Don’t mention the Romans!

(vervolg reisverslag)

Wereldwonder

Op de website van de zeven nieuwe wereldwonderen begint de voorstelling van Petra als volgt:

“On the edge of the Arabian Desert, Petra was the glittering capital of the Nabataean empire of King Aretas IV (9 B.C. to 40 A.D.).”

In de National Geographic Traveller Special waarin 50 droombestemmingen worden beschreven, begint het stuk over Petra met een citaat van Edward Lear:

“Petra moet een wonder blijven dat je alleen kunt begrijpen door de plek zelf te bezoeken”.

Aan u om uit te maken welke openingszin de meeste aanleiding geeft om verder te lezen.
Ik zal ook een poging doen om met woorden het fenomeen Petra te omvatten. Ik weet nu al dat het niet zal lukken.

Als ik over Petra praat dan krijg ik niet bepaald blikken van herkenning. Ofwel heeft men er nog nooit over gehoord, ofwel wordt het geassocieerd met de Schatkamer, het bekendste gebouw (met dank aan Indiana Jones). In werkelijkheid is de Schatkamer enkel een soort appetizer, een teaser die je uitnodigt verder te gaan kijken.

De Siq

Zoals de website van de 7 wereldwonderen beschrijft, was Petra inderdaad 2000 jaar geleden de hoofdstad van het Nabateese koninkrijk. Petra is niet gebouwd, het is uitgehakt. Uitgehakt in de rotsen en goed verborgen in het bergland aan de rand van de woestijn. De stad kon enkel bereikt worden door de Siq, een 800m lange, smalle kloof tussen de rotsen, uitgesleten en gepolijst door het wassende water. En als ik ‘smal’ zeg, dan bedoel ik dat u er met de wagen in geen geval door kunt.

Aan de ingang van de kloof begon Nasser aan zijn uitleg maar hij bleef voortdurend halverwege zijn zinnen steken. Als hij niet bleef haperen, dan vergat hij dingen te zeggen of herhaalde hij zaken die hij al 5 keer had gezegd. Iemand had duidelijk last van een kater.
Ik had niet het geduld om te blijven luisteren en toen we de Siq inliepen was ík degene die voortdurend bleef haperen, omdat de mogelijkheden voor iemand met een spiegelreflex simpelweg overweldigend waren. De relatieve duisternis van de Siq, in combinatie met de staalblauwe hemel en de oranje rotsen die baadden in het zonlicht, maakte dat het vinden van de correcte belichtingsinstellingen een huzarenstukje zou worden. Als ik na het nemen van een foto vijf meter verder liep, merkte ik dat mijn instellingen alweer achterhaald waren. Op deze manier beloofde de Siq zeer lang te gaan worden. Gelukkig had ik (R.) gezelschap van Greg (L.) die zich in dezelfde hypnotiserende extase bevond.

De leerkracht aardrijkskunde in mij leefde op bij het zien van dit wonder van de geomorfologie: het lijnenspel in de rotsen, de lagen, de kleuren, de vormen. Het was werkelijk schitterend. De bodem van de Siq was vlak en hier en daar geplaveid met grote stenen: een overblijfsel van de Romeinse passage in Petra.

Indiana Jones

De Siq kronkelt door de rotsen, die tientallen meters boven je uittorenen en na 800 meter zie je plots in een kier tussen de rotsen de Schatkamer. Een warm geelrood licht zet het bouwwerk in lichterlaaie en als je tenslotte uit de Siq het voorplein op stapt…… dan lijken het Colloseum in Rome, de Eiffeltoren en het Vrijheidsbeeld futiel. Kinderspel. Mathematisch en steriel. Het resultaat van een techniek die de mens op allerlei vlakken toepast, en dus eigenlijk niet zó bijzonder. Maar de Schatkamer daarentegen is uitgehakt. Als een standbeeld, maar dan uit één stuk en reusachtig. Eén fout, één uitschietende beitel, en het werk is onherstelbaar beschadigd. Je hebt slechts één kans om het goed te doen.
In werkelijkheid is het gebouw geen schatkamer maar een graftombe voor één van de Nabatese koningen. De urnen op de indrukwekkende gevel vertoonden kogelgaten, het resultaat van verwoede pogingen van ontdekkingsreizigers die dachten dat de Schatkamer werkelijk een schat voor de buitenwereld verborgen hield. Op dat thema werd ook gealludeerd in ‘Indiana Jones and the Last Crusade’, waarin gesuggereerd werd dat de Schatkamer van Petra de geheime locatie was van de Heilige Graal.

In werkelijkheid ziet de Schatkamer er vanbinnen zo uit.

