Been there, done that

Jordanië: laatste deel

“De cirkel is rond…”

…zo besefte ik toen ik die zaterdagmiddag van het hotel wegliep, blinkend van zonnecrème en zweet. We liepen in dezelfde richting als we op dag één hadden gedaan en hadden min of meer hetzelfde doel voor ogen (een taxi vinden die ons ergens midden in de stad zou droppen), dus was het een beetje als een déjà-vu. We waren slechts 8 dagen verder, maar wat een verschil! We wisten precies waar we een taxi zouden nemen, hoeveel we voor die taxi zouden betalen en waar hij precies heen moest rijden: King Adbullah Mosque. De eerste dag waren we wat onwennig een prijsonderhandeling gestart met de eerste de beste taxi die voor het hotel stond. We wilden naar de buurt van het Romeinse theater toen, zonder echt te weten wat er daar overigens nog te doen was of te beleven viel.
Vandaag wisten we precies wat we zouden doen na het moskeebezoek. We wisten hoe we ons zouden verplaatsen, welke buurten we zouden bezoeken en hoeveel tijd we er zouden doorbrengen. Het klinkt allemaal misschien wat krampachtig en hopeloos kapotgepland, maar we moesten de rest van de dag in de stad kunnen vullen. Rond 0u30 zouden we aan ons hotel opgepikt worden door iemand van het reisagentschap, die ons naar de luchthaven zou voeren. Het was 12u, en we hadden dus 12,5u voor de boeg zonder ‘thuisbasis’.

To the mosque! Where you pray! To Allah! With the blue dome! Like the sky!

Ander verschil met de eerste dag: ik had mij deze keer wél ingesmeerd met zonnecrème. De eerste dag was ik het glad vergeten. Waarom ik u dit volstrekt oninteressant en schaamtelijk feit mededeel weet ik zelf niet. Anyway, met relatief veel zelfvertrouwen liepen we langs één van de grote boulevards van Amman, ergens tussen de Seventh en Eighth Circle. Al snel stopte er een taxi. Ik keek door het open raam naar binnen, en mijn blik werd beantwoord door de olijke ogen van een kleine, kale taxichauffeur. De man zag er doodbraaf en betrouwbaar uit, maar desondanks informeerde ik of hij wel met een meter werkte. Hij bevestigde met een gebaar richting een rechthoekig apparaat achter de pook.
Het was pas toen we allebei op de achterbank zaten, dat we tot de vaststelling kwamen dat de man alleen Arabisch sprak. Zijn talenkennis was zo zwak dat hij zelfs geen eigennamen meer begreep van zodra ze in de context van een niet-Arabische taal waren geplaatst. Dus toen ik hem vroeg ons naar de King Abdullah Mosque te brengen, begreep hij ons niet. Voor de duidelijkheid: de moskee in kwestie is de grootste van de stad en van het land. De betekenis van het gebedsgebouw voor de stad is te vergelijken met die van de Notre Dame voor Parijs.
Griet was die dag wat minder geduldig dan normaal: terwijl ik die nacht mijn buikbacterie definitief had verslagen, had zij er zelf één opgelopen. Al gauw ontspon zich tussen haar en de chauffeur een conversatie van de soort die Italianen en Spanjaarden er ook wel eens plegen te hebben. Doe de test: probeer eens de weg te vragen aan een Italiaan. Hij of zij zal hoogstwaarschijnlijk enkel Italiaans spreken en ondanks het feit dat jij er geen iota van begrijpt, zal hij ervan overtuigd zijn dat als hij Italiaans blíjft spreken, je het vanaf een bepaald punt wel zal beginnen snappen.
Griet bleef dus pogingen ondernemen om de man in het Engels uit te leggen wat en waar de moskee was, en ze werd daarbij vlot van antwoord bediend door de chauffeur in het Arabisch. Ik vond het wel grappig hoe ver ze daarbij ging:
Griet: “The mosque!!”
Chauffeur: “(Arabische tekens)”
Griet: “Where you pray!”
Chauffeur: “(Arabische tekens)”
Griet: “Where you pray! To Allah!!”
Chauffeur: “Allah?”  Dat had hij blijkbaar wel begrepen. Vermoedelijk dacht hij dat we naar Allah wilden en dus gewoon een totaal verknipt Westers stel waren.
Griet: “Yes, to Allah. In the mosque. The big one, with the blue dome!”
Chauffeur: “(Arabische tekens)”
Griet: “The blue dome! Blue! Like the sky!”
“Ik denk dat je hem totaal in verwarring brengt”, zei ik ten slotte terwijl ik voor de dertigste keer door de Lonely Planet bladerde, er heilig van overtuigd dat er ergens een foto in stond van de moskee. Het Eurekamoment bleef te lang uit, dus duwde ik de man mijn reisgids onder de neus, opengeslagen op een bladzijde met een klein plannetje van de stad. Ik wees hem op het kaartje het cijfer 11 aan, wat verwees naar de moskee.
“Eleven!”, zei ik hem, waarbij ik mijn wijsvinger bijna door het papier drukte alsof ik zo nóg wat duidelijker kon wijzen. Hij zei enkele dingen in het Arabisch waar ik helemaal niks kon uit opmaken en gaf toen de reisgids terug. Hij bleef praten terwijl hij gas gaf en vertrok, en tussendoor lachte hij in zijn achteruitkijkspiegel, alsof hij net een mop had getapt. Ik glimlachte even en leunde daarna achterover om de wind die door het open raam kwam door mijn haar te laten blazen.
“Nu zal hij het wel begrepen hebben”, zei ik tegen Griet. “Ik zou niet weten hoe ik het duidelijker kan uitleggen dan het hem te tonen op een kaart”.
Zoals gewoonlijk was het was de optimist in mij die sprak, want eigenlijk wist ik zelf ongeveer in welke richting ik de moskee moest situeren, en dat was niet de richting waarin we aan het rijden waren. Mijn vrees werd waarheid toen we ‘ergens’ stopten aan de kant van de straat. Er was niks bijzonders in de buurt te zien, en al zeker geen moskee.
Opnieuw brak er een strijd los tussen Engels en Arabisch, Griet vs chauffeur. Hoe langer het duurde, hoe bitsiger Griet uit de hoek kwam, gedreven door frustratie. Natúúrlijk vonden we die man een idioot omdat hij geen Engels sprak en geen kaart kon lezen. Maar anderzijds dacht hij waarschijnlijk hetzelfde van ons. Ikzelf raakte ook steeds meer gefrustreerd, maar dan omdat ik nog steeds de foto van de moskee niet kon terugvinden in de Lonely Planet.
Maar dan kwam het eurekamoment er toch: iets donkerblauws op één van de pagina’s. Het was een foto van de blauwe koepel van de moskee. Ik liet de chauffeur de afbeelding zien. Er verscheen een blik van herkenning op zijn gezicht en hij begon sneltreinarabisch te praten en te lachen. Ik begreep er geen snars van, maar vermoedelijk zei hij iets in de aard van:
“Aaaaaah! De moskeeeeee!? Maar dat spreek je normaalgezien zó uit: (een verzameling keelklanken alsof er zojuist een mot zich achter zijn huig had verstopt). Hoor je? Zó: (het zou ook kunnen dat hij gewoon fluimen aan het ophalen was, wie zal het zeggen). “Man, jullie westerlingen zijn echt wel oliedom. Hier, geniet nog wat verder van de prachtige hektische religieuze liederen die ik de godganse dag in mijn taxi draai.”
Hij draaide de volumeknop verder open en vertrok in de tegengestelde richting.

De moskee

We belandden uiteindelijk niet in de moskee, maar onder een boom in een rustig park, omgeven door een residentiële woonwijk. De moskee bleek nog een uur gesloten te zijn, dus hadden we toevlucht gezocht in het park, weg van de drukte, om er een uurtje niks te doen behalve lezen. In elk park lopen er wel een paar weirdo’s rond die smeken om je aandacht, en bij ons kwam de eerste kwam al na vijf minuten: iemand die één of ander snoepgoed verkocht en die continu al blazend met zijn lippen langs een plastieken panfluitje ging terwijl hij door het park slenterde. Hij bleef bijzonder lang voor ons staan, in de waan dat we, nadat hij een derde keer op zijn irritante fluitje had geblazen, meer geneigd zouden zijn wat van zijn vreemd spul te kopen.

Na een uur onderbraken we onze siësta om een nieuwe poging te ondernemen de moskee te bezoeken.  Toen we door het hek van de toeristeningang liepen werden we door twee bewakers opgewacht. Om verder te mogen moest Griet letterlijk in een nieuw kleedje gestoken worden. Ik moest helemaal niks, behalve 8 JD ophoesten voor ons beiden.
Griet kwam terug in een zwart kleed mét kap, als een personage uit een welbepaalde reeks onozele thrillers waarin een idioot met een mes een bende nog idiotere tieners op de hielen zit.

De deur van de gebedsruimte kraakte toen we die blootsvoets openduwden. De ruimte achter de deur was rond en halfduister. In het midden op de met tapijten bedekte vloer waren enkele mannen aan het bidden. Ze zaten op hun knieën en lieten herhaaldelijk hun voorhoofd de grond kussen. Eén van hen had zijn GSM en pakje sigaretten netjes naast zich neergelegd.
Ik had wat schroom om ver de moskee in te lopen, dus bleef ik in de achterste halve cirkel, dicht bij de muur, en nam van daaruit enkele foto’s.

Plan A

Na de moskee keerden we terug naar ons plekje in het park, waar we bezoek kregen van weirdo nummer twee. Deze liep minstens een uur lang voor onze neus te ijsberen terwijl hij geregeld nerveus op zijn horloge keek. Twee keer viel hij ons lastig: de eerste keer om te vragen hoe laat het was (als zijn horloge kapot was weet ik niet waarom hij er daarna voortdurend op zat te kijken), en een tweede keer om mij te waarschuwen voor de brandende zon, en dat ik er goed aan zou doen iets op mijn hoofd te zetten.
Na een lange siësta stippelden we ons verdere programma in Amman uit. We zouden de heuvel afdalen en de volgende beklimmen, Jebel Amman genaamd, omdat daar een bioscoop te vinden was en enkele interessante cafés.

De hitte, de helling, het getoeter van de taxi’s die ons wilden meenemen, het commentaar van de locals….  Je kon maar beter je verstand op nul zetten als je al wandelend door Amman geen punthoofd wilde krijgen. Bovendien zou ik op die manier nog voldoende bufferruimte over hebben om de volgende tegenslag te incasseren: het ontbreken van de bewuste bioscoop. Die had plaats moeten ruimen voor het ministerie van financiën. Tot overmaat van ramp bleef ik ook in mijn zoektocht naar een geschikte postkaart voor Linn succesloos (ik ben niet snel content).

