiger: de modderige bodem had van Rowans teenslets de diepste teenslets ter wereld gemaakt door hem met rubber en al heelhuids te verslinden. Slechte zaak voor Rowan want schoeisel is aan de Dode Zee een noodzakelijk attribuut. Deels om je voeten van snijwonden te behoeden in het zoute water (hoewel je het beter waterig zout zou noemen), maar nog meer om je voetzolen te besparen van derdegraads-brandwonden als je over de hete aarde terug naar het hotel/kuuroord/resort/whateveritwas terugliep. Het was als zoeken naar een naald in een hooiberg, maar ik toonde toch even mijn goede wil door op mijn beurt als een varken in de modder te beginnen graven. Die modder was uitzonderlijk vettig, zuigend en diep. Ik kon mijn hele arm er loodrecht in boren, maar moest wel heel hard trekken om hem terug te krijgen. Ik zou het dus beter niet met mijn been proberen als ik daar van mijn leven nog gevoel wilde hebben.
Rowan vond haar slets niet meer terug, maar vond wel een andere, dus kon ze met twee verschillende sletsen teruggaan. Maar niet voordat we ons volledig met modder ingesmeerd hadden want, zo zegt men, die heeft een geneeskrachtige werking. Ik moet toegeven: achteraf voelde mijn vel aan als de huid van een bloedworst.

Na een siësta aan het zwembad – één van de twee momenten waarop het strandvakantiegevoel tijdens deze reis zou opduiken – was ik toe aan bier. Geen water meer, maar bier. En het kon me niet schelen dat het me 4 JD zou kosten, ik zou een moord begaan voor een frisse pint. Toen ik mij weer had aangekleed stond de Amstel-val mij met opengesperde armen in een kom-eens-hier-gebaar op te wachten. Een bar, een blik Amstel, een plastiek bekertje. Zieliger kon het niet maar ik kon nauwelijks wachten. Drie grote deugddoende slokken en dat was het. De vierde slok was er één van “wtf is me dat???” en de vijfde één van “ik heb heimwee naar het Dode-Zeewater.”
“I think Leffe is delicious!”, zei Rowan en ik kon haar wel slaan om zoveel gevoelloosheid.

Road trip

We verlieten de sauna van de Dode Zee en het busje nam ons mee de bergen in. Weidse vergezichten ontplooiden zich voor ons terwijl de motor van de Hyundai hoge octaven zong om ons boven te krijgen. De chauffeur en Nasser waren duidelijk in een felle discussie verwikkeld waarbij de chauffeur het niet kon laten Nasser aan te kijken als hij iets tegen hem zei. Op die momenten kwamen we soms gevaarlijk dicht tegen de rand van de weg met bijhorende afgrond, of soms helemaal op de linkerrijstrook.
Rowan probeerde ons ongemak subtiel duidelijk te maken aan de twee mannen vooraan: “Nasser, do a lot of accidents happen on these roads”?
-“No, people are used to driving here.”
De boodschap was niet aangekomen, maar ik had het te druk met foto’s te maken om tegelijk voor mijn leven te vrezen. Mannen kunnen slechts met één ding tegelijk bezig zijn weet je wel.

Wasted state of mind

Na een betrekkelijk lange rit kwamen we aan in het dorpje Dana, op de rand van het gelijknamige natuurreservaat dat in wezen een diepe kloof was, met donkerrode wanden, en diverse soorten aan fauna en flora. Het uitzicht zou adembenemend geweest zijn als de zon er niet vlak in ons gezicht stond. Het dorpje zelf was verlaten. Het was volledig opgetrokken in natuursteen (in tegenstelling tot de betonnen huizen overal elders in het land) en het wordt in deze toestand beschermd als een soort erfgoed. Er waren enkel drie geïmproviseerde ‘hotels’. Het onze bestond uit een binnenplaatsje waar aan beide kanten kamers op uitgaven. Aan één kant had men op het dak met glas en staal een soort veranda geconstrueerd, en die afgedekt met een zeil in plaats van een dak. Op het dak aan de andere kant stond niks behalve een bank en een schommelstoel voor twee personen. De twee daken konden bereikt worden door een primitieve stalen trap die eigenlijk niet meer was dan een ijzeren gaas waar men een trapvorm in had geslagen.
Er bleek een probleem te zijn met de reservatie: te weinig kamers gereserveerd. Er waren slechts 3 kamers i.p.v. 5 (de chauffeur, Nasser, Greg, Rowan en één voor Griet en ik). Het was natuurlijk geen enkel probleem voor mij om samen te hokken met Greg, en voor Griet om samen te hokken met Rowan (“hopelijk valt ze snel in slaap”,dixit Griet). Maar Nasser wilde niet samen met de chauffeur op een kamer, dus hij zou een kamer gaan zoeken in een ander hotel.
Toen we later die avond samen op het dak een fles Mount-Nebowijn, die we uit Amman hadden meegenomen, zaten meester te maken (die de titel ‘hard core‘ kreeg want hij steeg snel naar het hoofd), kwam Nasser plots door de poort aangewaggeld. Ik zag aanvankelijk enkel zijn voeten door het bladerdak van een boom op de binnenplaats maar ik herkende zijn broek en schoenen.
“He seems to be wasted”, zei ik.
Toen hij de trap op zwalpte wisten we het zeker. Compleet dronken.
“Hiiiigh guuuuuuuys”, zei hij met een gigantische smile op zijn gezicht terwijl hij een soort sierlijke intrede maakte met wijd opengesperde armen en benen, als een goochelaar die “tadaaaaa” zegt nadat hij het konijn uit de hoed heeft getoverd.
“Can I join you?”
-“Sure”
Hij kwam wijdbeens tussen Rowan en ik zitten waardoor we subtiel tot tegen de rand van de bank schoven. Met veel gegesticuleer begon hij allerlei verhalen te vertellen waarin de pointe ontbrak maar die hij zelf ogenschijnlijk bijzonder grappig vond. Het duurde niet zo lang voor de vrouwen gingen slapen. Greg had nog geen zin en ik zag mijn kans schoon om die schommelstoel eens uit te testen.

