Roadtrip USA, part X: If you’re going to SaanFraanCiscoo

De aanblik van krioelende mieren bovenop het kadaver, en een mierenhighway die over de muur naar het venster liep, bezorgde me rillingen toen ik de volgende ochtend wakker werd. We ontruimden zo snel mogelijk onze kamer, laadden alles in de koffer van de auto en gingen daarna ontbijten in een diner, een steenworp verderop. Als een hongerige beer verorberde ik er een riant ontbijt met omelet, tomaat en worst. Ik kreeg er al gauw spijt van bij de gedachte aan de bochtige weg naar Yosemite die ons te wachten stond. Inderdaad: dit park hielden we nog niet voor bekeken en ons vertrek naar San Francisco wilden we dus zo lang mogelijk uitstellen (we hadden daar sowieso 2 nachten in het vooruitzicht).

De terugweg van Mariposa naar Yosemite Valley leek korter dan de dag ervoor en tegen de middag kwamen we aan op de parkeerplaats van Yosemite Village. Van daaruit reden er gratis bussen naar allerlei plekken in het dorp zoals de winkel, de souvenirwinkel of het visitor center. In elk nationaal park dat we tot dan toe bezocht hadden was het visitor center een vaste afspraak. We zochten er naar posters, nuttige folders, plannetjes etc. Hier wilde Evi per se een witte trui van Yosemite National Park vinden, dus met dat doel wilden we naar het visitor center. We zagen een wegwijzer met daarop “visitor center: 1 mile” en daaronder een symbooltje dat een voetganger moest voorstellen. We lieten de horde wachtenden achter aan de bushalte en gingen te voet op pad. Onderweg kwamen we voorbij de “store”, de “general store”, de “sports store” en het post office en het werd ons al snel duidelijk dat het visitor center met opzet in de verste uithoek van het “dorp” geplaatst was (ik plaats “dorp” tussen aanhalingstekens omdat het eigenlijk eerder een wirwar is van kronkelige wegen met hier en daar een gebouw, een parkeerplaats of een camping, met vooral veel bomen die voor totale desoriëntatie zorgen en aldus resulteren in één grote verkeerschaos van draaiende en kerende auto’s met bestuurders die een blik in hun ogen hebben die zoveel uitdrukt als “waar is de uitgang??”).
Het visitor center was niet veel soeps. Het was er vooral druk en iemand in mijn nabijheid had een slecht werkende sluitspier. Op zoek naar frisse lucht dwaalde ik wat rond en belandde uiteindelijk weer buiten in de hitte. Daarna hebben we zowat elke winkel afgelopen en vanalles gekocht (drank, middageten, beleg voor het middageten, een draagtas, postzegels) behalve de witte trui. Geen moment te vroeg bereikten we opnieuw de auto want ik voelde de drang om opnieuw de wildernis in te trekken en begon daarom lastig te doen.
Second objective: find trailhead. We waren van plan de “Mist trail” te bewandelen naar de top van een waterval. De naam kwam van de nevel die door de waterval geproduceerd werd en de naar verfrissing snakkende bezoeker een aangename verkoeling bezorgde. Maar we moesten dus de start van de wandeling zien terug te vinden, wat men in de VS gewoonlijk “trailhead” noemt. Op het kaartje lag het op het uiteinde van de wirwar van straatjes, maar in werkelijkheid is de helft van deze straatjes verboden toegang en is er ook een deel eenrichtingsverkeer. Details die ze vergeten te vermelden hebben op de parkplannetjes. Ik reed dus verkeerd, keerde om, reed terug, dacht dat ik op de juiste weg kwam, tot een verbodsbord de weg versperde en we met drie wagens tegelijk (ik was heus niet de enige sukkelaar) enkele zware verkeersovertredingen moesten begaan om terug te keren, waarbij ik een half geparkeerde bus voorbij moest die de weg versperde en ternauwernood een tegenligger kon ontwijken die plotseling vanachter die bus opdook. Zwetend en knarsetandend kwamen we ten slotte op een parkeerplaats terecht die volgens de kaart een kleine mars van de trailhead verwijderd was maar dichterbij rijden was totaal onmogelijk. Overal stonden waarschuwingsborden voor beren en aan de rand van de parkeerplaats waren berenbestendige kastjes opgesteld zodat langparkeerders hun kostbaarheden (lees: etenswaren) ergens in kwijt konden. Bij het verlaten van de parkeerplaats riep een man die zopas geparkeerd had ons toe of we enig idee hadden waar het trailhead zich bevond.