Plan B

Tijd voor Plan B: Abdoun Circle, met zijn fancy bars, restaurants en bioscoop. Een taxi met airco gooide ons pal op de circle eruit en we wisten niet waar we eerst moesten gaan. Het aanbod was overweldigend. Daarbovenop kreeg Griet een sms dat de Belgische beloften het tot in de halve finale van het olympisch toernooi hadden geschopt. Taxi met airco, uitrusten, veel cafés en schitterend sportnieuws: het zorgde ervoor dat mijn frustratiebuffer weer aangroeide. Ik kon weer tegen een stootje.
Dat stootje kwam al gauw: de bioscoop op Abdoun Circle bleek ook niet meer te bestaan. Daarbij was er geen enkele “normale” bar te vinden met een “normaal” terras waar je “normale” dingen kunt krijgen, geserveerd door “normale” obers. Self-service koffiehuizen, exotische coctailbars, een Subway, een Pizzahut, een gesloten Irish pub, een chique tavernetoestand, en een ijssalon. Dat was de keuze.
Weinig later zat ik op het terras van het ijssalon met een bol citroen en een bol mango, en Griet met een flesje water en een hoop ergernis omtrent de toestand van haar innerlijke mens.

Plan B bis

De laatste kaart die we konden uitspelen – plan B bis – heette Blue Fig bar, die in de Lonely Planet lovend werd omschreven. Blue Fig lag op het eind van de straat, een straat die verdacht veel weg had van de E40, geflankeerd door een smal trottoir. Aan de zijstraten (of beter: ‘afritten’) waren geen zebrapaden, dus moesten we die telkens al rennend oversteken terwijl auto’s aan hoge snelheid aanstalten maakten de afrit in te slaan. Mijn buffer smolt als sneeuw voor de zon.
Blue Fig kwam net op tijd en was perfect (op één ding na). De inrichting was modern met veel hout, veel licht, een wijnkleurige tegelvloer in natuursteen en een portier die ons vriendelijk begroette. Achteraan was er een gezellig terras, omsloten door planten en beschut tegen de zon door enkele grote houten parasols. Het personeel bestond enkel uit mannen en telde meer hoofden dan het volk dat de terrasstoelen bezet hield (een 10-tal mensen, hoofdzakelijk meisjes). Uit speakers die ik niet kon zien klonk loungemuziek. Er werd gerookt en er werden alcoholische dranken gedronken. We waren duidelijk in een progressief nest beland. Perfect (op één ding na).
Eén van de 59 obers bracht ons een design-esque kaart, die warempel een aparte pagina had voor de bieren, gerangschikt volgens land. Behalve….. je hoort mij al komen……. België. Toch niet zo perfect dus. Een bierkaart met een relatief ruim assortiment aan bieren uit verscheidene landen, maar niet uit België, dat moet ongeveer hetzelfde zijn als een wijnkaart met wijnen uit Italië, Spanje, Zuid-Afrika, Chili, de VS en Australië maar niet uit Frankrijk.
Bier uit Nederland (for God’s sake), Ierland, Duitsland, Denemarken, de VS, Mexico, Australië en Frankrijk: een schande. Meer zal ik er niet over zeggen.

Ik bestelde een halve liter Amstel. En PAF! Geef toen: die had je ook niet zien aankomen he? De Amstelval was al dichtgeslagen en ik had hem niet eens zien aankomen. Dorst, een lege frustratiebuffer, een voordelige prijs, en het idee “dat bier bier is”: a lethal combination. Na 4 slokken zat ik me dood te ergeren aan het gele hopmengsel en aan mezelf, en bovendien zat er niet genoeg alcohol in het spul om de leeglopende buffer aan te vullen.

De grootste grap kwam toen ik ober nummer 23 vroeg of hij op het Lonely Planet-kaartje (wat een product placement de hele tijd!) een bioscoop kon aanduiden behalve die twee die we eerder die middag hadden proberen te vinden. Ik had duidelijk niet de strafste geest van het etablissement vastgestekt want na 5 minuten stond hij nog steeds grijnzend met zijn wijsvinger over het kaartje te schuiven.
“Here!”, zei hij tenslotte, de vinger pal op het ministerie van financiën.
-“We’ve already been there, and it’s gone!”, zuchtte ik.
De man vroeg versterking aan enkele van zijn werkloze collega’s en binnen de kortste keren stonden vier obers rond de Lonely Planet verzameld. Eén van hen had een balpen en was druk bezig met wat verdacht veel leek op het tekenen van een route op het kaartje. Ik hoopte dat het personeel van de stadsbibliotheek vergevingsgezind zou zijn.
Toen ze na hun beraadslaging ons het kaartje toonden bleken het gelukkig enkel kruisjes te zijn: ééntje nog maar eens bij het ministerie van financiën, ééntje op Abdoun Circle (zucht), en ééntje in de City Mall, dicht bij ons hotel.
“They play movies in the original version there?”, vroeg ik. De obers knikten enthousiast. “Sure! Yes! American!”
Ze waren zo behulpzaam dat ik even overwoog hen op te dragen een sectie Belgische bieren op te nemen in hun drankenaanbod maar ik zag er uiteindelijk van af.

The mall

Een ontsnapte gek die een taxi had weten te stelen racete ons naar de City Mall. Met hartkloppingen en een piekend adrenalinegehalte stapten we uit de taxi en keken op naar een kolossaal rechthoekig gebouw met een oprit en portaal als dat van een vijfsterrenhotel. Aan de ingang werden we gescand op metalen voorwerpen. De detector ging crescendo, maar de bewaakster liet ons toch door.
Het was een shoppingcenter zoals we er in Brugge alleen maar van zouden kunnen dromen. Glinsterende tegels, marmer, glas, staal, roltrappen, muziek, veel mensen, 4 of 5 verdiepingen, cafés, restaurants, een bioscoop en schoonmakers met gevoel voor humor.
De bioscoop bevond zich op de kelderverdieping. We kochten een kaartje voor The Black Knight (5 JD, oftewel 5€) en vulden de twee uur die ons nog restten voor het begin van de film met het afhaspelen van elke verdieping, waarna we nog een uur in de Pizza Hut doorbrachten (in een shopping center moet je ook geen ander soort eetgelegenheden verwachten). Het leek in alle opzichten op de Westerse wereld, behalve dan dat de meisjes die naast ons voor de Burger King hamburgers zaten te eten en hun laatste aankopen aan het showen waren, een hoofddoek droegen.
“Mooi shopping center”, zei ik tegen Griet. “Alleen jammer dat er zoveel allochtonen zijn.”

De film begon 20 minuten te laat in een zaal die afgeladen vol zat. Links van ons zat een man met zijn twee kinderen. Ze waren ongeveer vijf jaar oud, dus kon je je afvragen of de vader voor de kinderen naar die film kwam kijken, of dat de kinderen eigenlijk mee moesten met de vader. Achter de schermen stond de draaiknop van de airconditioning helemaal naar rechts gedraaid, in de donkerblauwe zone. Een ijzige wind sneed door de stoelen, maar gelukkig had ik in die week Jordanië een overtollige restwarmte opgeslagen waar ik nog lang mee zoet zou zijn. En tijdens de film stond het geluid zo hard dat ik het grootste deel van de tijd Griets klapperende tanden niet kon horen.

One last taxi

Is dit het moment om te schrijven wat ik van de film vond? (Neen!) Goed dan. 2,5 uur later stonden we weer in de warmte van Amman, maar niettemin kon ik de huiveringen die door mijn lijf gingen amper onderdrukken. Een combinatie van hardcore airconditioning, en spanning voor het vertrek dat nu wel heel dichtbij gekomen was. We zouden terugkeren naar het hotel en daar nog een uur of twee in de lobby doorbrengen tot omstreeks 0u30 de man van ons reisagentschap zou komen opdagen om ons naar de luchthaven te voeren.
Via een voetgangersbrug staken we de drukke weg over om een taxi aan te houden. Na een halve minuut hadden we al beet. Ik toonde de chauffeur een visitekaartje van ons hotel en vroeg “how much?”, in de hoop dat hij naar zijn meter zou wijzen.
“5 JD!”
-“5?? What about the metre?”
-“Metre does not work. It’s too late in the evening.”
-“Ok, I’ll just find another taxi.”
-“There is not any taxi with a metre at this time in the evening.”
-“We’ll see.”

Toen ik mijn aandacht weer op de autostroom vestigde die onze richting uit kwam, vertrok de taxi opnieuw . Een tweede kandidaat stopte en ik toonde weer het visitekaartje.
“5 JD!”
-“But the hotel is right there, we can practically see it!”, zei Griet, die er was komen bijstaan.
-“I’m sorry.”
We lieten hem voor wat hij was en maakten aanstalten om een andere taxi tegen te houden. De man vertrok, maar vanuit mijn ooghoek zag ik hem plots stoppen en terugkeren. Ik stak mijn hoofd opnieuw door het raam.
“Actually, your hotel is on my route. I can drop you off.”
-“For how much then?”, vroeg ik hem argwanend.
-“What have you got?”
-“Ehm…… 1 JD?”
_”Ok”

Toen we 5 minuten later voor het hotel stopten gaven we de chauffeur uit dankbaarheid een riante fooi bovenop zijn ene dinar. Waarschijnlijk zou hij ons zelfs voor 10 cent hebben meegenomen want voor hem maakte het niet uit gezien hij toch deze richting uit moest. Het was eerder een vriendelijke lift dan een taxirit.

Eclips

In de lobby kocht ik in extremis een postkaartje voor Linn en na een half uur gewacht te hebben in de zachte sofa, kwam een jonge kerel op ons toegelopen.
“To the airport?”, vroeg hij.
-“Yes”
-“Can we leave now?”. Zijn ogen verraadden nervositeit. Het was amper 23u.
We gooiden onze rugzakken in de koffer van een uiterst kleine Hyundai. Onze chauffeur gooide de pook in de eerste van slechts 4 versnellingen en vertrok op wat een vinnige rit naar de luchthaven zou worden. Hij was duidelijk gehaast.
Blijkbaar was er een misverstand geweest in zijn communicatie met Nasser, want hij had begrepen dat hij ons om 21u moest komen ophalen, en niet om 0u30. Daarom was hij eerst wat pissig omdat wij eerst niet op de afspraak geweest waren. Toen het misverstand uitgeklaard was veranderde hij in zijn Jordaanse zelf en verscheen er een brede grijns op zijn gezicht.
“Did you like Jordan?”
“Yes!”

Op de weg van Amman naar de luchthaven werden we uitgewuifd door grote billboards met teksten als “Thanks for you visit” en “Hope to welcome you soon again!”
En passant wees Griet op de maan, die volledig verscholen ging achter de schaduw van de Aarde. In het kamp in Wadi Rum hadden ze waarschijnlijk op dat moment de lichten gedoofd en zat iedereen te staren naar een weergaloze sterrenhemel.

That’s all folks!

Advertenties

Cross Country

Vervolg Jordanië (7/8)

Kwart kilo baksteen

Ik werd wakker met een kwart kilo baksteen in mijn darmstelsel, of zo voelde het toch aan. Ik liet even een kreun ontsnappen, wat beantwoord werd door gekreun links en rechts van mij.
Aan de ontbijttafel bleek dat net als ik niemand veel trek had in eten. Alle vier hadden we last van dezelfde kwaal: buikkrampen. Godzijdank was ik de hele nacht van het toilet kunnen wegblijven. Ik had een sterk vermoeden wat de boosdoener was: het water dat Nasser bij de Arak gedaan had. Dat kwam uit een plastieken fles en bestond voor het grootste deel uit ijs. Vermoedelijk was die fles gevuld geweest met leidingwater. Aan het eten kon het niet liggen, want waarom zou het de eerste avond niet, en de tweede avond wel last berokkend hebben?