We zaten op het plein voor de Schatkamer aan een tafeltje. Nasser dronk thee om zijn kater te verjagen (wat hem wonderwel lukte, want een uur later zou hij weer zijn oude zelf zijn) en vertelde in horten en stoten wat hij wist over de Schatkamer. De aardrijkskundeleerkracht in mij schoof even op om plaats te maken voor mijn inwendige geschiedenisleerkracht, die er gezellig kwam bijzitten om te genieten van het schouwspel.

Als je vanaf de Schatkamer verder door de ravijn loopt dan vergaap je je aan de ene façade naast de andere. Het zijn allen graftomben. Nasser nam ons mee over een “alternatieve weg” door de rotsen boven de ravijn. Na wat klauterwerk kwamen we op een uitzichtsplatform. Onder ons liepen talloze groepen toeristen in de dezelfde richting. ’s Avonds zouden ze druppelgewijs terugkeren, maar om Petra helemaal te ontdekken moet je eigenlijk een paar dagen uittrekken.

Naar het Klooster

In de namiddag liet Nasser ons vrij en gingen we op weg naar de Monastry, het grootste bouwwerk in de stad en gelegen op het einde van een 1 uur lang durende klim door een smalle kloof die door de Nabateeërs omgevormd is tot één lange trap, uitgehakt in het zandsteen. Onze lunch wilden we niet verorberen tussen de vele toeristen die al dan niet per ezel naar boven gingen, dus namen we onze toevlucht tot een soort natuurlijk balkon in de rotsen, dat we toevallig ontdekt hadden. Op een gegeven moment merkten we namelijk dat er een zijtrapje was uitgehakt dat recht omhoog leidde. Na een korte klim bevonden we ons zo’n 20 meter boven het pad en was het enige wat we hoorden het geschreeuw van twee lokale kinderen die aan de overkant van de kloof tussen de rotsen speelden.

De klimtijd tot aan de Monastry was zogezegd een uur maar met onze jonge benen stonden we er al na amper 40 minuten. De monumentale gevel kwam als een verrassing. Ten eerste had ik niet verwacht dat we al zo snel boven zouden zijn, en ten tweede had het er op de foto’s uit de reisgidsen veel kleiner uitgezien. Het is pas als je het in perspectief bekijkt, dat je je realiseert hoe groot het is. Ter illustratie: voor de drempel van de ingang lag een steen, zodat je een opstapje had om erop te klimmen. Op de drempel. That’s right: Je moest op de drempel klimmen. Die ‘drempel’ was anderhalve meter hoog. Het voelde alsof we voor het huis van de reus stonden.

Rowan had gehoord dat we beter gewoon konden verderlopen naar het uitzichtspunt dat een eind verder op de bergtop lag. In werkelijkheid was er geen sprake van “het uitzichtspunt” en “de bergtop”. Er was wel “één van de drie uitzichtspunten” en “één van de drie bergtoppen”. Van de drie mogelijkheden beklommen we er twee. De regel dat het kouder wordt naarmate je hoger klimt was blijkbaar hier niet van toepassing want toen ik en Greg op de top een fotoshoot van het landschap en van elkaar aan het houden waren, was het alsof een gigantische haardroger mijn hoed van mijn hoofd probeerde te blazen. Het uitzicht was overigens best te pruimen. Voor ons ontvouwde zich ongeveer het begin (of het einde, het is maar hoe je het bekijkt) van de ‘Grote Riftvallei’ of de ‘Grote Afrikaanse Slenk’, de grens tussen de Arabische en Afrikaanse aardplaat. Hij begint hier, loopt daarna door de Wadi Rum woestijn waar hij een oogverblindend landschap heeft gecreëerd, en daarna door de Rode Zee waar hij ook voor verantwoordelijk is. Daarna verlaat de Riftvallei de grens tussen de platen en gaat hij dwars door Oost-Afrika waar hij symptomatisch is voor een breuk in de Afrikaanse plaat waardoor Oost-Afrika langzaam maar zeker van de rest van het continent afgesplitst wordt. Hier heeft de Grote Riftvallei een resem meren en vulkanen doen ontstaan waarvan het Victoriameer en de Kilimanjaro de bekendste zijn. Voor onze ogen waren rotsen en bergen allemaal noord-zuid georiënteerd, in het verlengde van de Grote Riftvallei. De inwendige aardrijkskundeleerkracht juichte en werd daarin bijgetreden door de inwendige geschiedenisleerkracht toen ik me omdraaide en neerkeek op de Monastry, die vanuit vogelperspectief nog groter leek.

One dinar sir!