We liepen langs een met bomen omzoomde laan in de richting van het trailhead, turend tussen de bomen naar berenleven. Tevergeefs. We bereikten het trailhead waar tot onze teleurstelling véél volk vandaan kwam en ook véél volk naartoe liep. Ik had een wandeling in de ruige bossen in gedachten gehad. In werkelijkheid kregen we een steiloplopend asfaltpad voorgeschoteld dat bezaaid was met toeristen in hagelwitte sportschoenen en ditto opgetrokken kousen. Hier en daar waren ook teenslippers te bespeuren. De terugweg beloofde slecht nieuws te worden voor mijn knieën. Voorbij een brug over het woeste water werd het pad aantrekkelijker. Geen asfalt meer, steeds meer rotsen maar ook steeds steiler. Vanaf een bepaald punt was het eigenlijk een primitieve trap, uitgekapt in de rotsen en met heel hoge treden. Voor Evi’s knieën was dit te ver in de rode zone, dus zou ze achterblijven terwijl ik, met de top van de waterval in zicht, verder zou gaan. De trappen werden nog hoger maar mijn lange benen konden er niettemin twee tegelijk nemen. Ik draaide rond een bocht van waarachter een wind, verzadigd van nevel van de waterval, in mijn richting blies. De verfrissing was welgekomen maar maakte tegelijkertijd het pad nat en glibberig.
Na een goed kwartier was ik boven. Een kabbelend bergriviertje stroomde naar de rand van de granieten afgrond. De richel waarover het water naar de diepte stroomde was bijna perfect recht en het water was glad als een spiegel. Zo vredig deze overgang was, zo ruw was de manier waarop het zich naar beneden stortte. Met veel kabaal stortte het zich op de rotsen aan de voet van de waterval, daarbij de befaamde nevel producerend, een dicht gordijn dat zelfs hoger reikte dan de top van de waterval.
De afdaling langs de smalle trap was minder evident voor mijn grote voeten maar ik kwam zonder blauwe plekken opnieuw bij Evi. Samen begonnen we aan de lange, saaie afdaling langs het asfaltpad waarbij het droge geklapper van rubberen schoenzolen op het harde wegdek enkel overstemd werd door het gekwetter van twee Amerikaanse tienermeisjes die ons kruisten en honderduit vertelden over allerlei oppervlakkigheden, en door het gekreun van onze meniscussen. Het was 15u toen ik achter het stuur kroop en we koers zetten naar San Francisco. Jammergenoeg zonder bloemen in ons haar.

Seasick Steve begon voor de derde of vierde keer aan de eerste track van zijn album toen we de tolhuisjes van Bay Bridge bereikten, die het vasteland verbond met het schiereiland waarop San Francisco ligt (nee, de Golden Gate ligt nog wat verder). De rit was lang en saai gebleken, en iedereen reed rapper dan ik, hoewel ik mezelf al een snelheidsovertreding van 5mph had toegestaan. Gewillig betaalden we 4 dollar om vervolgens stapvoets de enorme brug op te rijden, mee met de eindeloze stroom verkeer, verdeeld over een 5-tal baanvakken.
Het vinden van ons hotel in San Francisco was een makkie. Ik hoefde maar één keer op het laatste moment van baanvak te veranderen, hopend dat ik daarbij niemand van de weg reed. We reden de parkeerplaats van het hotel in, stapten uit, en werden verwelkomd door – eerst – de koude zeelucht van 20°C, en daarna door de overduidelijk homoseksuele receptionist. Holebi’s in San Francisco. Er zijn toch nog zekerheden in het leven. Vooral in Amerika, waar ze wel van hun eigen clichés houden. De man was ergens in de dertig, had geblondeerd haar, opzijgekamd met een lijnrechte scheiding, een ring in de neus, enkele piercings in de oren, en een ring aan elke duim. Voor de rest zag hij er, met zijn strakke kaaklijn en harde blik, redelijk ernstig uit. Nieuwigheid: de portier zou onze auto parkeren. Ik wierp met een half oog een blik in de richting van de parkeergarage met zijn übersmalle parkeerplaatsen, en daarna met plezier de autosleutels in de richting van de portier die ze met de glimlach opving. Maar toen we ’s avonds wilden vertrekken naar een Baskisch restaurantje dat in de buurt lag en dat door Rough Guide aanbevolen werd, stond hij nog steeds geparkeerd in de parkeerplaats vlak voor de ingang, waar ik hem enkele uren eerder had achtergelaten.

