Roadtrip USA, part VIII: Ovenvers

Op de dag dat we onze langste rit voor de boeg hadden (van Las Vegas naar Bakersfield, zoek maar op Google Maps), bleven we veel te lang in ons bed liggen. Maar dat was nog geen ramp: het betekende enkel dat we Death Valley door zouden moeten op het warmste moment van de wag. Death Valley is zonder twijfel de warmste plek in Noord-Amerika en ook het diepste punt in de Verenigde Staten (een 80-tal meter onder de zeespiegel). De vallei ligt in de regenschaduw van de Sierra Nevada, en is dus al sowieso veroordeeld tot het woestijnschap, en ligt daarbij ook nog eens in een depressie waar de warmte amper uit weg kan. Vanop de hoogten aan de rand van Death Valley zie je de valleibodem letterlijk bakken in de zon. Als je in de vallei rondloopt voel je de warmte door je schoenzolen priemen en als je je hand op de grond legt moet je hem na 5 seconden noodgedwongen terugtrekken om niet te verbranden. De temperatuur overdag fietst vlotjes over de 50 °C. ’s Nachts koelt het af tot 38 graden. Waarom dit inferno in godsnaam tot Nationaal Park is benoemd zouden we met onze eigen ogen kunnen zien als we erdoor zouden rijden, maar daarvoor moesten we er eerst geraken. Na een half uur waren we al hopeloos op de verkeerde weg. Nietsvermoedend misten we de afslag van de interstate waardoor we noodgedwongen een alternatieve route in mekaar moesten knutselen “langs de kleine baantjes”. Die moesten ons naar Good Springs voeren, daarna naar Mountain Springs en vervolgens naar Pahrump waar we opnieuw op de geplande route zouden komen. Een tweevaksbaan voerde ons door de woestijn tot in het stoffige plaatsje dat door één of andere leukerd Good Springs genoemd was. Overal lag er rommel maar er was geen levende ziel te bekennen, alsof iedereen gevlucht was bij de aanblik van twee vreemdelingen, de eerste twee in tien keer zoveel jaar. Volgende halte: Mountain Springs. Wel vervelend natuurlijk wanneer je merkt dat in Good Springs de wegwijzer nog niet is uitgevonden. We reden dus maar wat op goed geluk rond in de hoop op een weg te belanden die in de richting van Mountain Springs voerde. We dachten die gevonden te hebben, tot het asfalt ermee ophield. Aan de andere kant van het dorp hadden we meer geluk en vonden we een weg die wel verderliep. Niet naar Mountain Springs, zo bleek, maar naar Ripley, een zo mogelijk nog veel stoffiger nest aan de andere kant van een tweetal  becactuste bergpassen. We vonden er een levend iemand, namelijk een vrachtwagenchauffeur die aan de kant van de weg een hek aan het sluiten was.
“You wanna go where?”
“Pahrump.”
“Oh shit….”
“…?”
“Two options: you drive back to the interstate and get the right exit; or you take the second on the left to Pahrump, but it’s a dirt road that gets really bumpy and it lasts for 16 miles or so”.

De beslissing was snel genomen. Snelheidsbeperkingen redelijk losjes interpreterend reed ik terug naar de interstate, op zoek naar de juiste afslag. We bevonden ons al terug in Las Vegas toen we hem vonden (hij kwam dus véél vroeger dan verwacht) en met een bijkomende vertraging van twee uur bevonden we ons eindelijk op de weg naar de Valley of Death. We kozen ervoor het park helemaal in het zuiden binnen te rijden om er zolang mogelijk door te kunnen rijden. In Pahrump jawel) namen we de afslag en al snel bevonden we ons weer in het midden van de woestijn met in de omgeving slechts één andere eenzame wagen, ergens ver weg in mijn achteruitkijkspiegel. We staken enkele verlaten bergpassen over, waarna we telkens opnieuw uitzicht kregen op een verse uitgestrekte en verlaten woestijnvallei. Maar na de laatste pas die we overstaken zagen we de weg enkel dalen, zo ver als we maar konden kijken. Het was het begin van Death Valley.