Na het ontbijt had ik de grootste moeite om mijn spullen opnieuw in mijn rugzak te krijgen. Om één of andere raadselachtige reden pasten mijn bergschoenen niet meer in het onderste compartiment van mijn rugzak; een raadsel waar ik tot op vandaag geen antwoord voor heb gevonden.

Aqaba

De avond voordien was onze nieuwe chauffeur aangekomen: Ibrahim. Het was een jonge kerel die beste maatjes leek met Nasser. Vandaag zou hij ons eerst naar Aqaba, en vervolgens naar Amman voeren, maar blijkbaar had hij de avond ervoor zijn neus te diep in de arakbeker gestoken en tot onze consternatie bleek het Nasser zelf te zijn die achter het stuurwiel plaats nam om ons naar het zuidelijkste punt van de reis te voeren: de havenstad Aqaba aan de Rode Zee. Daar zouden we Greg vaarwel zeggen, want die had nog een rondreis in Egypte voor de boeg waarvoor hij de ferry van Aqaba naar Nuweiba in Egypte moest nemen. Daar zou hij een vertegenwoordiger van onze reisorganisatie ontmoeten die hem naar Caïro zou voeren.
Het was ons al snel duidelijk waarom Nasser een chauffeur nodig had om ons Jordanië te laten zien. De chauffeur zelf liet het stuntelige bochtenwerk van onze gids niet aan zijn hart komen en lag vredig te slapen.

Aqaba is het Blankenberge van Jordanië. Het strand zat afgeladen vol met kinderen in zwembroek, vrouwen in “bedekkend badpak”, en tonnen aangespoeld of achtergelaten afval. Het was alsof iemand een reusachtige PMD-zak tot ontploffing had gebracht, maar niemand scheen zich om de troep te bekommeren. Misschien kon je de grote hoeveelheid blikjes verklaren door de belachelijk lage prijzen die in Aqaba golden voor eten en drinken. Plots was een literfles Pepsi nog slechts een halve dinar (50 eurocent). De hele stad was een duty-free zone, en het mag een raadsel heten hoe de Jordaniërs konden voorkomen dat Aqaba vergleed tot het drinkhol van het land.
Nasser had ons anderhalf uur gegeven om de stad te verkennen, maar veel viel er niet te ontdekken en de combinatie van 38°C, drukte en buikkrampen deden me al snel wensen dat ik ergens anders was.

Greg

Nasser had Greg gerustgesteld: hij hoefde de onbetrouwbare en trage ferry niet te nemen. De reisorganisatie had een plaats voor hem gereserveerd op een meer “exclusieve” ferry, die in de praktijk een heus jacht bleek te zijn. We namen afscheid op de waterkant, maar toen kwam Nasser met een bezorgde blik uit het douanekantoortje. Greg bleek niet op de passagierslijst te staan.
Het betekende het begin van een nerveuze 20 minuten waarin Nasser voortdurend zou bellen met de baas van de reisorganisatie en de baas van de rederij om Greg alsnog op de boot te krijgen. Greg zelf stond met een ongemakkelijke blik stilletjes naar de boot te kijken terwijl die zich steeds verder vulde met passagiers. Het vertrekuur naderde zienderogen tot iedereen, behalve Greg, uiteindelijk aan boord was. De kapitein begon van zijn neus te maken over de vertraging die we hem berokkenden. Ten slotte beëindigde Nasser hoofdschuddend het zoveelste telefoongesprek. Er was niks aan te doen. De loopbrug werd ingehaald en de boot vertrok. Zonder Greg.

Er zat niks anders op dan Greg weer in de kofferbak te laden en ermee naar een hotel te rijden dat vlakbij lag, om daar te “beraadslagen”, gelijk Jommeke het altijd treffend weet te verwoorden. “Waarom in een hotel”, vraagt u zich af? Omdat er daar airco is.
De lobby voelde koud genoeg aan om er een paar geslachte schapen aan het plafond op te hangen, en we aarzelden dan ook niet om ons luid zuchtend in de zetels neer te laten zijgen. Greg ging op zoek naar een computer met internetaansluiting om uit te pluizen wat de mogelijkheden waren om naar Caïro te vliegen. En wij…..tja, wij wachtten enkel. Nasser kon geen enkel telefoontje meer plegen omdat het vrijdag was, en dan iedereen ’s middags in de moskee zit, behalve hij en de chauffeur.
“I have to wait till they’re out of the mosque before I can make another call”.

Aan de andere kant van de glazen salontafel ging een niet onknappe vrouw met hoofddoek zitten die mij voortdurend op een onbehaaglijke manier observeerde. Ik probeerde zo gewoon mogelijk te doen, maar ik kon niet voorkomen dat mijn blik keer op keer die van haar kruiste. Ze keek op een soort afkeurende manier, alsof ik een kwalijke lijfgeur verspreidde of zo. Ik dacht aan wat ik in de Lonely Planet over gedragsregels had gelezen en ik toetste mijn eigen voorkomen daaraan. Is het de korte broek? Ik was evenwel niet de enige met zichtbare onderbenen, en daarbij had ik het na een week wel gehad met lange of halflange broeken. Ik keek naar mijn been en toen wist ik wat ik verkeerd deed. In de Lonely Planet had ik gelezen dat het niet respectvol is om de onderkant van je schoenen te laten zien aan vreemden wanneer je zit. De onderkant van mijn sandaal stond als een denkbeeldige spot op het meisje gericht en ik haalde snel mij enkel van mijn knie. Daarna besteedde ze geen aandacht meer aan mij, hoewel als gevolg van de temperatuur mijn lijfgeur ook niet bepaald een item was om mee naar buiten te komen. Nu kon ik haar eerdere blik beter interpreteren: “Je mag stinken zoveel je wil, beste vreemdeling, zolang ik maar niet op de zool van je voet hoef te staren.”

Greg kwam opnieuw de lobby ingewandeld. Op een computer zonder muis was hij er op één of andere manier in geslaagd de vluchten van Royal Jordananian te checken, maar die waren te duur en vertrokken vanuit Amman.
Een uur later kon Nasser eindelijk weer bellen en na veel over en weer-getelefoneer waarbij zijn beltoon ons steeds irritanter in de oren klonk, was de kogel door de kerk. Greg zou in het hotel blijven en ’s avonds naar de haven gevoerd worden door iemand van het reisagentschap. Hij zou de ferry van 19u nemen naar het Egyptische Taba. Voor de tweede keer namen we afscheid, waarna we weer de Jordaanse bakoven instapten. Als je je het contrast met de hotellobby wil voorstellen, steek dan even je hoofd in een voorverwarmde heteluchtoven. Zelfs het geluid van de ventilator doet ergens denken aan het geluid van het verkeer.

The long and straight road

Voor we Aqaba verlieten stopten we een laatste keer bij een kleine supermarkt om goedkoop eten en drank in te slaan. In mijn geval was dat een fles Pepsi, wat ik normaalgezien nooit drink (ik ben geen fan van cola) maar mijn gedachten waren bij mijn geteisterd darmstelsel.

De autorit van Aqaba naar Amman duurde 4u en was zo saai dat ik het met geen creatievere uitdrukking kan omschrijven dan gewoon te zeggen dat het saai was. Ik had me veilig ingedekt tegen de praatjes van Rowan door vrijwel onmiddelijk mijn iPod boven te halen, die me vier uur lang onafgebroken zou voorzien van een soundtrack die bij een roadmovie zou passen (dat had meer met de omstandigheden te maken dan met de muziek zelf). Onze chauffeur en Nasser hadden hun rol verwisseld: de chauffeur zat nu achter het stuur en Nasser lag te slapen. De snelweg, die de enige snelweg is in Jordanië, ging helemaal van zuid naar noord en werd vooral bevolkt door vrachtwagens die goederen van de haven landinwaarts brachten. Het tergend trage tempo waarmee ze de hellingen optuften verbaasde me telkens opnieuw. Mercedes, Daf, het maakte niet uit welk merk de vrachtwagens hadden, allen reden ze aan een slakkengangetje bergop. De brandstof in Jordanië mocht dan wel goedkoop zijn, volgens mij doen ze er water bij. Ook ons minibusje had minstens een halve minuut nodig om weer op tempo te komen na een verkeersdrempel. En er waren héél wat verkeersdrempels op die snelweg tussen Aqaba en Amman. Er waren stroken waarin het asfalt heel oneffen lag, of bezaaid was met putten. In tegenstelling tot de verkeersdrempels waren deze voor onze chauffeur geen reden tot vertragen en in gedachten zag ik onze schokdempers kreunen en de assen kraken.

Geregeld was er een aparte strook voor tanks en ander legermaterieel. Op het einde van zo’n strook was er een afslag die aangegeven werd door een pijl met daaronder “IRAQ”. Jordanië is een partner van de VS, en op deze manier droeg het zijn steentje bij aan de Amerikaanse operaties in hun buurland. Eén keer haalden we een legerkonvooi in: een lange sliert lichtbruine jeeps, vrachtwagens, tanks en pantservoertuigen. Ik vond het een fascinerende gedachte dat ik me zo dicht bij het actieterrein bevond.

Nasser beloofde ons dat we ’s middags ergens zouden stoppen om te eten, maar heimelijk hoopte ik dat we dat niet zouden doen. Hoewel mijn maag even leeg was als de ons omringende woestijn, had ik helemaal geen eetlust. Gelukkig bleken beide heren voorin al te oefenen voor de ramadan: we lasten enkel een plaspauze in. Dat was het signaal voor mijn spijsverteringsstelsel, dat zich al de hele dag kloek had gehouden om …em hoe zeg ik dit fatsoenlijk … ‘de strijd te staken’. 20 toiletminuten later en 2 immodiumtabletten lichter, klom ik opnieuw op de achterbank en hervatten we onze reis.

Terug bij het begin

Amman was verre van mijn favoriete stad geweest op deze reis. Niettemin voelde het een beetje aan als thuiskomen toen ik uitkeek over de golvende zee van grijze en witte huizen en de twee wolkenkrabbers in aanbouw die de skyline kenmerkten. Ik verlangde naar het hotel, dat eigenlijk buitensporig luxueus leek in vergelijking met de hotels/tentenkamp op de rest van de reis. Ik was wel tevreden over onze accomodatie, maar na twee nachten in de woestijn hunkerde ik naar een groot bed, een net toilet en een warme douche.

In de lobby regelde Nasser onze check-in waarna hij ons alle drie een bear hug gaf. Ik gaf hem een enveloppe met onze fooien die hij naar Jordaanse gewoonte redelijk koel in ontvangst nam, alsof het niet meer dan normaal was dat we hem een geschenk gaven.
“Take care guys!” En weg was hij.

