Roadtrip USA, deel IV: the canyon gives, the canyon takes

Ik werd dus wakker met hoofdpijn, en omdat ik normaalgezien enkel hoofdpijn heb bij chronische vermoeidheid, en die hoofdpijn gewoonlijk laat op de middag opdaagt, wist ik dat er iets niet in de haak was onder mijn motorkap. Maar goed, die dag stond de Grote Kloof op het menu, en nog veel meer interessante dingen, dus nam ik een sterke pijnstiller en hoopte ik voor de rest dat het zou overwaaien.

Eerst wilden we tanken, en de voorbije dagen is dat geen senicure gebleken aangezien de betaalautomaat steevast naar onze “ZIP-code” vraagt. Evi ging dus naar binnen om te betalen en naar verluid werd ze door de gebrekkig Engels sprekende uitbater behandeld als een gezochte crimineel. Hij wilde de creditcard niet aanvaarden zonder identificatiebewijs. Toen ze haar Belgische identiteitskaart presenteerde wilde hij niet geloven dat het een officieel document was. “Belgium? What’s that??” 
“It’s a country in Europe.”
“Europe?”
Vervolgens weigerde hij te geloven dat het wel degelijk haar eigenste zelf  was die op de foto te zien  was. “That’s not you!”
Het Belgische rijbewijs bracht ook geen zoden aan de dijk: “This does not look like driver’s license!”
“Look here, in English: d-r-i-v-i-n-g   l-i-c-e-n-s-e!”
Toen de arme drommel eindelijk overtuigd was en ik de auto had kunnen voltanken was de beproeving nog niet voorbij. Er moest immers nog een handtekening op het kasticket. Evi zette haar krabbel, welke door de man onderzoekend werd bekeken. “What’s this??”
“My autograph”
“Thát’s your autograph??”
Uiteindelijk heeft ze opnieuw haar identiteitskaart en creditcard bovengehaald om te bewijzen dat het wel degelijk om haar handtekening ging.

 We reden naar het noorden, richting far-weststadje Prescott, om daarna via het mijnwerkersdorp Jerome naar Flagstaff te rijden. Vandaar zou het dwars door de woestijn en Navajoland naar de Grand Canyon gaan.

Prescott lag op het einde van een boeiende weg door de bergen, en was eigenlijk wel een aangename leg-stretch. Geconcentreerd rond het oude gerechtsgebouw, saloons, souvenirswinkeltjes, mannen met boots maar zonder spurs. Veel meer ga ik er niet over vertellen want Jerome was véél interessanter. Eerst slingerde de weg de bergen in, tussen woeste rotspartijen en glimpen van machtige uitzichten op de Grand Staircase (googlen!). Toen we eindelijk over de kam konden loeren zagen we het dorpje tegen de helling geperst, en toen we er binnen reden, besloten we unaniem om er een onvoorziene lunchsstop te maken. We waren in het far-westdorp van Bobejaanland aangekomen. Overal had je een magnifiek uitzicht op de vallei en daarachter de okerkleurige rotsen van het volgende plateau. Het was adembenemend. We hadden ons oog laten vallen op een herberg met een panoramisch terras, genaamd “The haunted burger”, en believe it or not: de enige vrije tafel was die op het uiteinde van het terras. Ik vroeg er een slaatje en kreeg er de oogst van 3 moestuinen opgediend. Evi vroeg een hamburger en……… ja, die kreeg ze ook.

Vol groensels kroop ik opnieuw achter het stuur. We bolden de helling af en staken de vallei over. Daar lag Oak Creek Canyon te wachten, het kleine broertje van de Grand Canyon, maar volgens de inboorlingen ook een nationaal park waard. Ik ben niet geneigd ze helemaal gelijk te geven wat dat nationaal park betreft, maar het is in ieder geval een oogverblindend mooie kloof. Rode rotsen, afgewisseld met donkergroene bomen die de hellingen sieren. De weg liep op de bodem van de canyon, door een sappig groen bos en naast de weg stroomde een bergriviertje (dat tevens verantwoordelijk is voor de kloof). Halverwege stopten we aan Rock Slide State Park. De naam zegt het zelf al: je kunt er over de rotsen glijden. Gezwind in zwemkostuum gehesen trippelden we naar de waterkant waar er een volkstoeloop aan de gang was van mensen die op de vlucht waren voor de temperatuur. Kinderen en volwassenen lieten zich door het water meesleuren over de glibberige afgesleten rotsen. Verstandig zal het niet geweest zijn, maar ik wilde mij behoeden voor jarenlange spijt van de gemiste kans, dus liet ik me samen met Evi in het koude water glijden. In het begin ging het nog behoedzaam, maar eens de stroming ons te pakken had was er geen houden meer aan. De rit duurde een 5 tal minuten. Toen hielden we het voor bekeken.