De weg leek zich eindeloos naar beneden te slingeren en onderweg werden we getrakteerd op een steeds buitenaardser lijkend landschap. Indrukwekkende rotsplooiingen, kleurencombinaties, onder een verzengende zon waarbij we in de verte het asfalt wazig zagen worden. we bereikten uiteindelijk de dalbodem, die heel uitgestrekt en plat bleek te zijn, als een reusachtige braadpan die links en rechts werd afgebakend door maf uitziende rotsformaties. We voelden de hitte door de autoruiten dringen. De weg slingerde ons constant richting rotswand en dalbodem. Na ongeveer een uur kwamen we bij badwater: het diepste punt van Death Valley, en plek waar eeuwenoud water aan de oppervlakte komt na een lange weg door onderaardse geologische lagen. Het water kan er nergens heen dus verdampt het, waarbij het zout als residu achterblijft, onder de vorm van een dikke korst die her en der uit het water stak. Na 5 minuten aan de rand van het water gestaan te hebben begon de intense hitte zijn tol te eisen. Ik voelde het zweet langs mijn nek lopen en er stak een wind op. De grill veranderde nu in een heteluchtoven want de wind was bijzonder heet.
De airco klopte overuren toen we een eindje verder een afslag namen naar de Devil’s Golfcourse. De meeste plekken in Death Valley hebben een verwijzing naar de hel of de duivel. Naast Devil’s Golfcourse waren er ook bijvoorbeeld The Devil’s Cornfield en Dante’s View. We bereikten de Golfcourse na een eindje over een onverharde weg gehobbeld te hebben. De benaming was in wezen ironisch bedoeld want het bleek om een patattenveld te gaan van hompen zoutsteen. Hier en daar zaten er kleine gaatjes in de grond, en die zou de duivel blijkbaar graag gebruiken om een balletje te slaan. We verlieten Death Vally (de vallei, nog niet het park) via het Panamint gebergte. Borden langs de kant van de weg geboden ons de airconditioning af te zetten zodat de motor bergop het loodje niet zou leggen, maar dat advies legden we maar al te graag naast ons neer. We hadden het volste vertrouwen dat ons bakje ons zonder problemen over de pas zou voeren, maar ik hield de temperatuur van de motor wel nauwlettend in de gaten. Via een niet minder dan prachtige weg reden we tenslotte het park uit en het was al na 18u toen we aan de voet van de Sierra Nevada kwamen. Bakersfield lag aan de zuidelijke grens van het gebergte en met tegenzin reden we zuidwaarts. De volgende dag moesten we opnieuw naar het noorden en ik wist bijgod niet waarom onze reisroute, die we als pakket geboekt hadden, ons langs deze stad wilde voeren. Het was een aanzienlijke omweg richting Yosemite National Park. Niet alleen zouden we zeker nog 2 uur in de wagen moeten doorbrengen, de volgende dag zouden we ook nog eens 3 uren autosnelweg moeten verteren voor we de geur van Yosemite zouden mogen opsnuiven.

Bakersfield was wat ik ervan verwachtte: een zielloze stad zonder centrum, zonder bars, zonder restaurants, en met een dambordpatroon. Onze kamer was ruim, maar rook naar sigaretten; en het zwembad was verkwikkend, maar al na 5 minuten ijskoud. De zoektocht naar eten duurde tot ik per ongeluk tegen de rijrichting in begon te rijden en ik het zoeken beu was. Het zou die avond Subway worden. Tot overmaat van ramp weigerde de uitbater van de nachtwinkel naast de Subway ons alcoholische drank te verkopen omdat onze Belgische identiteitskaart “unfamiliar” was voor hem en hij mijn rijbewijs niet eens wilde bekijken. Gelukkig maakten ze in het benzinestation veel minder problemen (geen) waardoor we onze frigobox alsnog met een sixpack konden verrijken.
Eten en slapen. Het is niet het klassieke einde van een dag als je op reis bent, maar het is wel het klassieke einde van een dag als je roadtript.