In de hotelkamer, die nog groter was dan die van een week geleden, plofte ik me voor één keer niet direct op het bed, maar sloot me in plaats daarvan op in het toilet. Na de plichtpleging keek ik wat naar het tafeltennis op de olympische spelen. Griet loste kruiswoordpuzzels op.
Mijn verstand zei “eten”, maar mijn darmen zeiden “no way”, dus probeerde ik het avondmaal zo lang mogelijk uit te stellen. We hadden niet echt een afspraak gemaakt met Rowan over het avondeten, maar we verwachtten haar aan te treffen in het restaurant.

Daar aangekomen bleek het er vol oudere mannen te zitten die zich bezigden met gezelschapspelen. Van Rowan was er geen spoor. We gingen op het terras zitten en ik bestelde linzensoep. Geen idee of dat enig effect heeft op je spijsvertering, maar wie niet waagt wint niks.
Iedereen had die ochtend krampen gehad, maar bij Griet waren die weggeëbt en dat wilde ze natuurlijk zo houden. Zorgvuldig viste ze het ijs uit haar Fanta en wachtte geduldig tot de oudere mannen, die binnen zaten maar ons niettemin in de gaten hielden, de andere kant op keken om de blokjes in een plantenbak te keilen.
“Problem solved”, dachten we, maar toen verscheen er op het uiteinde van het terras een man, met in zijn handen een tuinslang. Daarmee begon hij de planten water te geven. Ik zag een gênante situatie op ons afkomen en nauwelijks een mogelijkheid om die te ontwijken. Ik stelde me het gezicht van die bediende voor als hij de ijsblokjes zou zien, maar net op dat ogenblik nam hij zijn tuinslang weer mee naar binnen.

Rowan bleek onvindbaar. Na het eten en een nieuwe call of nature hadden we bij haar aangeklopt, maar uit de kamer kwam geen enkel geluid. We stonden op het punt om een briefje onder de deur te schuiven toen vanop de balustrade een blonde vrouw in de mot kreeg die beneden alleen zat te eten. Het was Rowan. Ik geef toe: onwillekeurig kon ze me serieus op de zenuwen werken, maar ik kreeg spontaan medelijden toen ik haar daar alleen zag zitten. We schoven bij haar aan voor een laatste praatje te maken, waarin zij zoals verwacht het hoogste woord zou voeren en wij er knikkend zouden bijzitten. We wisselden emailadressen uit en ik gaf haar van mijn eigen voorraad nog enkele Buscopans tegen de buikkrampen, alvorens definitief afscheid te nemen. De volgende ochtend om 10u zou haar vlucht vertrekken. Ons vliegtuig zou pas de zondagochtend (nacht) vertrekken rond 3u30, dus hadden wij nog een bijzonder lange dag in Amman voor de boeg.

Voor ik in mijn bed kroop nam ik nog een misdadig lange douche, en ik nam me voor misdadig lang te slapen. Een hele dag in Amman, dat beloofde heel zwaar te worden want vanaf 12u zouden we geen hotelkamer meer hebben om in de late namiddag naar terug te keren om er languit op een opgemaakt bed te gaan liggen tot je je gaat klaarmaken voor het avondeten. De boodschap was dus zo lang mogelijk van onze kamer te profiteren, en dat begon met uitslapen. Het inslapen was alvast geen enkel probleem.

Wordt vervolgd

Dat verdient Jordanië!

Het lijkt wel een rage:

  • Radio 1

  • Radio 2

  • Vlaanderen vakantieland (zaterdag 27/9)  (morgen dus)  (allemaal kijken)

Om van mezelf nog maar te zwijgen!

Radio 1 reist trouwens in november naar Jordanië, wat volgens mij niet de ideale maand is: 15 graden is de gemiddelde temperatuur op dat moment. Ze zouden dus beter geen reclame meer maken à la “dobber in de Dode Zee”. Extreem koud is het niet, maar je moet er nu toch ook niet in je zwembroekje gaan rondspringen.

Wie dacht dat ik het Jordanië-verslag al had opgegeven: berg die gedachten maar al op want dit is hoogstens een vertraging. Het verslag van de voorlaatste dag staat al 2 weken in de steigers, ergens in mijn lijst van drafts. Ja, ik heb daar tegenwoordig een lijst van. Handig, want de inspiratie komt bij mij altijd in golven en dan schrijf ik meer dan één post per keer. Ik spaar er dan beter een paar op voor de inspiratieloze momenten.

Post van mijn voeten

Het is een beetje een toevallige traditie opeens: foto’s van mijn voeten op verschillende (buitenlandse) locaties. De collectie is niet zó groot: eentje in Zwitserland, 2 in Jordanië en 2 in Parijs.

Ik heb trouwens een selectie Parijsfoto’s op de Flikker gezwierd. Binnenkort doe ik hetzelfde met de Zwitserlandfoto’s. Nee, ik ben inderdaad niet chronologisch bezig. En op Flickr staan ze ook in aflopende chronologische volgorden, maar soit. Het kan me niet schelen.

Mijn rechtervoet in Zwitserland

Mijn rechtervoet in Zwitserland

Mijn voeten in de Wadi Rum-Woestijn

Mijn voeten in de Wadi Rum-Woestijn

Mijn voeten boven op het Romeins theater van Amman

Mijn voeten boven op het Romeins theater van Amman

Mijn (geschoende) voeten op het terras van het theehuis in de moskee van Parijs

Mijn (geschoende) voeten op het terras van het theehuis in de moskee van Parijs

Mijn voeten aan de voet van de Eiffeltoren in Parijs

Mijn voeten aan de voet van de Eiffeltoren in Parijs

I think somebody’s ass exploded in there

Here comes the sun

Vanuit het zuiden kwam hondengeblaf aangewaaid van over de zanderige leegte van de woestijn. Het geluid was afkomstig van meer dan één hond en het klonk niet bepaald verwelkomend. Ik aarzelde even en vertraagde subtiel mijn pas. Greg, van zijn kant, liep onverstoorbaar verder in de richting van een zwart niets waaruit ik heel vaag een silhouet kon ontwaren. Het enige teken van leven naast het geblaf waren enkele lichtjes ter hoogte van het dichtstbijzijnde dorp, aan de andere kant van de “wadi”, want zo werden de kilometersbrede kloven genoemd die zo typerend zijn voor de Wadi-Rumwoestijn. De wadi’s liggen noord-zuid georiënteerd en worden begrensd door indrukwekkende rotsformaties. De rode kleur van de rotsen werd op dit moment van de dag nog gecamoufleerd door een grijze waas, net zoals het rood van het zand. De lucht was donkerblauw en lichtte op aan de oostelijke horizon.
“It’s like a gate under the railway trace”, zei ik tegen Greg, doelend op het silhouet op de weg voor ons.
“Really? I don’t see anything!”
Toen we dichter kwamen bleek het een halfafgewerkte poort te zijn, volledig in Arabische stijl met twee wachttorentjes. Het ding stond in de stellingen en de weg werd versperd door hopen zand en bouwmaterialen. Achter de poort lag iets dat leek op een toekomstige parkeerplaats, met aan de rand een sierlijk gebouwtje. Daar hield de weg op. Vlak voor de poort hielden we halt.

Die ochtend was ik om 5u opgestaan, nadat ik 5 minuten eerder vanzelf wakker geworden was uit een heel diepe slaap. Blij dat ik ondanks het primitieve comfort toch een degelijke nachtrust achter de rug had, en gedreven door een kleine adrenalinestoot bij de gedachte aan een zonsopgang in de woestijn, was ik klaarwakker toen ik in mijn kleren schoot. Samen met Greg was ik in zuidelijke richting vertrokken, langs de weg die in het duister volledig onzichtbaar was.

“Let’s wait here”, zei Greg en we gingen zitten op het nog koude asfalt, met onze blik op het oosten gericht. Ik nam enkele testfoto’s om de belichting wat af te stellen. Het duurde niet lang voor de koude woestijnlucht de bovenhand begon te krijgen op mijn centrale verwarming.
“Where is the sun when you need her?”, vroeg ik me af.
Mijn horloge gaf 5.40u aan.
“I’d like to go up there”, zei Greg na een tijdje, en hij wees naar een zandheuveltje rechts achter ons. “Let’s get off the beaten track!”
Toen we door het woestijnzand begonnen te ploegen, hoorden we opnieuw het hondengeblaf en links voor ons zag ik in de verte een stofwolk opdoemen. Het bleek een terreinwagen te zijn die met grote snelheid in de richting van het gebouwtje en de parkeerplaats reed. De wagen zigzagde wild alsof hij een raceparcours afwerkte. Het geblaf werd luider, en toen merkte ik de hond op die vlak voor de wagen voor zijn leven rende. Het beest zigzagde, alsof hij wist dat de auto meer problemen met het bochtenwerk zou hebben. Op een afstand zag ik een tweede hond parallel meerennen terwijl hij het tafereel net als ons gadesloeg. Ter hoogte van het gebouwtje hadden de dierenbeulen genoeg van hun wrede spelletje en lieten ze de hond met rust. De wagen verdween noordelijke richting en de rust keerde terug.
Achter ons kleurden de rotsen langzamerhand roder, een voorbode van de blijde intrede van de zon. Het spektakel begon toen de eerste zonnestralen zich over de zwarte bergen in het oosten gooiden en de rotsen achter ons in lichterlaaie zetten. Onze lichamen wierpen meterslange schaduwen over het nu bloedrode zand. In mijn hoofd zetten de Beatles ‘Here comes the sun’ in en ik schoot foto na foto, panorama na panorama. Het silhouet van een eenzame kamelendrijver maakte het plaatje compleet.

Toen het magische moment voorbij was en de zon aan haar steile klim begon, die uiteindelijk zou resulteren in een opnieuw veel te hete dag, keerden we terug met in ons kielzog twee blaffende honden.

Chillen in een heteluchtoven

Het kamp was verlaten toen ik rond 9u30 het tentzeil opzijsloeg, op zoek naar frisse lucht. Om 6u30 was ik opnieuw tussen de dekens gekropen om mezelf weer op te warmen, maar 3u later was ons kampementje al een echte sauna. Ik slofte door het zand naar de toiletten, omgeven door een magische stilte die alleen gebroken werd door het sporadische suizen van de wind en een verre radio die Arabiche keelgezangen uitbraakte. Af en toe hoorde ik iemand meeneuriën terwijl er vaatwerk klaterde. De sfeer deed me denken aan de openingsscène van een typische spaghettiwestern uit de jaren ’70. Ik was een cowboy die behoedzaam het spookstadje betrad, mijn handen op mijn geweerholsters, begeleid door het kraken van een schommelstoel die in de wind op en neer beweegt, en het regelmatige gesnurk van een dronkaard die de vorige avond in de saloon in slaap gevallen is.
Het gesnurk bleek afkomstig te zijn van Nasser, die in een open tent languit op een bank lag. Vanonder zijn te korte deken staken twee blote voeten en een arm die tegen de grond bungelde.