Het restaurant bleek, nadat we erin geslaagd waren het te vinden, een voltreffer. De Spaans/Frans aandoende garçon bediende ons met veel humor en ik at er voortreffelijke mosselen in sherrysaus. De hele avond zagen we groepjes schaars geklede tienermeisjes voorbij het raam dartelen, giechelend en mekaar aanstotend bij elk jong manspersoon die ze aan de overkant van de straat in de mot kregen.
Toen we opnieuw aankwamen bij het hotel was mijn parkeerplaats ingenomen. Ik liet de auto dan maar ergens in het midden van de doorgang staan, in de buurt van waar de portier getoond had dat ik hem mocht zetten. Hij maakte lachend het vanggebaar met zijn handen en ik mikte de sleutels erin.

Advertenties

Roadtrip USA, part IX: everything is bigger

Bakersfield was een hellhole. Echt niks aan (voor zover onze beoordeling kon reiken want we waren er maar één nacht). We waren dus blij toen we de volgende dag weer naar het noorden konden vertrekken, want daar lag Yosemite National Park op ons te wachten, volgens velen het mooiste nationale park van allemaal. We reden een drietal uur door een landbouwlandschap met vooral veel fruitbomen. De weg en het landschap veranderden toen we de zuidrand van Yosemite bereikten: heuvels begonnen steeds meer bergen te worden, bedekt met uitgestrekte bossen, en daartussen slingerde de weg zich naar boven. Evi probeerde in het spoor te blijven van een Landrover die een sticker van Yosemite droeg en voor ons dienst deed als “haas” op het kronkelige parcours, maar de bestuurster sneed de talloze bochten keer op keer aan met een gezwindheid alsof ze de weg dagelijks vijf keer aflegde. Het was met klamme handjes dat ze de oprit van een winkel opdraaide om water te kopen.

Dat we Yosemite ongebruikelijk via het zuiden binnenreden gaf ons de mogelijkheid om een uitstapje te maken naar Mariposa Grove, in een zuidoostelijke hoek van het park. Een “grove” is zogezegd een plek waar “redwoods” groeien, gigantisch bomen met roodachtige stammen waarvan de giant sequoia de meest bekende is. “Gigantisch” is zelfs een understatement, zo bleek toen we de parkeerplaats opreden die zich als een lus om een enorme boom krulde waarvan de stam een omtrek had van minstens 15m. Wikipedia geeft enkele interessante weetjes over deze bomen: de Sequoiadendron Giganteum is samen met de Sequoia Sempervirens (alias Coast Redwood) de grootste boomsoort op aarde. Je vindt ze uitsluitend langs de westkust van de VS, en in het geval van de Giant Sequoia: op de westflanken van de Sierra Nevada. De hoogste boom meet 115m (een Coast Redwood). De hoogste Giant Sequoia is 95m hoog. Om verder te gaan over Giant Sequoia’s: ze worden gemiddeld 50 tot 85 meter hoog en ze zijn ’s werelds grootste bomen gemeten naar volume hout. Een Sequoia weegt zoveel als 16 blauwe vinvissen en is daarmee één van de grootste levende organismen ter wereld. De oudste sequoia is 3500 jaar oud (!!!!). De bomen zijn resistent tegen vuur, maar in het park zagen we wel veel bomen die erdoor aangetast waren. Een deel van hun stam was zwartgeblakerd, maar de boom is zijn geheel te groot en het hout te massief om door het vuur verteerd te kunnen worden. De zwakheid van de sequoia? De wortels, die niet zo diep in de grond gaan, maar zich eerder uitspreiden zoals naaldbomen dat meestal doen. Vlakbij de parkeerplaats zagen we een boom die naar verluid 200 jaar geleden was omgevallen. Het ding lag er nog zo goed als intact bij, de wortels hoog in de lucht rijzend. De hoogste boom van Yosemite meet 75m. Wij hadden hier ter plekke geen weet van dus hielden we een wandelingetje tot de zogenaamde “Grizzly Giant“, de tweede boom van het park, en ‘slechts’ 64m hoog.