Roadtrip USA, deel VII: Whatever happens in Vegas…

Op dag 8 (deel 7 dus) bracht ik geen milliseconde door voor het stuur van één of ander rijdend vehikel. Daarmee bedoel ik noch de auto, noch de propaangeleide bus die ons door Zion Canyon voerde. Dat klopt: in Zion National Park namen we voor de gelegenheid de bus, om de simpele reden dat dat de enige mogelijkheid was om dit mormonen-gedreven park binnen te komen. Aanrader volgens Rough guide, maar in werkelijkheid verkies je toch eerder een vervoermiddel dat airconditioning heeft in de gegeven omstandigheden. De bus tufte aan een slakkengangetje door de ongetwijfeld prachtige kloof die Zion is, maar de ruiten waren verduisterd en konden slechts een tiental centimeter ver open schuiven zodat er van sightseeing en fotografie weinig sprake kon zijn. Er zat niks anders op dan ter plekke te zitten zweten en wat meewarig naar elkaar glimlachen. Op de terminus stapten we samen met alle andere zwetende Amerikanen uit en waagden we ons aan een miniem wandelingetje in de omgeving van het klaterende riviertje, wat onze dorst nog wat verder aanwakkerde. Dorst. Dat was eigenlijk al een constante op de hele reis geweest, in tegenstelling tot honger. Die ochtend hadden we genoten van een stevig ontbijt in een typisch Amerikaanse “diner”. Je kent ze wel uit de films: met van die hoge zitbanken, waarbij je rug aan rug zit; een draaiende ventilator aan het plafond en een onaantrekkelijke uitbaatster die ter tijd en stond je kop koffie komt hervullen. Omelet met tomaat en Zwitserse kaas lag er op mijn bord. En een grote kan thee. Het was het beste ontbijt in lange tijd. En nogmaals: lang leve Utah!

De weg voerde ons dus door Zion National Park, door de mormonen zo genoemd omdat ze in ‘Zion’ geloven, net zoals de reaggae-beweging. Een aards-paradijs weet je wel. Vanaf het moment dat we het park binnenreden vond ik dat al een treffende omschrijving: het aards paradijs. Onze monden vielen open bij het zien van zoveel natuurpracht. Woeste rotspartijen in diverse warme kleuren omgaven ons en mijn rechterwijsvinger, die op de sluiterknop van mijn camera lag, ging over op automatische piloot. Dit had ik nog nooit gezien. In geen enkel gebergte in de hele wereld. Hier konden ze in Zwitserland enkel over dromen. We hoopten dat Zion Canyon, zoals gezegd enkel toegankelijk per bus, nog mooier zou zijn, maar in feite konden we ons moeilijk een landschap voorstellen dat nog mooier kon zijn dan wat we zonet gezien hadden. En inderdaad: Zion Canyon kon de beelden op ons netvlies niet meer overtreffen. Voldaan sprongen we opnieuw in onze auto om Utah achter ons te laten en koers te zetten naar het zanderige Nevada.

In Nevada mag alles: te snel rijden, gokken en drinken. Het was al te merken toen de snelweg een hoekje van Arizona afsneed en niemand nog enige aandacht leek te besteden aan de snelheidsbeperking. Een vlugge blik op de kaart leerde ons dat de higway waarop we ons bevonden eigenlijk enkel via een grote omweg toegankelijk was voor de Arizoniaanse politie en dat wisten de plaatselijke bestuurders duidelijk ook. In Nevada werd het nog erger: daar werden we voor het eerst ingehaald door een vrachtwagen. Ik herhaal: door een vrachtwagen. Aan de woestijn kwam zichtbaar geen einde tot we in de verte de casinotorens van Vegas zagen opdoemen. Evi ging in overdrive en had hier en daar wat kalmering nodig om op het juiste baanvak te blijven.