Toen we de lange trap door de kloof naar beneden liepen kreeg ik een klein meisje in de mot dat op het pad zat. Op haar schoot hield ze een baby-geitje. De foto lag zo voor de hand dat ik hem niet kon laten liggen. Ik greep snel naar mijn camera die al de hele dag kruislings over mijn schouder hing, ik richtte en ik drukte. Net op dat moment stak het meisje een vinger op: “One dinar sir!”
Ik vond het belachelijk dat ik voor een foto zou betalen die ik zelf genomen had. En 1 JD is in een land als Jordanië betrekkelijk veel. Ik hief beide handen op in een soort excuus terwijl ik onverstoord wilde doorlopen. Maar het kind liet het er niet bij. Ze kwam achter me aan en greep mijn pink.
“One dinar sir!”
-“One dinar for the goat? That’s cheap”
-“One dinar for picture!”
-“That’s not fair, it’s my own picture.”
Intussen hield ze niet op met aan mijn pink te trekken terwijl ik bleef doorlopen. Uiteindelijk gaf ze zich gewonnen en keerde ze terug naar haar geit tot de volgende toerist zou langskomen. Achteraf kreeg ik spijt dat ik het kind niet wat kleingeld had gegeven. Het hoefde geen 1 JD te zijn, maar ik had wel nog 500 fils (0,5 JD) in mijn portefeuille zitten die ik ook had kunnen geven. Zeker toen bleek dat de foto best wel geslaagd was.

I hate the Romans

Tot op vandaag wordt Petra steeds groter. Hier en daar zie je vlaggen wapperen van universiteiten die er opgravingen verrichten. Langs de Romeinse weg die ons terugbracht naar de kloof die tot de Schatkamer en de ingang van de Siq leidde, verrezen resten van tempels en paleizen.
“That and that and that wasn’t here five years ago”, had Nasser mij verteld toen we eerder op de dag vanop een hoogte over de Romeinse weg hadden uitgekeken, wijzend naar bouwwerken die links en rechts van de poort stonden.
“Is that a Roman gate?”, had Greg hem gevraagd, en dat had bij Nasser een vurige preek doen opwellen over de verderfelijke Romeinse praktijk van steden te veroveren om ze vervolgens ‘Romeins’ te noemen.
“Nothing in Petra is Roman. Nothing! Don’t ever say or mention that. It is a big misunderstanding. I don’t like the Romans. I hate them! They destroyed cultures and took credit for things they’d never done!”
Een minuut eerder had ik staan luistervinken bij een Franstalige gids die vertelde over de Romeinse weg en de Romeinse plaveisels in de Siq.

“But the road is Roman, isn’t it?”, zei ik om Nasser daarmee te confronteren. Ik ving bot want hij reageerde er niet op. Ik heb het nog minstens 3 keer herhaald, maar hij wilde er kennelijk niks over horen. De verachting voor de Romeinen zat behoorlijk diep.

Grote Dorst

De omvang van Petra en het aandeel dat de Romeinen daarin hadden waren al lang geen item meer in mijn gedachten toen ik over de Romeinse weg terugsjokte richting Schatkamer en Siq. We hadden het laatste restje warm water dat in mijn rugzak zat al opgesoupeerd, en ik was druk bezig een ferme dorst te ontwikkelen terwijl ik mij met zinderende voeten onder een genadeloze namiddagzon voorbewoog. Links en rechts van de weg waren terrasjes waar grote koelkasten volgepakt stonden met Pepsi en Fanta. Ik vervloekte de woekerprijzen en ik vervloekte ze opnieuw en opnieuw. We waren van plan in Wadi Musa nog een pak water te kopen alvorens verder te rijden naar Wadi Rum, maar eerlijkgezegd was ik het water meer dan beu. Vergelijk het met jezelf: als je voelt dat je moet niezen, dan wil je niezen. Als dat gevoel plots verdwijnt nog voor je deftig hebt kunnen niezen, dan ben je teleurgesteld, ookal is het eindresultaat hetzelfde. Idem met dorst: als je dorst hebt wil je een ijskoude pint drinken. Met lauw water zal je dorst ook wel gestild worden, maar je wil natuurlijk geen lauw water! Je wil van het moment genieten en je dorst optimaal gebruiken om tot dat ontzettend deugddoende gevoel te komen van ijskoud bier dat in je uitgedroogde keel klatert. Die sensatie zou ik weer niet beleven want een uur later – we hadden Petra intussen verlaten – stopte de auto voor een winkel, waar we zes flessen water kochten.

T.E. Lawrence-land

Het was ongeveer 18u, en we hadden ongeveer een half uur door de Wadi-Rumwoestijn gereden, toen de auto stopte voor het ‘Zawaideh Desert Camp’. In dat half uur had ik naar buiten zitten staren en mij in Monument Valley gewaand, met deze prachtige muziek in mijn iPod. Het rode zand, de rode rotsen, de desolaatheid, het stof. Het zag eruit als-, en het was ook, een filmdecor. We zouden de volgende twee nachten in dit tentenkamp verblijven en de woestijn verkennen.