Toen ik terugkwam van de toiletten realiseerde ik me dat de andere kampgasten vertrokken waren en dat wij de enigen waren die twee nachten in de woestijn zouden doorbrengen. Er viel buiten Nasser en de muzikale Jordaniër in de keuken geen levende ziel te bespeuren, en op een half opgegeten koek na was de ontbijttafel leeg. Ik liet me in de halfopen etenstent op één van de zetels ploffen die rond de ontbijttafels stonden, en gaf me over aan de loomheid. Ik werd daarin spoedig vergezeld door mijn medereizigers, en in die toestand werden we aangetroffen door een personeelslid. Zich ervan bewust dat ze het ontbijt te vroeg hadden opgeruimd, trommelde hij een drietal man op om de tafel opnieuw te zetten en een oogwenk later bedienden we ons van thee, brood, yoghurt, en een vreemde brij van zaadjes waar je olie moest bij gieten. Ik weet niet wat het was, maar het was lekker.

Daarna begon voor mij het tweede moment waarop het gevoel van een strandvakantie doorbrak. Het eerste moment was aan de Dode Zee geweest, nu was het in de Wadi-Rumwoestijn, in een verlaten tentenkamp, in de beschutting van een dak van palmboombladeren, op een zachte zetel, met het interessante boek van Jan Leyers. Terwijl ik lag te lezen zag ik vanuit mijn ooghoek Nasser door het zand strompelen, op zoek naar thee en met een fles water in de hand. Ik zat eerst alleen onder dat palmboombladerendak, maar werd daarna vergezeld door achtereenvolgens Greg, Griet (op de vlucht voor Rowan), Rowan (in achtervolging op Griet maar al gauw een blok aan het been van Greg), en een gestrande Italiaan die een uurtje eerder met zijn motorfiets was aangekomen en die een merkwaardige behoefte vertoonde om stuntelige gesprekken op te starten met Rowan (hij sprak geen Engels). Tenslotte kwam Nasser ons vijven vervoegen. Uitgestrekt op een bank lag hij zijn kater te verwerken terwijl hij zachtjes zong. De rust die er aanvankelijk hing, hield het voor bekeken: aan mijn linkerzijde Nasser met zijn hypnosezang, en rechts van mij het monotone gezeur van Rowan over haar vermoeden dat ze een voedselvergiftiging had opgedaan, afgaande op het ongemakkelijke gevoel in haar buik.

Is het de moeite waard om te vertellen dat zowel die Italiaan als één van de personeelsleden uit het kamp een wijsvinger misten, en dat dat veel jolijt opleverde (“now we can be twins!”)? Nee? Ach, laat ons maar direct naar het interessante deel van de dag gaan: de jeepsafari.

De jeepsafari

Een pickup stond ons aan de ingang van het kamp op te wachten. In de laadbak stonden twee banken waarop we plaatsnamen, het gezicht naar elkaar. In de loop van de middag was de wind opgestoken en het beloofde een stoffige rit te worden. Met mijn Stubrusjaal over mijn hoofd getrokken, mijn sportzonnebril tegen mijn oogkassen, en met mijn lange broek en bergschoenen, hoopte ik voldoende beschutting te hebben. Het was geen verloren moeite.
Toen we de weg verlieten en het ruime zand kozen gaf de chauffeur plankgas. Een golf van opwinding ging door de laadbak van de pickup en ik voelde me Indiana Jones. Het principe van winderosie werd in real time op mijn eigen lijf en leden toegepast, dat eerder al door een lading Dode-Zeemodder was gladgepolijst.
Mijn tweede filmisch moment van de dag werd nog versterkt toen we stopten voor een grot en Nasser ons voorging naar binnen. Op een platte steen was een oude Bedoeïnenkaart uitgekerfd, vergezeld van afbeeldingen van schorpioenen op de wand.
“That means that the Bedouins wanted to warn each other that there are scorpions in this place”, zei Nasser.
Wetend dat ik geen grote fan ben van mijn eigen sterrenbeeld, prikte Rowan met haar vinger in mijn nek. Mijn schrikreactie en gealarmeerde blik waren natuurlijk bron van hilariteit. Laat ons er verder geen woorden aan vuil maken.

De rit nam twee uur in beslag en gaf nog heel wat voer voor herinneringen, zoals de filmset van Lawrence of Arabia (derde filmisch moment), een duinencross, een duinenklim (te voet dan), en het obligate glas zoete muntthee. Toen we in het kamp aankwamen konden we een paar verse kilo’s zand uit onze kleren schudden, maar onze ervaring met het sanitair blok was niet van die aard dat we stonden te springen om er opnieuw gebruik van te mogen maken. Misschien zijn Gregs kurkdroge, maar lyrische omschrijvingen nog het best geplaatst om een indruk te geven: “I think somebody’s ass exploded in there. I can’t see another way for poo to get all over the place, even at the side of the toilet seat” (over één van de mannentoiletten).
“I feel abused. I mean… there I was… naked… with my feet at the side of that poo hole, carefully avoiding any body contact with the bottom and pooring some cold water over me. This will have a lasting impact on me.” (over de douches).
Het hield me niet tegen toch nog een tweede douche-ervaring te trotseren en even later fris aan het kampvuur te gaan zitten, waar ik een gesprek aanknoopte met de eigenaar van het kamp over de weldaden van kamelenmelk. Intussen waren we al lang niet meer de enige gasten: het kamp zat vol Italianen en Nederlanders.

Het was de arak

Het avondeten was identiek aan dat van de vorige avond, maar het degustief was anders. Nasser kwam bij ons zitten en vroeg voor de eerste keer of iemand zin had in arak. Ik hield niet van anijstoestanden en paste aanvankelijk, maar anderzijds was er de eeuwige dorst en ik was het nog steeds beu water te moeten drinken. Ik proefde dus wat van Griets beker.
“What do you think, Maarten?”, vroeg Nasser.
-“It has too much water in it, it needs to be stronger”, antwoordde ik.
-“Hahaaa, give me a cup, I’ll make you a proper arak!”
Zogezegd, zogedaan: ik kreeg een beker “echte” arak en die smaakte al heel wat beter (wat ook de anderen beaamden). Zo waren we vertrokken voor wat een leuke avond aan het kampvuur moest worden.
Alleen…. mijn darmen hadden het zo niet begrepen. Ik weet niet wat het was dat zich in mijn buik aan het roeren was, maar het voelde aan alsof er zich fauna tussen mijn darmflora bewoog. Het eerste toiletbezoek liet zich niet lang uitstellen en was goed voor minstens een half uur vrolijk tijdverdrijf in de befaamde faciliteiten van het woestijnkamp.
Toen ik terug bij het kampvuur kwam aangewaggeld – de ene beker arak steeg bijzonder snel naar het hoofd -, zag ik dat Nasser zijn zangtalenten aan het demonstreren was, gezeten tussen een man in een wit kleed met een soort Arabisch snaarinstrument, en een andere man, eveneens in tafellaken, die driftig met zijn hand op een trommel timmerde. Het duurde niet lang voor enkele mannen hand zich in hand aan een huppeldansje waagden. Vrouwen die samen met mannen dansen is dan wel haram, maar dat weerhield één van hen er niet van Greg en Griet uit hun luie zetel te komen trekken en mee te sleuren in de plaatselijke line-dance, wat voor mij reden genoeg was om met mijn camera ‘de sfeer vast te leggen’. Het leverde enkele grappige beelden op, vooral wanneer Greg en Griet op een onbewaakt moment de benen namen om te ontsnappen aan verdere dansverplichtingen.

Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Ik had last van krampen, van luidruchtige Italianen en Amerikanen, en iemand die onafgebroken pogingen ondernam één van zijn longen op te hoesten. Ik weet niet of ik het gedroomd had, of dat ik klaarwakker was, maar op een gegeven moment riep ik “shut the f*ck up” naar de zoveelste lawaaierige passant. Zonder resultaat.

– Wordt vervolgd –

Don’t mention the Romans!

(vervolg reisverslag)

Wereldwonder

Op de website van de zeven nieuwe wereldwonderen begint de voorstelling van Petra als volgt:

“On the edge of the Arabian Desert, Petra was the glittering capital of the Nabataean empire of King Aretas IV (9 B.C. to 40 A.D.).”

In de National Geographic Traveller Special waarin 50 droombestemmingen worden beschreven, begint het stuk over Petra met een citaat van Edward Lear:

“Petra moet een wonder blijven dat je alleen kunt begrijpen door de plek zelf te bezoeken”.

Aan u om uit te maken welke openingszin de meeste aanleiding geeft om verder te lezen.
Ik zal ook een poging doen om met woorden het fenomeen Petra te omvatten. Ik weet nu al dat het niet zal lukken.

Als ik over Petra praat dan krijg ik niet bepaald blikken van herkenning. Ofwel heeft men er nog nooit over gehoord, ofwel wordt het geassocieerd met de Schatkamer, het bekendste gebouw (met dank aan Indiana Jones). In werkelijkheid is de Schatkamer enkel een soort appetizer, een teaser die je uitnodigt verder te gaan kijken.

De Siq

Zoals de website van de 7 wereldwonderen beschrijft, was Petra inderdaad 2000 jaar geleden de hoofdstad van het Nabateese koninkrijk. Petra is niet gebouwd, het is uitgehakt. Uitgehakt in de rotsen en goed verborgen in het bergland aan de rand van de woestijn. De stad kon enkel bereikt worden door de Siq, een 800m lange, smalle kloof tussen de rotsen, uitgesleten en gepolijst door het wassende water. En als ik ‘smal’ zeg, dan bedoel ik dat u er met de wagen in geen geval door kunt.

Aan de ingang van de kloof begon Nasser aan zijn uitleg maar hij bleef voortdurend halverwege zijn zinnen steken. Als hij niet bleef haperen, dan vergat hij dingen te zeggen of herhaalde hij zaken die hij al 5 keer had gezegd. Iemand had duidelijk last van een kater.
Ik had niet het geduld om te blijven luisteren en toen we de Siq inliepen was ík degene die voortdurend bleef haperen, omdat de mogelijkheden voor iemand met een spiegelreflex simpelweg overweldigend waren. De relatieve duisternis van de Siq, in combinatie met de staalblauwe hemel en de oranje rotsen die baadden in het zonlicht, maakte dat het vinden van de correcte belichtingsinstellingen een huzarenstukje zou worden. Als ik na het nemen van een foto vijf meter verder liep, merkte ik dat mijn instellingen alweer achterhaald waren. Op deze manier beloofde de Siq zeer lang te gaan worden. Gelukkig had ik (R.) gezelschap van Greg (L.) die zich in dezelfde hypnotiserende extase bevond.

De leerkracht aardrijkskunde in mij leefde op bij het zien van dit wonder van de geomorfologie: het lijnenspel in de rotsen, de lagen, de kleuren, de vormen. Het was werkelijk schitterend. De bodem van de Siq was vlak en hier en daar geplaveid met grote stenen: een overblijfsel van de Romeinse passage in Petra.