Na de verstikkende hitte van Death Valley was Yosemite opvallend “fris” in de zin dat de lucht er aangenaam naar naaldwoud rook en het er een aangenamere 35°C was. Nog steeds warm genoeg voor een picknick, dus kochten we één en ander in een winkeltje om daarmee aan de kant van de weg, naast het water op een bank te gaan zitten. Een groot gezin braadde vlees op de barbecue en ik overtrad met plezier de wet door in het openbaar een blik bier open te trekken. In alle opzichten de zaligheid zelve, maar eigenlijk brandde ik van verlangen om gewoon verder te rijden en verderop te voet de wildernis in te trekken.

Vlak voor de weg doodliep parkeerden we de auto aan het trailhead van de wandeling naar Sentinel Dome, een granieten berg met afgeronde top die uitzicht bood op Yosemite Valley. De tocht was licht, de berglucht verkwikkend en het uitzicht van de top grandioos. We klommen recht naar de top van de granieten koepel en aan onze voeten ontvouwde zich een vallei die bezaaid was met dichte bossen en waar sprookjesachtige watervallen op uitkwamen. De randen werden gevormd door steile rotskliffen.We keerden terug om water in te slaan en vertrokken prompt op een tweede tocht naar een tweede uitzichtpunt dat afgebakend werd door een afgrond die je naar adem deed happen. Enkele tienerjongens kropen op hun buik tot bij de rand om in de diepte te kunnen kijken. Aan de andere kant van de vallei stak “El Capitan”, de hoogste rotswand van Noord-Amerika, 900 meter boven de groene valleibodem uit.

Op de terugweg vervoegden we de drommen toeristen die aan de ingang van Yosemite Valley het meest gefotografeerde beeld van het Nationale Park nog maar eens op de gevoelige sensor wilden vastleggen. Het kon me niet veel schelen dat ik een kuddedier was geworden want het zicht dat zich bij het uitkomen van de tunnel ontvouwde maakte mijn ogen waterig. We raakten in gesprek met een gezette vijftiger die dezelfde camera had als ik en die oprecht geïnteresseerd was in onze reis. Hij vertelde over zijn legerdienst in San Francisco waar hij elke morgen wakker werd met het beeld van de Golden Gate Bridge in de rollende mist. “Aaah San Francisco….  that’s….quite a city.” Hij lachte even alsof hij een verre herinnering bovenhaalde. “…quite a city…” We schudden handen en haastten ons naar de auto om de toeristentrein voor te zijn. Mariposa, het dorp waar ons motel lag, betekende nog ruim een uur on the road.

Een aardig dorpje, Mariposa. En een aardig motelletje, zo op het eerste zicht. Langs de hoofdweg zagen we tal van restaurants en bars, en we verheugden ons op een avond waarop we niet zouden moeten toegeven aan een Subway, Pizza Hut of Mc Donald’s. Nee, dit was een écht dorp. Rough Guide stuurde ons naar een modern restaurant met een uitgebreide wijnkaart, heerlijk eten en een goedlachse uitbater die ons met enige trots vertelde dat de lokale Cabernet Sauvignon die we besteld hadden geproduceerd was door een persoonlijke vriend van hem.
Met voldane glimlach en een klein stukje in de hielen van onze voeten keerden we naar het motel terug. Het lachen verging ons wel toen we op de muur een groot keverachtig wezen ontdekten dat veel weg had van een grote kakkerlak, maar dan zonder voelsprieten en mét vleugels. Ik zette er snel mijn schoen tegen waarna het schepsel in platte toestand in de hoek op de grond viel. Ik vertikte het om het kadaver (want zo kun je het het beste omschrijven) op te ruimen. Na een grondige inspectie van de kamer op ander levend wezen kroop ik aarzelend tussen de dekens en droomde ik met veel tussenpauzes van allerlei beestjes. Wat ik ondertussen niet kon zien, was dat een dichte kolonne mieren de kamer binnendrong via een kier in het raam om te beginnen met de ontleding van het kadaver dat in de hoek lag.