Het Zawaideh Desert Camp was als een kleine camping. Er was een sanitair blok en een bescheiden bar. Er stonden lange tenten die ingedeeld waren in compartimenten. Elk compartiment telde twee ijzeren bedden die voorzien waren van lakens en muskietennetten. Er was een kampvuur met daarrond een rechthoek van lage, maar zachte zitbanken. Het kamp lag in de beschutting van een rotswand, en werd zo beschermd tegen zandstormen. In de talrijke gaten en nissen die de rotswand rijk was, had men lichtjes geïnstalleerd wat tot de sfeer bijdroeg.

Die avond vielen we het riante buffet aan, waarvan een deel (vraag me niet welk) de hele dag in een olievat had zitten garen, begraven in het hete woestijnzand. Het was best een fijne avond. Ik vulde mijn bord tot de rand en at het leeg aan het kampvuur, waar het niettemin te donker was om te zien wat ik aan het eten was. We dronken onze tweede fles hard core Mount-Nebowijn leeg, maakten een avondwandeling in het licht van de maan (waardoor de befaamde sterrenhemel achter een zwart gordijn bleef), ik probeerde mij te douchen met behulp van een waterslang waar enkel een klein straaltje koud water uit kwam, en ik slaagde er daadwerkelijk in om direct in slaap te vallen in het veel te korte bed en tussen de vermoedelijk ongewassen lakens. Faut le faire!
Mijn wekker stond ingesteld op 5u.

– Wordt vervolgd –

Into the wild

Green Jordan

De dag begon zoals de vorige geëindigd was: met een glas zoete muntthee in de schommelstoel op het dak. Ik wist niet zeker of ik die nacht wel geslapen had. Mijn herinnering werd volledig ingenomen door het beeld van de achterkant van mijn oogleden en ik wist niet beter of ik had de hele nacht met mijn ogen dicht gelegen zonder echt te slapen. Om 5u was Greg zo geruisloos mogelijk opgestaan, had hij zijn camera genomen en naar buiten gegaan om de zonsopgang vast te leggen. Ik had even overwogen om hem achterna te gaan maar had in plaats daarvan mijn portefeuille genomen om mijn geld te tellen, en me daarna geïnstalleerd met “De weg naar Mekka” van Jan Leyers. Toen Greg tegen 7u terug was zijn we allebei naar het dak gegaan. Op de drempel van onze kamerdeur lagen twee dode kakkerlakken: één platgetrapte, en één met zijn poten omhoog. Net zoals in het restaurant was ik ook nu blij met de timing van de ontdekking.

Op het dak kwam één van de werkkrachten van het hotel met een glas thee in de hand op ons toegelopen en  hij informeerde of we eigenlijk geen last hadden van onze alcoholverwerkende gids. We antwoordden dat het de eerste keer was dat we hem dronken hadden gezien en dat het voor de rest eigenlijk wel een goeie gids was. De man leek niet bepaald overtuigd. Hij begon te vertellen over een incident in het hotel een tijdje terug waarbij de gids van een Belgische groep teveel had gedronken en daarna een meisje uit een Nederlandse groep had lastig gevallen. De reisorganisatie waarvoor hij werkte was permanent verbannen uit het hotel. We moesten allebei even slikken. Blijkbaar had Nasser een niet al te beste indruk achter gelaten. Terwijl we thee kregen kwam een wat dikkere man, die aan de wallen onder zijn ogen te zien pas was opgestaan, tegenover ons zitten. Hij vroeg naar onze impressies van zijn land. Uiteraard zongen we lof over Jordanië, met zijn prachtige natuur, volstrekte rust en mooie vergezichten.
“We don’t have that in the country where I live”, zei Greg.
-“Where is that?”
-“England”.
-“Aaah, England. I have seen pictures of England. Very green!”
-“Yes because of the rain.”
-“Jordan is dry. Too dry.”
Hij gebaarde met zijn hand over de vallei waar we over uitkeken.
“Not a lot of green here. They should come with airplanes and put water on the land, every day for 4 weeks, and it would be green. Then we could use the land.”
-“Right…right….”, zei Greg vertwijfeld bij het aanhoren van het megalomane plan van de Jordaniër.
Ik als notoir hater van neerslag probeerde het enthousiasme wat te temperen.
“In my country, there is also a lot of rain. And it is also very green. But we can’t see the beauty of the nature because the sky is grey all the time and we never see any sun. Without the sun, there are no colours and everything is dark and depressing. In Jordan, the sun shines every day, so every day you see the beauty of nature.”
De man knikte instemmend.
“What’s your country”.
-“Belgium”.
-“Aaaah, Belgium.”  En opnieuw knikte hij instemmend, alsof hij mijn afkomst goedkeurde. “Welcome to Jordan”.