Indiana Jones

De Siq kronkelt door de rotsen, die tientallen meters boven je uittorenen en na 800 meter zie je plots in een kier tussen de rotsen de Schatkamer. Een warm geelrood licht zet het bouwwerk in lichterlaaie en als je tenslotte uit de Siq het voorplein op stapt…… dan lijken het Colloseum in Rome, de Eiffeltoren en het Vrijheidsbeeld futiel. Kinderspel. Mathematisch en steriel. Het resultaat van een techniek die de mens op allerlei vlakken toepast, en dus eigenlijk niet zó bijzonder. Maar de Schatkamer daarentegen is uitgehakt. Als een standbeeld, maar dan uit één stuk en reusachtig. Eén fout, één uitschietende beitel, en het werk is onherstelbaar beschadigd. Je hebt slechts één kans om het goed te doen.
In werkelijkheid is het gebouw geen schatkamer maar een graftombe voor één van de Nabatese koningen. De urnen op de indrukwekkende gevel vertoonden kogelgaten, het resultaat van verwoede pogingen van ontdekkingsreizigers die dachten dat de Schatkamer werkelijk een schat voor de buitenwereld verborgen hield. Op dat thema werd ook gealludeerd in ‘Indiana Jones and the Last Crusade’, waarin gesuggereerd werd dat de Schatkamer van Petra de geheime locatie was van de Heilige Graal.

In werkelijkheid ziet de Schatkamer er vanbinnen zo uit.

We zaten op het plein voor de Schatkamer aan een tafeltje. Nasser dronk thee om zijn kater te verjagen (wat hem wonderwel lukte, want een uur later zou hij weer zijn oude zelf zijn) en vertelde in horten en stoten wat hij wist over de Schatkamer. De aardrijkskundeleerkracht in mij schoof even op om plaats te maken voor mijn inwendige geschiedenisleerkracht, die er gezellig kwam bijzitten om te genieten van het schouwspel.

Als je vanaf de Schatkamer verder door de ravijn loopt dan vergaap je je aan de ene façade naast de andere. Het zijn allen graftomben. Nasser nam ons mee over een “alternatieve weg” door de rotsen boven de ravijn. Na wat klauterwerk kwamen we op een uitzichtsplatform. Onder ons liepen talloze groepen toeristen in de dezelfde richting. ’s Avonds zouden ze druppelgewijs terugkeren, maar om Petra helemaal te ontdekken moet je eigenlijk een paar dagen uittrekken.

Naar het Klooster

In de namiddag liet Nasser ons vrij en gingen we op weg naar de Monastry, het grootste bouwwerk in de stad en gelegen op het einde van een 1 uur lang durende klim door een smalle kloof die door de Nabateeërs omgevormd is tot één lange trap, uitgehakt in het zandsteen. Onze lunch wilden we niet verorberen tussen de vele toeristen die al dan niet per ezel naar boven gingen, dus namen we onze toevlucht tot een soort natuurlijk balkon in de rotsen, dat we toevallig ontdekt hadden. Op een gegeven moment merkten we namelijk dat er een zijtrapje was uitgehakt dat recht omhoog leidde. Na een korte klim bevonden we ons zo’n 20 meter boven het pad en was het enige wat we hoorden het geschreeuw van twee lokale kinderen die aan de overkant van de kloof tussen de rotsen speelden.

De klimtijd tot aan de Monastry was zogezegd een uur maar met onze jonge benen stonden we er al na amper 40 minuten. De monumentale gevel kwam als een verrassing. Ten eerste had ik niet verwacht dat we al zo snel boven zouden zijn, en ten tweede had het er op de foto’s uit de reisgidsen veel kleiner uitgezien. Het is pas als je het in perspectief bekijkt, dat je je realiseert hoe groot het is. Ter illustratie: voor de drempel van de ingang lag een steen, zodat je een opstapje had om erop te klimmen. Op de drempel. That’s right: Je moest op de drempel klimmen. Die ‘drempel’ was anderhalve meter hoog. Het voelde alsof we voor het huis van de reus stonden.

Rowan had gehoord dat we beter gewoon konden verderlopen naar het uitzichtspunt dat een eind verder op de bergtop lag. In werkelijkheid was er geen sprake van “het uitzichtspunt” en “de bergtop”. Er was wel “één van de drie uitzichtspunten” en “één van de drie bergtoppen”. Van de drie mogelijkheden beklommen we er twee. De regel dat het kouder wordt naarmate je hoger klimt was blijkbaar hier niet van toepassing want toen ik en Greg op de top een fotoshoot van het landschap en van elkaar aan het houden waren, was het alsof een gigantische haardroger mijn hoed van mijn hoofd probeerde te blazen. Het uitzicht was overigens best te pruimen. Voor ons ontvouwde zich ongeveer het begin (of het einde, het is maar hoe je het bekijkt) van de ‘Grote Riftvallei’ of de ‘Grote Afrikaanse Slenk’, de grens tussen de Arabische en Afrikaanse aardplaat. Hij begint hier, loopt daarna door de Wadi Rum woestijn waar hij een oogverblindend landschap heeft gecreëerd, en daarna door de Rode Zee waar hij ook voor verantwoordelijk is. Daarna verlaat de Riftvallei de grens tussen de platen en gaat hij dwars door Oost-Afrika waar hij symptomatisch is voor een breuk in de Afrikaanse plaat waardoor Oost-Afrika langzaam maar zeker van de rest van het continent afgesplitst wordt. Hier heeft de Grote Riftvallei een resem meren en vulkanen doen ontstaan waarvan het Victoriameer en de Kilimanjaro de bekendste zijn. Voor onze ogen waren rotsen en bergen allemaal noord-zuid georiënteerd, in het verlengde van de Grote Riftvallei. De inwendige aardrijkskundeleerkracht juichte en werd daarin bijgetreden door de inwendige geschiedenisleerkracht toen ik me omdraaide en neerkeek op de Monastry, die vanuit vogelperspectief nog groter leek.

One dinar sir!

Toen we de lange trap door de kloof naar beneden liepen kreeg ik een klein meisje in de mot dat op het pad zat. Op haar schoot hield ze een baby-geitje. De foto lag zo voor de hand dat ik hem niet kon laten liggen. Ik greep snel naar mijn camera die al de hele dag kruislings over mijn schouder hing, ik richtte en ik drukte. Net op dat moment stak het meisje een vinger op: “One dinar sir!”
Ik vond het belachelijk dat ik voor een foto zou betalen die ik zelf genomen had. En 1 JD is in een land als Jordanië betrekkelijk veel. Ik hief beide handen op in een soort excuus terwijl ik onverstoord wilde doorlopen. Maar het kind liet het er niet bij. Ze kwam achter me aan en greep mijn pink.
“One dinar sir!”
-“One dinar for the goat? That’s cheap”
-“One dinar for picture!”
-“That’s not fair, it’s my own picture.”
Intussen hield ze niet op met aan mijn pink te trekken terwijl ik bleef doorlopen. Uiteindelijk gaf ze zich gewonnen en keerde ze terug naar haar geit tot de volgende toerist zou langskomen. Achteraf kreeg ik spijt dat ik het kind niet wat kleingeld had gegeven. Het hoefde geen 1 JD te zijn, maar ik had wel nog 500 fils (0,5 JD) in mijn portefeuille zitten die ik ook had kunnen geven. Zeker toen bleek dat de foto best wel geslaagd was.

I hate the Romans

Tot op vandaag wordt Petra steeds groter. Hier en daar zie je vlaggen wapperen van universiteiten die er opgravingen verrichten. Langs de Romeinse weg die ons terugbracht naar de kloof die tot de Schatkamer en de ingang van de Siq leidde, verrezen resten van tempels en paleizen.
“That and that and that wasn’t here five years ago”, had Nasser mij verteld toen we eerder op de dag vanop een hoogte over de Romeinse weg hadden uitgekeken, wijzend naar bouwwerken die links en rechts van de poort stonden.
“Is that a Roman gate?”, had Greg hem gevraagd, en dat had bij Nasser een vurige preek doen opwellen over de verderfelijke Romeinse praktijk van steden te veroveren om ze vervolgens ‘Romeins’ te noemen.
“Nothing in Petra is Roman. Nothing! Don’t ever say or mention that. It is a big misunderstanding. I don’t like the Romans. I hate them! They destroyed cultures and took credit for things they’d never done!”
Een minuut eerder had ik staan luistervinken bij een Franstalige gids die vertelde over de Romeinse weg en de Romeinse plaveisels in de Siq.

“But the road is Roman, isn’t it?”, zei ik om Nasser daarmee te confronteren. Ik ving bot want hij reageerde er niet op. Ik heb het nog minstens 3 keer herhaald, maar hij wilde er kennelijk niks over horen. De verachting voor de Romeinen zat behoorlijk diep.

Grote Dorst

De omvang van Petra en het aandeel dat de Romeinen daarin hadden waren al lang geen item meer in mijn gedachten toen ik over de Romeinse weg terugsjokte richting Schatkamer en Siq. We hadden het laatste restje warm water dat in mijn rugzak zat al opgesoupeerd, en ik was druk bezig een ferme dorst te ontwikkelen terwijl ik mij met zinderende voeten onder een genadeloze namiddagzon voorbewoog. Links en rechts van de weg waren terrasjes waar grote koelkasten volgepakt stonden met Pepsi en Fanta. Ik vervloekte de woekerprijzen en ik vervloekte ze opnieuw en opnieuw. We waren van plan in Wadi Musa nog een pak water te kopen alvorens verder te rijden naar Wadi Rum, maar eerlijkgezegd was ik het water meer dan beu. Vergelijk het met jezelf: als je voelt dat je moet niezen, dan wil je niezen. Als dat gevoel plots verdwijnt nog voor je deftig hebt kunnen niezen, dan ben je teleurgesteld, ookal is het eindresultaat hetzelfde. Idem met dorst: als je dorst hebt wil je een ijskoude pint drinken. Met lauw water zal je dorst ook wel gestild worden, maar je wil natuurlijk geen lauw water! Je wil van het moment genieten en je dorst optimaal gebruiken om tot dat ontzettend deugddoende gevoel te komen van ijskoud bier dat in je uitgedroogde keel klatert. Die sensatie zou ik weer niet beleven want een uur later – we hadden Petra intussen verlaten – stopte de auto voor een winkel, waar we zes flessen water kochten.

T.E. Lawrence-land

Het was ongeveer 18u, en we hadden ongeveer een half uur door de Wadi-Rumwoestijn gereden, toen de auto stopte voor het ‘Zawaideh Desert Camp’. In dat half uur had ik naar buiten zitten staren en mij in Monument Valley gewaand, met deze prachtige muziek in mijn iPod. Het rode zand, de rode rotsen, de desolaatheid, het stof. Het zag eruit als-, en het was ook, een filmdecor. We zouden de volgende twee nachten in dit tentenkamp verblijven en de woestijn verkennen.

Het Zawaideh Desert Camp was als een kleine camping. Er was een sanitair blok en een bescheiden bar. Er stonden lange tenten die ingedeeld waren in compartimenten. Elk compartiment telde twee ijzeren bedden die voorzien waren van lakens en muskietennetten. Er was een kampvuur met daarrond een rechthoek van lage, maar zachte zitbanken. Het kamp lag in de beschutting van een rotswand, en werd zo beschermd tegen zandstormen. In de talrijke gaten en nissen die de rotswand rijk was, had men lichtjes geïnstalleerd wat tot de sfeer bijdroeg.