Zo gebeurde het dat Greg, Nasser en ik nog tot half één hebben zitten kletsen op dat dak. Het verbaasde me hoe snel Nasser nuchter werd. Hij vertelde over zijn familie, over vrouwen in het algemeen (waarin hij verrassend conservatief uit de hoek kwam), over zijn schotelantenne en over de ramadan. Hij legde het systeem uit hoe aan de stand van de maan de begindatum van de ramadan wordt bepaald en hoe het de komende jaren steeds zwaarder zal worden naarmate de vastenperiode dichter en dichter opschuift naar het heetst van de zomer. “It’s impossible not to drink a whole day long when it’s 40 degrees outside.”
Hij vertelde ook over het probleem met de reservatie en waarom hij een ander hotel is gaan zoeken.
“I need some personal space”, zei hij. “Some privacy”.
Dat begrepen we allebei maar al te goed. Maar toen zei hij iets vreemds: “It’s not for my mind, my mind is ok. It’s for my body. I have certain needs.”
“I think he means his bottle bottle of booze”, zei Greg me toen Nasser even naar het toilet was.

De volgende dag zouden we met een andere gids het park in trekken en Nasser beloofde dat hij hem zou vragen ons op zijn mooiste tocht mee te nemen. “Because I love you guys, really!”.

The Hose

Onze kamer was simpel vierkant met een houten deur en een raam met een luik. De muren hadden geen bekleding want de buitenmuur en de binnenmuur waren dezelfde. Er bengelde een peertje aan het houten dakgebinte boven ons hoofd. Greg begon prompt de matras te controleren op ‘bed bugs’. “Look for the black dots. That’s their poo!”  Gelukkig waren er in geen van beide matrassen tekenen van bed bugs te vinden.

Het sanitair viel best mee want er was één toilet dat geen “poo hole” was, zoals Greg het plastisch uitdrukte. Nuja, een gewoon toilet is nog altijd op z’n Jordaans: je mag het toiletpapier niet in het toilet gooien, maar in de emmer die ernaast staat. Anders riskeer je een plaatselijke en onsmakelijke vorm van wateroverlast. Eigenlijk dient toiletpapier enkel om de handel af te drogen nadat je met behulp van een waterspuit (eveneens naast het toilet te vinden) en je linkerhand (die je bijgevolg nooit mag gebruiken om te eten) alles proper gewreven hebt (sorry voor de mental image). “The Hose” was een begrip geworden onder ons vier en er was geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht die werkelijk te gaan gebruiken.

Shikaka!

Toen ik terugkwam nadat ik mijn tanden had gepoetst wees Greg me op een nerveus gepiep ergens in het dak. “We have a bat”, zei hij.
Mijn haren gingen onmiddelijk overeind staan. Op één of andere manier krijg ik net iets té vaak te maken met die creatures of hell als ik op reis ben.
We noemden ons nieuw, maar voorlopig onzichtbaar huisdier Shikaka, en ik ging met een ongemakkelijk gevoel slapen. “The spirit shall overcome”, ging het door mijn hoofd toen ik het licht uitdeed.

– Wordt vervolgd –

ps: is dit nog te doen of wordt het te lang? Is het eigenlijk wel interessant? In ieder geval is het te lang om ideaal blogmateriaal te zijn. Maar ik schrijf nu dan ook voor mijn vast publiek. Feedback aub.