Dodentocht

De twee vrouwen oversliepen zich en toen ze zich naar het ontbijt spoedden stonden we al klaar op het binnenpleintje om te vertrekken op de wandeling. Hier en daar had ik gelezen dat stevige wandelschoenen aangewezen waren, en ik had bijgevolg mijn bergschoenen aangetrokken. Voor de volledigheid was ik ook in lange broek, gewoon omdat ik bergschoenen onder een korte broek gewoonlijk voorbehoud voor bergwandelingen, waar ik nauwelijks volk tegenkom en waar geen vrome moslimmannen mij nastaren.

Tijdens de wandeling, en nu moet het er even uit, heb ik mij ontzettend geërgerd aan Rowan. Ik heb niet het flauwste idee waarom ze die morgen voor sandalen koos maar nog voor we een stap gezet hadden kon ik al zeggen dat het voor haar de flater van het jaar zou worden.
De hoteluitbater bleek ook de gids te zijn die ons door het reservaat zou loodsen. Ik schat dat zijn leeftijd met een 6 begon, hij sprak amper Engels maar bleek van het type ‘actieve 60 plusser’ te zijn. We gingen van start over een stijl, rotsachtig bergpad dat ons recht de vallei in voerde. Als ik tot dan toe had gevreesd dat het meezeulen van bergschoenen in mijn bagage een nutteloze inspanning zou worden, dan was die vrees nu volledig verdwenen. Ik kon ze wel kussen.
Rowan raakte al spoedig achterop omdat haar voeten voortdurend elk een eigen weg uitrolden over de losse stenen. Na een half uur deed ze haar beklag bij de gids. Die stamelde dat het pad straks beter zou worden en daar scheen ze voorlopig vrede mee te nemen. Haar voeten hadden intussen dezelfde kleur aangenomen als het pad.
We kwamen uit op een brede onverharde weg die zich in dalende lijn door de vallei slingerde. Het was redelijk steil, en dat was ook te zien aan de bezwete gezichten van enkele toeristen die uit de tegenovergestelde richting kwamen. We volgden de weg een eindje, af en toe halt houdend om over de rotswanden uit te kijken op zoek naar wilde dieren en genietend van de loepzuivere stilte. Maar toen we opnieuw voor een smal pad kozen dat langs de helling liep, sloeg Rowan permanent aan het zeuren.
“Can’t we keep on following that nice road into the valley?” “You said it would be easier by now.” “This is not what I had in mind when I imagined a walk”.
En zo ging ze maar door. Ik liep zo ver mogelijk vooraan zodat ik haar slechts in de verte hoorde klagen in dat ééntonige Londense accent. Ik dacht terug aan enkele bergtochten die ik in mijn leven had gedaan waarin een brede onverharde weg met veel losse stenen, de hoofdrol speelde. Ik herinnerde me vooral de intense saaiheid, de pijn aan mijn knieën en mijn voeten, en het met opengesperde mond naar boven staren op de stukken bergop. Als het van Rowan afhing zouden we die weg helemaal naar beneden volgen tot we onze voeten niet meer zouden voelen en bijna door onze knieën zouden zakken, en daarna op het heetst van de middag langs dezelfde weg terugkeren. Bergop.
Bij de volgende pauze, ergens in een koel bosje aan een waterbron, waar we onze gezichten verfristen, liep Rowan naar de gids en stelde voor dat ze op haar eentje zou terugkeren naar de weg, en zo zou terugkeren naar het dorp. Hij kon weinig enthousiasme voor haar plan opbrengen en het verwonderde mij dat ze dat als leerkracht niet inzag. Wat voor gids zou iemand alleen laten terugkeren in een onbekend gebied?
Daarna ging het enkel nog bergop, wat in principe de terugkeer inluidde. De weg was stijl en de zon scheen ongenadig. Ik was blij dat ik eerst naar Zwitserland was geweest en daarna naar Jordanië, en niet omgekeerd.