Die avond vielen we het riante buffet aan, waarvan een deel (vraag me niet welk) de hele dag in een olievat had zitten garen, begraven in het hete woestijnzand. Het was best een fijne avond. Ik vulde mijn bord tot de rand en at het leeg aan het kampvuur, waar het niettemin te donker was om te zien wat ik aan het eten was. We dronken onze tweede fles hard core Mount-Nebowijn leeg, maakten een avondwandeling in het licht van de maan (waardoor de befaamde sterrenhemel achter een zwart gordijn bleef), ik probeerde mij te douchen met behulp van een waterslang waar enkel een klein straaltje koud water uit kwam, en ik slaagde er daadwerkelijk in om direct in slaap te vallen in het veel te korte bed en tussen de vermoedelijk ongewassen lakens. Faut le faire!
Mijn wekker stond ingesteld op 5u.

– Wordt vervolgd –

Into the wild

Green Jordan

De dag begon zoals de vorige geëindigd was: met een glas zoete muntthee in de schommelstoel op het dak. Ik wist niet zeker of ik die nacht wel geslapen had. Mijn herinnering werd volledig ingenomen door het beeld van de achterkant van mijn oogleden en ik wist niet beter of ik had de hele nacht met mijn ogen dicht gelegen zonder echt te slapen. Om 5u was Greg zo geruisloos mogelijk opgestaan, had hij zijn camera genomen en naar buiten gegaan om de zonsopgang vast te leggen. Ik had even overwogen om hem achterna te gaan maar had in plaats daarvan mijn portefeuille genomen om mijn geld te tellen, en me daarna geïnstalleerd met “De weg naar Mekka” van Jan Leyers. Toen Greg tegen 7u terug was zijn we allebei naar het dak gegaan. Op de drempel van onze kamerdeur lagen twee dode kakkerlakken: één platgetrapte, en één met zijn poten omhoog. Net zoals in het restaurant was ik ook nu blij met de timing van de ontdekking.

Op het dak kwam één van de werkkrachten van het hotel met een glas thee in de hand op ons toegelopen en  hij informeerde of we eigenlijk geen last hadden van onze alcoholverwerkende gids. We antwoordden dat het de eerste keer was dat we hem dronken hadden gezien en dat het voor de rest eigenlijk wel een goeie gids was. De man leek niet bepaald overtuigd. Hij begon te vertellen over een incident in het hotel een tijdje terug waarbij de gids van een Belgische groep teveel had gedronken en daarna een meisje uit een Nederlandse groep had lastig gevallen. De reisorganisatie waarvoor hij werkte was permanent verbannen uit het hotel. We moesten allebei even slikken. Blijkbaar had Nasser een niet al te beste indruk achter gelaten. Terwijl we thee kregen kwam een wat dikkere man, die aan de wallen onder zijn ogen te zien pas was opgestaan, tegenover ons zitten. Hij vroeg naar onze impressies van zijn land. Uiteraard zongen we lof over Jordanië, met zijn prachtige natuur, volstrekte rust en mooie vergezichten.
“We don’t have that in the country where I live”, zei Greg.
-“Where is that?”
-“England”.
-“Aaah, England. I have seen pictures of England. Very green!”
-“Yes because of the rain.”
-“Jordan is dry. Too dry.”
Hij gebaarde met zijn hand over de vallei waar we over uitkeken.
“Not a lot of green here. They should come with airplanes and put water on the land, every day for 4 weeks, and it would be green. Then we could use the land.”
-“Right…right….”, zei Greg vertwijfeld bij het aanhoren van het megalomane plan van de Jordaniër.
Ik als notoir hater van neerslag probeerde het enthousiasme wat te temperen.
“In my country, there is also a lot of rain. And it is also very green. But we can’t see the beauty of the nature because the sky is grey all the time and we never see any sun. Without the sun, there are no colours and everything is dark and depressing. In Jordan, the sun shines every day, so every day you see the beauty of nature.”
De man knikte instemmend.
“What’s your country”.
-“Belgium”.
-“Aaaah, Belgium.”  En opnieuw knikte hij instemmend, alsof hij mijn afkomst goedkeurde. “Welcome to Jordan”.

Dodentocht

De twee vrouwen oversliepen zich en toen ze zich naar het ontbijt spoedden stonden we al klaar op het binnenpleintje om te vertrekken op de wandeling. Hier en daar had ik gelezen dat stevige wandelschoenen aangewezen waren, en ik had bijgevolg mijn bergschoenen aangetrokken. Voor de volledigheid was ik ook in lange broek, gewoon omdat ik bergschoenen onder een korte broek gewoonlijk voorbehoud voor bergwandelingen, waar ik nauwelijks volk tegenkom en waar geen vrome moslimmannen mij nastaren.

Tijdens de wandeling, en nu moet het er even uit, heb ik mij ontzettend geërgerd aan Rowan. Ik heb niet het flauwste idee waarom ze die morgen voor sandalen koos maar nog voor we een stap gezet hadden kon ik al zeggen dat het voor haar de flater van het jaar zou worden.
De hoteluitbater bleek ook de gids te zijn die ons door het reservaat zou loodsen. Ik schat dat zijn leeftijd met een 6 begon, hij sprak amper Engels maar bleek van het type ‘actieve 60 plusser’ te zijn. We gingen van start over een stijl, rotsachtig bergpad dat ons recht de vallei in voerde. Als ik tot dan toe had gevreesd dat het meezeulen van bergschoenen in mijn bagage een nutteloze inspanning zou worden, dan was die vrees nu volledig verdwenen. Ik kon ze wel kussen.
Rowan raakte al spoedig achterop omdat haar voeten voortdurend elk een eigen weg uitrolden over de losse stenen. Na een half uur deed ze haar beklag bij de gids. Die stamelde dat het pad straks beter zou worden en daar scheen ze voorlopig vrede mee te nemen. Haar voeten hadden intussen dezelfde kleur aangenomen als het pad.
We kwamen uit op een brede onverharde weg die zich in dalende lijn door de vallei slingerde. Het was redelijk steil, en dat was ook te zien aan de bezwete gezichten van enkele toeristen die uit de tegenovergestelde richting kwamen. We volgden de weg een eindje, af en toe halt houdend om over de rotswanden uit te kijken op zoek naar wilde dieren en genietend van de loepzuivere stilte. Maar toen we opnieuw voor een smal pad kozen dat langs de helling liep, sloeg Rowan permanent aan het zeuren.
“Can’t we keep on following that nice road into the valley?” “You said it would be easier by now.” “This is not what I had in mind when I imagined a walk”.
En zo ging ze maar door. Ik liep zo ver mogelijk vooraan zodat ik haar slechts in de verte hoorde klagen in dat ééntonige Londense accent. Ik dacht terug aan enkele bergtochten die ik in mijn leven had gedaan waarin een brede onverharde weg met veel losse stenen, de hoofdrol speelde. Ik herinnerde me vooral de intense saaiheid, de pijn aan mijn knieën en mijn voeten, en het met opengesperde mond naar boven staren op de stukken bergop. Als het van Rowan afhing zouden we die weg helemaal naar beneden volgen tot we onze voeten niet meer zouden voelen en bijna door onze knieën zouden zakken, en daarna op het heetst van de middag langs dezelfde weg terugkeren. Bergop.
Bij de volgende pauze, ergens in een koel bosje aan een waterbron, waar we onze gezichten verfristen, liep Rowan naar de gids en stelde voor dat ze op haar eentje zou terugkeren naar de weg, en zo zou terugkeren naar het dorp. Hij kon weinig enthousiasme voor haar plan opbrengen en het verwonderde mij dat ze dat als leerkracht niet inzag. Wat voor gids zou iemand alleen laten terugkeren in een onbekend gebied?
Daarna ging het enkel nog bergop, wat in principe de terugkeer inluidde. De weg was stijl en de zon scheen ongenadig. Ik was blij dat ik eerst naar Zwitserland was geweest en daarna naar Jordanië, en niet omgekeerd.

Het einde van de klim scheen niet in zicht te komen toen het einde van de fles water al lang bereikt was. We stopten even onder een boom en zagen een man in legeruniform ons van boven tegemoet komen. Van een pad was nog nauwelijks sprake en Rowan was aan het fantaseren over een complot tegen ons omdat Nasser ervoor gezorgd had dat we geen ingang voor het natuurpark moesten betalen.
“He’s taking revenge on us just because we didn’t pay the 7 dinars”.
Niemand van ons ging mee in die theorie, en niemand ervoer het pad op dezelfde manier als zij (…waarschijnlijk omdat wij wél schoenen aanhadden).
De man in uniform hield een ketel thee in zijn hand.
“Bedouin tea?”
Niemand behalve ik leek happig om op dat moment thee te drinken behalve ik. De woorden ‘drank’ en ‘dorst’ gingen in een lichtkrant door mijn hoofd. We klommen een eindje hoger tot bij de rotsen voor ik een beker thee kreeg. Het was een vuil geval met een overdaad aan zand dus aarzelde ik aanvankelijk alvorens de thee naar binnen te gieten.
Plotseling verscheen onze gids met een stok waarop een menselijke schedel prijkte, als een soort ‘surprise’.
“Old bedouin burial ground”, glunderde de man in uniform. Ik maakte snel een foto van de gids met de schedel, een beeld dat op zijn minst compromitterend kon worden genoemd in de ogen van iemand die de context niet kent.
Later zou ik van Rowan horen dat de man in legeroutfit haar de rekening van mijn thee kwam presenteren.
“I can’t believe he wanted to charge me for your tea!”
-“I can’t believe he actually wanted to charge for that!”, zei ik.

De terugweg tot aan het dorp ging door ‘the garden’: een dicht struikgewas waardoor onafgebroken het geluid van stromend water klonk en waarin iedere plant wel een eetbare vrucht droeg. De gids stopte verschillende keren om ons achtereenvolgens een tros druiven, braambessen en vijgen toe te steken.
Wat minder in dank werd afgenomen waren de doornstruiken die weelderig over het pad krulden. Schrammen waren ieders deel, behalve het mijne. Na mijn schoenen kon ik nu wel mijn lange broek kussen. Rowan was niet in de stemming om de pracht van de plaatselijke flora te bewonderen want ze was ziedend op de gids. Nadat ik haar voorbij een moeilijk stuk had geholpen door zoveel mogelijk doornstruiken opzij te drukken met mijn voet, hoorde ik haar tegen de arme man van leer trekken. Ik liep snel wat verder naar Greg en Griet maar haar stem bleef hoorbaar.
“I’m very angry with you!!”
-“I’m sorry.”
-“I don’t care about your sorry…”

We lachten groen en prezen ons gelukkig dat onze walk in the woods bijna achter de rug was.

Ik kwam als eerste terug aan het hotel waar Nasser, de chauffeur en nog wat anderen voor de ingang druiven zaten te eten. Ik kreeg terstond een tros in de handen geduwd.
“How was it?”, vroeg hij monter. Van een kater leek geen sprake.
-“For me very good. But people with sandals will say otherwise.”

Hello!

Onze chauffeur stond zichtbaar te trappelen om verder te rijden, en wij met hem, dus sloegen we het middagmaal in het hotel af om onze reis verder te zetten. De hotelcrew wuifde ons uit terwijl het busje zich door de smalle straatjes wrong. Volgende halte: Petra.