Het eerste contact met de hitte van de woestijnstad schroeide onze wenkbrauwen eraf. Happend naar adem repten we ons naar de verkoeling van onze – laat ons zeggen, redelijk aanzienbare – motelkamer. Veel tijd was er niet te verliezen want Vegas lag redelijk letterlijk om de hoek. Dat zegt wel niks over de effectieve afstand tussen ons motel en de Strip want de tocht door de heteluchtoven leek eindeloos aan te slepen. Dat “slepen” mag je trouwens aan de letterlijke kant interpreteren want Evi’s schoen was er in geslaagd welgeteld 10 meter vol te houden alvorens het ding – om het eenvoudig uit te drukken – in twee brak. Beste lezer, u wil niet, nooit, never ever… met een vrouw op stap zijn in een temperatuur van minstens 40 graden terwijl één van haar schoenen naar de verdoemenis is. De focus werd aldus prompt verschoven naar de dichtstbijzijnde schoenenwinkel. Ha! Vegas! Schoenenwinkels te over, zo hoor ik u denken. Maar neen, think again. Blijkbaar hadden alle schoenenwinkels de dag daarvoor hun biezen gepakt (vermoedelijk om ons een loer te draaien) waardoor de dodentocht 4 keer langer duurde dan strikt noodzakelijk. Uiteindelijk rolden we onszelf binnen in één schoenenzaak die zich niet op tijd uit de voeten had kunnen maken en kon Evi zich uiteindelijk nog voorzien van een vers paar voetbescherming.

Zonder dat we het doorhadden bevonden we ons toen al in de Venetian. De place to be voor alles wat fake-Italiaans is (maar wel gezellig. Ze hebben er zelfs een ‘lucht’. Ja, google dat maar eens.). Van daar ging het naar de Mirage voor de dolfijnenshow die toen al lang gesloten was; en naar Caesar’s Palace, wat in mijn optiek het grootste complex op de Strip moet zijn. De Bellagio was de volgende in de rij, en we waren – alweer – 5 minuten te laat om van het befaamde buffet te kunnen genieten. Next best thing was het Frans restaurant voor de gevel van Paris vanwaar we konden genieten van het fonteintjesspektakel op het kunstmatig meer van de Bellagio.

Vegas: tonnen pret, maar niks is echt. Beter uw verstand op nul zetten en gewoon laten meeslepen door de manie.

Om terug bij ons hotel te komen waren we allerminst van plan de hele weg opnieuw te wandelen. We waren al op zoek naar een taxi toen we voorbij een pijl kwamen waarop “monorail” stond. We wisten dat de monorail voorbij ons hotel kwam dus was de beslissing snel genomen. We kwamen op een lange roltrap terecht die uitkwam in de gokzalen van de Flamingo. Nieuwe  bordjes leidden ons helemaal tot achterin de zaal waarna we weer een trap afgingen. Die leidde naar een verlaten winkelcentrum en we begonnen eraan te twijfelen of de bordjes ons echt wel ergens heen voerden. 10 minuten later waren we helemaal aan het einde van de lange wandelgang van het winkelcentrum gekomen waarna een nieuw bordje ons rechts af deed slaan, en een eind verder nog eens rechtsaf. Daar bevonden zich de betaalautomaten voor de monorail. Toen we nog eens een kwartier later eindelijk over de rail richting bed aan het schuiven waren en naar buiten keken richting Strip, zagen we dat we om de monorail te bereiken een ondergronds parcours hadden afgelegd dat zich al bijna kon meten met de lange weg naar het hotel. Een metaalachtige stem verschaftte de gewoonlijk niet zo snuggere Amerikanen met wat nuttige uitleg over de monorail: “the word ‘monorail’ comes from the Greek word of ‘mono’, which means ‘one’, and ‘rail’ which means….well yeah, just ‘rail’”. Het zijn toch rekels he, die USA-ers…..