Het einde van de klim scheen niet in zicht te komen toen het einde van de fles water al lang bereikt was. We stopten even onder een boom en zagen een man in legeruniform ons van boven tegemoet komen. Van een pad was nog nauwelijks sprake en Rowan was aan het fantaseren over een complot tegen ons omdat Nasser ervoor gezorgd had dat we geen ingang voor het natuurpark moesten betalen.
“He’s taking revenge on us just because we didn’t pay the 7 dinars”.
Niemand van ons ging mee in die theorie, en niemand ervoer het pad op dezelfde manier als zij (…waarschijnlijk omdat wij wél schoenen aanhadden).
De man in uniform hield een ketel thee in zijn hand.
“Bedouin tea?”
Niemand behalve ik leek happig om op dat moment thee te drinken behalve ik. De woorden ‘drank’ en ‘dorst’ gingen in een lichtkrant door mijn hoofd. We klommen een eindje hoger tot bij de rotsen voor ik een beker thee kreeg. Het was een vuil geval met een overdaad aan zand dus aarzelde ik aanvankelijk alvorens de thee naar binnen te gieten.
Plotseling verscheen onze gids met een stok waarop een menselijke schedel prijkte, als een soort ‘surprise’.
“Old bedouin burial ground”, glunderde de man in uniform. Ik maakte snel een foto van de gids met de schedel, een beeld dat op zijn minst compromitterend kon worden genoemd in de ogen van iemand die de context niet kent.
Later zou ik van Rowan horen dat de man in legeroutfit haar de rekening van mijn thee kwam presenteren.
“I can’t believe he wanted to charge me for your tea!”
-“I can’t believe he actually wanted to charge for that!”, zei ik.

De terugweg tot aan het dorp ging door ‘the garden’: een dicht struikgewas waardoor onafgebroken het geluid van stromend water klonk en waarin iedere plant wel een eetbare vrucht droeg. De gids stopte verschillende keren om ons achtereenvolgens een tros druiven, braambessen en vijgen toe te steken.
Wat minder in dank werd afgenomen waren de doornstruiken die weelderig over het pad krulden. Schrammen waren ieders deel, behalve het mijne. Na mijn schoenen kon ik nu wel mijn lange broek kussen. Rowan was niet in de stemming om de pracht van de plaatselijke flora te bewonderen want ze was ziedend op de gids. Nadat ik haar voorbij een moeilijk stuk had geholpen door zoveel mogelijk doornstruiken opzij te drukken met mijn voet, hoorde ik haar tegen de arme man van leer trekken. Ik liep snel wat verder naar Greg en Griet maar haar stem bleef hoorbaar.
“I’m very angry with you!!”
-“I’m sorry.”
-“I don’t care about your sorry…”

We lachten groen en prezen ons gelukkig dat onze walk in the woods bijna achter de rug was.

Ik kwam als eerste terug aan het hotel waar Nasser, de chauffeur en nog wat anderen voor de ingang druiven zaten te eten. Ik kreeg terstond een tros in de handen geduwd.
“How was it?”, vroeg hij monter. Van een kater leek geen sprake.
-“For me very good. But people with sandals will say otherwise.”

Hello!

Onze chauffeur stond zichtbaar te trappelen om verder te rijden, en wij met hem, dus sloegen we het middagmaal in het hotel af om onze reis verder te zetten. De hotelcrew wuifde ons uit terwijl het busje zich door de smalle straatjes wrong. Volgende halte: Petra.

We reden door verschillende kleine dorpjes waar schijnbaar enkel 10-jarige kinderen woonden. Zonder uitzondering zwaaiden ze ons lachend toe terwijl ze “helloooo!” riepen. Jommekes avontuur in “Kinderen baas” zou hier perfect mogelijk zijn geweest.
We stopten in een snackbar om te eten en hoewel ik niet overdreven hongerig was verorberde ik mijn ‘chicken shwarma’ alsof ik in dagen niet gegeten had.

Het was een ontspannen namiddag die grotendeels bestond uit autorijden en genieten van het vooruitzicht van een normaal bed en een douche. Ik realiseerde me plots dat ik zo ver ik kon kijken niks anders zag dan een zandvlakte en ik besefte dat ik me voor het eerst in mijn leven in een echte woestijn bevond. Hier en daar zag je een tent, of een eenzame dromedaris staan, met op de achtergrond een kleine wervelwind die plaatselijk veel stof deed opwaaien. Rechts voor ons, in de heuvels, lag Wadi Musa, het dorp dat de toegangspoort vormt naar de historische site van Petra.

One dinar. One!