We reden door verschillende kleine dorpjes waar schijnbaar enkel 10-jarige kinderen woonden. Zonder uitzondering zwaaiden ze ons lachend toe terwijl ze “helloooo!” riepen. Jommekes avontuur in “Kinderen baas” zou hier perfect mogelijk zijn geweest.
We stopten in een snackbar om te eten en hoewel ik niet overdreven hongerig was verorberde ik mijn ‘chicken shwarma’ alsof ik in dagen niet gegeten had.

Het was een ontspannen namiddag die grotendeels bestond uit autorijden en genieten van het vooruitzicht van een normaal bed en een douche. Ik realiseerde me plots dat ik zo ver ik kon kijken niks anders zag dan een zandvlakte en ik besefte dat ik me voor het eerst in mijn leven in een echte woestijn bevond. Hier en daar zag je een tent, of een eenzame dromedaris staan, met op de achtergrond een kleine wervelwind die plaatselijk veel stof deed opwaaien. Rechts voor ons, in de heuvels, lag Wadi Musa, het dorp dat de toegangspoort vormt naar de historische site van Petra.

One dinar. One!

Wadi Musa deed me denken aan een skioord. Overal waren hotels en restaurants en het vertoonde tekenen van relatieve rijkdom, vooral vergeleken met de dorpjes waar we eerder die middag doorgereden waren. De benoeming van Petra tot één van de nieuwe wereldwonderen zal de inwoners geen windeieren gelegd hebben. We stopten voor een gebouw waarin zich een mythische bron zou bevinden.
“Here is one of the places where Moses hit the rocks and water came out”, zei Nasser. We stonden op de rand van wat ik het best kan beschrijven als een klein zwembad, gevuld met klaarhelder water dat vanuit een rotsachtige tunnel gestroomd kwam.
“It is said to have healing power!”
Greg, die farmaceutische wetenschappen gestudeerd had, nam de proef op de som en dronk enkele slokken water uit zijn hand. Die beker liet ik liever aan me voorbijgaan. Het water uit de kraan was ook zogezegd te drinken en ik wilde mijn darmen in hun oorspronkelijke staat behouden.
Naast de bron was een souvenirwinkel waar zandfiguren in flesjes verkocht werden. Net toen we onze rug wilden draaien om terug naar de wagen te lopen verscheen een jonge verkoper (hij was een jaar of 11). In zijn handen hield hij een Palestijnse keffiyeh (in zwart-wit), die hij mij terstond om het hoofd wilde leggen.
“No thank you!”, zei ik lachend terwijl ik hem ontweek, en ik maakte me zonder omkijken uit de voeten.

Het hotel was degelijk. We kregen er vruchtensap als welkomstdrink en ik was blij nog eens iets anders te kunnen drinken dan water om de dorst te verdrijven. De douche in onze kamer was er één naar mijn hart: hoe je ook aan de kraan draaide, het water bleef stromen. Het leek een uitstekend excuus om er extreem lang onder te blijven staan. “Ik moest wel zo lang douchen, anders zou het waterverspilling zijn”.
Jammergenoeg douchte Griet voor mij en kreeg ze als eerste met het ‘probleem’ te maken. Ik werd te hulp geroepen en kon het water dan toch stoppen door aan de douchekop te draaien.

We hadden 4u voor we met z’n allen zouden gaan eten dus gingen Griet en ik, na gedoucht en gerust te hebben, op verkenning in Wadi Musa. We zochten een bakkerij om sandwiches in te slaan voor de volgende dag. Gewapend met een plannetje uit de Lonely Planet, waar de bakkerij in kwestie in vermeld werd, trokken we de straat op. Maar wat begon als een gecontroleerde oefening in oriëntatie, mondde al snel uit in natte-vingerwerk waarbij we alleen zeker waren van de richting van het dorpscentrum. Onderweg werd ons om de haverklap “hello!” toegeschreeuwd door spelende kinderen. Ook hier waren er geen volwassenen te bekennen. We zagen een jongen van pakweg 11 te paard onze richting uitkomen. Het was de jongen van de souvenirwinkel. Ik zag de bui al hangen.
“You want to ride the horse?”
-“No”
-“Where are you going?”
-“The shop!”
-“Common, jump up, I’ll take you!”
We schoten in de lach.
“With three people on one horse? Are you insane?”
-“Common, it’s no problem!”
Hij was duidelijk getraind in omgang met toeristen. Om ze te overtuigen, blijf zo lang mogelijk doorzeuren.
Wij pasten eveneens onze beproefde tactiek toe: negeren. We bogen ons over het plannetje en deden of we controleerden of we nog steeds op de juiste weg waren. Uiteindelijk joeg hij zijn paard voorwaarts en het nerveuze dier zette een galop in.

De weg bracht ons gelukkig recht naar het centrum. Daar waren geen kinderen meer te bekennen, enkel starende mannen. Bij elke winkel, elke bar en elk restaurant stond wel een kerel voor de deur die ons binnen probeerde te lokken.
“Where from?”
-“Hawai”
-“Welcome. Come take a look inside.”
-“Talk to the hand.”

We vonden onze bakkerij probleemloos. Een rek tegen de muur lag vol plastieken zakken, gevuld met sandwiches. Alleen waren de zakken niet doorzichtig en stond er nergens te lezen hoeveel stuks zo’n zak bevatte. Ik riep de hulp in van de man achter de kassa.
“How many are in the bag?”
-“One dinar.”
-“No, I mean how many are inside?”
-“…one dinar.”
-“Yes, I know. But I want to know – hoooow – many – sandwiches – are – in – the – bag.” En ik ging met mijn handen langs de zak op en neer om het geheel van de sandwiches op één of andere manier te benadrukken. De man leek in de war.
“One dinar.”
We werden radeloos. Intussen moest die man toch al doorhebben dat ‘one dinar’ niet het antwoord op onze vraag is??
-“Do you understand our question?”
-“One dinar”
Een tijd later, toen ik aanstalten maakte om de zak te openen en de inhoud zelf te gaan tellen, kreeg de kassaman de ingeving er een personeelslid dat wél Engels verstond erbij te roepen.
“12”, zei die.
-“Excellent”, zei ik. Ik zag af van het idee om de verkoper nu om de prijs te vragen in de vrees dat de ironie niet zou overkomen, en dus legde ik een dinar op de toonbank bij het naar buiten gaan.

Bij een kruidenier gingen we op zoek naar een pot Nutella. Die vonden we niet en we wilden terug naar buiten gaan, maar net op dat moment stond de uitbater op en vroeg “what were you looking for?”, in perfect Engels, zonder enig accent.
“Nutella”
-“Hmmm, let’s seeee”, zei de man en hij liep de winkel in. Hij liet zijn ogen de rekken afgaan terwijl hij met zijn hand over zijn kin wreef.
“I’m sorry, but apparently I can’t help you.”
-“No problem.”
-“Have a nice evening!”
-“Bye”

Als de man van de bakkerij het ene uiterste betekende, dan was dit het andere.

Stappen in Wadi Musa

Met Nasser hadden we om 20u afgesproken in de lobby. Toen we daar een kwartier voor het afgesproken tijdstip aankwamen bleken de familie Flodder, en even verder Greg en Rowan, een Amstel-festijn te hebben opgestart. Een bediende was juist bezig Rowans glas van een onzichtbare schuimkraag te voorzien toen we erbij kwamen zitten.
“How much does it cost?”, vroeg ik aan Greg.
-“4 JD”
-“4?? I think I’ll pass”.
– “You wanna drink?” Rowan duwde haar glas een eindje in mijn richting.
– “No thanks”
– “Why not?”
– “It’s your beer.”
– “Yes, and I’m offering you some.”
– “No, really”
– “If I ask you if you want to drink, I don’t ask it out of politeness. I’m really offering you some”.
– “Ok then”
Ik nam een slok van haar glas en bedacht intussen dat de eerste slok altijd de beste is. Hierna zou ik geen Amstel meer willen. Maar zo had Rowan het niet begrepen: 2 minuten later begon ze opnieuw.
“You want to drink again?”
-“No, thanks”
-“I mean it!”
-“Me too!”
-“Are you refusing out of politeness or because you really don’t want?”
-“Because I really don’t want.”
-“Ok, then.”

Blijkbaar was Rowan in de Amstel-val gelopen en probeerde ze er krampachtig uit te raken. Ik voelde er weinig voor haar daarbij te helpen. Mijn vorige ervaring was nog niet lang genoeg voorbij.

Naast ons werd de familie Flodder tot onze ergernis steeds luidruchtiger. Gelukkig kwam Nasser, weliswaar een kwartier te laat en al wat aangeschoten, de lobby binnengewandeld.
“Let’s go guuuys!”

Onderweg naar het dorpscentrum zeverde hij erop los, nodigde hij de hello-kinderen uit om met ons mee te gaan (waar ze gelukkig niet op in gingen), en pikte hij een volgzame straatkat op. Rowan bleek van het type te zijn dat tegen dieren praat alsof ze haar werkelijk begrijpen.
“Hello mister cat, how are you? You are so cute! Oh yes you are! Oh yes you are! Are you coming with us?” …

We aten op een terrasje met (luidruchtige) lokale livemuziek op de achtergrond. Ik betaalde 6 dinar voor een kebab die qua omvang 3 keer kleiner was dan de shwarma van die middag (waar ik 3 dinar voor betaald had, drank inbegrepen). Gelukkig voor mij had Greg niet veel trek en mocht ik zijn kip overnemen. Nasser at wat soep en dronk voor de rest arrak. Zijn vertelsels werden steeds inhoudslozer met als toppunt een simpel verhaaltje dat hij uitrok tot romanformaat. Tegen de tijd dat de rekening kwam, was er enkel nog een dikke nevel in zijn hoofd. Er scheen een probleem te zijn met de rekening en het aandeel van de taksen daarin. Nasser hertelde wel 5 keer onze rekening, er stellig van overtuigd dat hij dat wel even voor ons zou kunnen regelen. Dat zou hij waarschijnlijk ook gekund hebben als hij nog over een korte-termijngeheugen had beschikt en niet vergeten was hoe hij moest hoofdrekenen. Toen hij voor de zesde keer aan Rowan vroeg wat zij voor haar eten moest betalen, had ze er genoeg van. Ze nam de rekening uit zijn handen en vroeg de ober ons geld terug. Ze bekeek de rekening en legde het gevraagde bedrag op tafel. Daarna legde ze er de fooi bij en daarmee was de kous af. Wij gingen naar het hotel en Nasser zou “a little bit later” komen. Het was maar al te duidelijk wat hij daarmee bedoelde.
Rowan zeurde over de rekening, ik keek verlangend naar de blikjes frisdrank die in rijen in koelkasten lagen die voor winkeldeuren stonden, en in de verte spatte vuurwerk uit elkaar. Ik voelde me, en ik was waarschijnlijk, een rariteit in het straatbeeld. Ik keek uit naar de volgende dag, want dat zou ongetwijfeld een hoogtepunt van de reis worden.

– Wordt vervolgd –