Wadi Musa deed me denken aan een skioord. Overal waren hotels en restaurants en het vertoonde tekenen van relatieve rijkdom, vooral vergeleken met de dorpjes waar we eerder die middag doorgereden waren. De benoeming van Petra tot één van de nieuwe wereldwonderen zal de inwoners geen windeieren gelegd hebben. We stopten voor een gebouw waarin zich een mythische bron zou bevinden.
“Here is one of the places where Moses hit the rocks and water came out”, zei Nasser. We stonden op de rand van wat ik het best kan beschrijven als een klein zwembad, gevuld met klaarhelder water dat vanuit een rotsachtige tunnel gestroomd kwam.
“It is said to have healing power!”
Greg, die farmaceutische wetenschappen gestudeerd had, nam de proef op de som en dronk enkele slokken water uit zijn hand. Die beker liet ik liever aan me voorbijgaan. Het water uit de kraan was ook zogezegd te drinken en ik wilde mijn darmen in hun oorspronkelijke staat behouden.
Naast de bron was een souvenirwinkel waar zandfiguren in flesjes verkocht werden. Net toen we onze rug wilden draaien om terug naar de wagen te lopen verscheen een jonge verkoper (hij was een jaar of 11). In zijn handen hield hij een Palestijnse keffiyeh (in zwart-wit), die hij mij terstond om het hoofd wilde leggen.
“No thank you!”, zei ik lachend terwijl ik hem ontweek, en ik maakte me zonder omkijken uit de voeten.

Het hotel was degelijk. We kregen er vruchtensap als welkomstdrink en ik was blij nog eens iets anders te kunnen drinken dan water om de dorst te verdrijven. De douche in onze kamer was er één naar mijn hart: hoe je ook aan de kraan draaide, het water bleef stromen. Het leek een uitstekend excuus om er extreem lang onder te blijven staan. “Ik moest wel zo lang douchen, anders zou het waterverspilling zijn”.
Jammergenoeg douchte Griet voor mij en kreeg ze als eerste met het ‘probleem’ te maken. Ik werd te hulp geroepen en kon het water dan toch stoppen door aan de douchekop te draaien.

We hadden 4u voor we met z’n allen zouden gaan eten dus gingen Griet en ik, na gedoucht en gerust te hebben, op verkenning in Wadi Musa. We zochten een bakkerij om sandwiches in te slaan voor de volgende dag. Gewapend met een plannetje uit de Lonely Planet, waar de bakkerij in kwestie in vermeld werd, trokken we de straat op. Maar wat begon als een gecontroleerde oefening in oriëntatie, mondde al snel uit in natte-vingerwerk waarbij we alleen zeker waren van de richting van het dorpscentrum. Onderweg werd ons om de haverklap “hello!” toegeschreeuwd door spelende kinderen. Ook hier waren er geen volwassenen te bekennen. We zagen een jongen van pakweg 11 te paard onze richting uitkomen. Het was de jongen van de souvenirwinkel. Ik zag de bui al hangen.
“You want to ride the horse?”
-“No”
-“Where are you going?”
-“The shop!”
-“Common, jump up, I’ll take you!”
We schoten in de lach.
“With three people on one horse? Are you insane?”
-“Common, it’s no problem!”
Hij was duidelijk getraind in omgang met toeristen. Om ze te overtuigen, blijf zo lang mogelijk doorzeuren.
Wij pasten eveneens onze beproefde tactiek toe: negeren. We bogen ons over het plannetje en deden of we controleerden of we nog steeds op de juiste weg waren. Uiteindelijk joeg hij zijn paard voorwaarts en het nerveuze dier zette een galop in.

De weg bracht ons gelukkig recht naar het centrum. Daar waren geen kinderen meer te bekennen, enkel starende mannen. Bij elke winkel, elke bar en elk restaurant stond wel een kerel voor de deur die ons binnen probeerde te lokken.
“Where from?”
-“Hawai”
-“Welcome. Come take a look inside.”
-“Talk to the hand.”

We vonden onze bakkerij probleemloos. Een rek tegen de muur lag vol plastieken zakken, gevuld met sandwiches. Alleen waren de zakken niet doorzichtig en stond er nergens te lezen hoeveel stuks zo’n zak bevatte. Ik riep de hulp in van de man achter de kassa.
“How many are in the bag?”
-“One dinar.”
-“No, I mean how many are inside?”
-“…one dinar.”
-“Yes, I know. But I want to know – hoooow – many – sandwiches – are – in – the – bag.” En ik ging met mijn handen langs de zak op en neer om het geheel van de sandwiches op één of andere manier te benadrukken. De man leek in de war.
“One dinar.”
We werden radeloos. Intussen moest die man toch al doorhebben dat ‘one dinar’ niet het antwoord op onze vraag is??
-“Do you understand our question?”
-“One dinar”
Een tijd later, toen ik aanstalten maakte om de zak te openen en de inhoud zelf te gaan tellen, kreeg de kassaman de ingeving er een personeelslid dat wél Engels verstond erbij te roepen.
“12”, zei die.
-“Excellent”, zei ik. Ik zag af van het idee om de verkoper nu om de prijs te vragen in de vrees dat de ironie niet zou overkomen, en dus legde ik een dinar op de toonbank bij het naar buiten gaan.

Bij een kruidenier gingen we op zoek naar een pot Nutella. Die vonden we niet en we wilden terug naar buiten gaan, maar net op dat moment stond de uitbater op en vroeg “what were you looking for?”, in perfect Engels, zonder enig accent.
“Nutella”
-“Hmmm, let’s seeee”, zei de man en hij liep de winkel in. Hij liet zijn ogen de rekken afgaan terwijl hij met zijn hand over zijn kin wreef.
“I’m sorry, but apparently I can’t help you.”
-“No problem.”
-“Have a nice evening!”
-“Bye”

Als de man van de bakkerij het ene uiterste betekende, dan was dit het andere.

Stappen in Wadi Musa

Met Nasser hadden we om 20u afgesproken in de lobby. Toen we daar een kwartier voor het afgesproken tijdstip aankwamen bleken de familie Flodder, en even verder Greg en Rowan, een Amstel-festijn te hebben opgestart. Een bediende was juist bezig Rowans glas van een onzichtbare schuimkraag te voorzien toen we erbij kwamen zitten.
“How much does it cost?”, vroeg ik aan Greg.
-“4 JD”
-“4?? I think I’ll pass”.
– “You wanna drink?” Rowan duwde haar glas een eindje in mijn richting.
– “No thanks”
– “Why not?”
– “It’s your beer.”
– “Yes, and I’m offering you some.”
– “No, really”
– “If I ask you if you want to drink, I don’t ask it out of politeness. I’m really offering you some”.
– “Ok then”
Ik nam een slok van haar glas en bedacht intussen dat de eerste slok altijd de beste is. Hierna zou ik geen Amstel meer willen. Maar zo had Rowan het niet begrepen: 2 minuten later begon ze opnieuw.
“You want to drink again?”
-“No, thanks”
-“I mean it!”
-“Me too!”
-“Are you refusing out of politeness or because you really don’t want?”
-“Because I really don’t want.”
-“Ok, then.”

Blijkbaar was Rowan in de Amstel-val gelopen en probeerde ze er krampachtig uit te raken. Ik voelde er weinig voor haar daarbij te helpen. Mijn vorige ervaring was nog niet lang genoeg voorbij.

Naast ons werd de familie Flodder tot onze ergernis steeds luidruchtiger. Gelukkig kwam Nasser, weliswaar een kwartier te laat en al wat aangeschoten, de lobby binnengewandeld.
“Let’s go guuuys!”

Onderweg naar het dorpscentrum zeverde hij erop los, nodigde hij de hello-kinderen uit om met ons mee te gaan (waar ze gelukkig niet op in gingen), en pikte hij een volgzame straatkat op. Rowan bleek van het type te zijn dat tegen dieren praat alsof ze haar werkelijk begrijpen.
“Hello mister cat, how are you? You are so cute! Oh yes you are! Oh yes you are! Are you coming with us?” …

We aten op een terrasje met (luidruchtige) lokale livemuziek op de achtergrond. Ik betaalde 6 dinar voor een kebab die qua omvang 3 keer kleiner was dan de shwarma van die middag (waar ik 3 dinar voor betaald had, drank inbegrepen). Gelukkig voor mij had Greg niet veel trek en mocht ik zijn kip overnemen. Nasser at wat soep en dronk voor de rest arrak. Zijn vertelsels werden steeds inhoudslozer met als toppunt een simpel verhaaltje dat hij uitrok tot romanformaat. Tegen de tijd dat de rekening kwam, was er enkel nog een dikke nevel in zijn hoofd. Er scheen een probleem te zijn met de rekening en het aandeel van de taksen daarin. Nasser hertelde wel 5 keer onze rekening, er stellig van overtuigd dat hij dat wel even voor ons zou kunnen regelen. Dat zou hij waarschijnlijk ook gekund hebben als hij nog over een korte-termijngeheugen had beschikt en niet vergeten was hoe hij moest hoofdrekenen. Toen hij voor de zesde keer aan Rowan vroeg wat zij voor haar eten moest betalen, had ze er genoeg van. Ze nam de rekening uit zijn handen en vroeg de ober ons geld terug. Ze bekeek de rekening en legde het gevraagde bedrag op tafel. Daarna legde ze er de fooi bij en daarmee was de kous af. Wij gingen naar het hotel en Nasser zou “a little bit later” komen. Het was maar al te duidelijk wat hij daarmee bedoelde.
Rowan zeurde over de rekening, ik keek verlangend naar de blikjes frisdrank die in rijen in koelkasten lagen die voor winkeldeuren stonden, en in de verte spatte vuurwerk uit elkaar. Ik voelde me, en ik was waarschijnlijk, een rariteit in het straatbeeld. Ik keek uit naar de volgende dag, want dat zou ongetwijfeld een hoogtepunt van de reis worden.

– Wordt vervolgd –