Wegens tijdsgebrek en geen zin meer, reden we Sunset Volcano National Monument straal voorbij. Als we ooit een vulkaan willen zien gaan we wel naar de Vesuvius. Die leeft tenminste nog. Evi zat opnieuw achter het stuur, dus dat betekent dat de wegen weer onmenselijk saai waren. De highway liep rechtdoor tot aan de horizon en in de wijde omtrek was er niks te zien behalve hier en daar een berg of rots en struiken. Veel struiken. Het werd er niet beter op toen we Navajoland binnenreden. Het was duidelijk dat de Natives niet bepaald met hun gat in de boter waren gevallen tijdens de verdeling van het land. Zand, heuvels, zandheuvels, prikkeldraad, hier en daar een trailerhome, versierd met enkele autowrakken. Nadat we de afslag voor de Grand Canyon hadden genomen doken de roadside markets weer op: enkele kraampjes waaraan de indianen hun handgemaakte sieraden probeerden te verkopen aan toeristen. Er werd niet op een aankondigingsbord meer of minder gekeken. Het meest originele opschrift zagen we toen we enkele verkoopskraampjes een 50-tal meter gepasseerd waren: “Nice Indians behind you”, stond er te lezen.

De mijlen telden af, en de invalshoek van de zon ook. Ik hoopte vurig om de zonsondergang aan de Grand Canyon te mogen zien en te fotograferen. Alleen wilden de verdomde snelheidsbeperkingen niet meewerken. We hielden ons er wel aan, tenzij wanneer ze te belachelijk werden, zoals 25 mph voor een brede bocht die je even goed aan 65 zou kunnen doen zonder daarbij middelpuntvliedende krachten te ondervinden.

De zon stond nog behoorlijk boven de einder toen we de parkeerplaats opreden van het eerste viewpoint. Enthousiast als twee Japanse toeristen hosten we naar de rand van de canyon. Wat we daar zagen was mooi. Punt. Meer valt er niet over te zeggen want woorden zullen toch niet volstaan. Ik raad aan naar google images te surfen en daar “sunset grand canyon” in te typen.
Vanaf Grandview Point, zo’n 20 minuten verder down the road, keken we naar de definitieve zonsondergang. Romantisch, peaceful, rustig en quiet, in het gezelschap van Fransen, Spanjaarden, Amerikanen en Hollanders (you get the point).

Een kwartier verder lag Grand Canyon Village, eerder een verzameling toeristische voorzieningen dan een dorp, en locatie van ons motel. Aan de receptie, wachtend om in te checken, viel voor mij de bijl. Mijn knieën knikten, mijn maag ging op slot en alle energie ging op de loop. Tot overmaat van ramp moest de melkmuil-receptionist MIJN identificatiebewijs zien (dat van Evi was plots niet meer goed genoeg), en dat lag nog in de auto. Op de parkeerplaats. In a land far far away. Of zo leek het toch.

Het was duidelijk dat ik ziek was. Op de verkeerde plaats en op het verkeerde tijdstip. En op de reis waar ik al een half jaar vurig naar verlangde. End of luck for me I guess.

Roadtrip USA, deel III: “Ze hebben hier van die grote cactussen”.

Howdy!

Even niks meer van mij gehoord, maar dat heeft zijn logische redenen. Laat ons de draad oppikken waar ik hem heb laten rondslingeren. Ergens in Palm Springs.

Woensdagmorgen, 6u, Maarten ligt klaarwakker in zijn bed te zweten dat het niet meer netjes is. Buiten heeft het daglicht al een flink pad langs de hemel afgelegd. Tijd verliezen is niks voor mij, en slapen is toch wel een beetje tijdverlies, dus schiet ik in mijn kleren en trek ik erop uit voor een fotografische verkenning van de omgeving. Het moment was uitstekend: de enige levende zielen die ik tegenkwam waren gesportschoende senioren met hoogopgetrokken witte kousen die hun keffer aan het uitlaten waren. Sommigen keken in het voorbijgaan even over de rand van hun sportzonnebril en knikten daarbij even. Overal sisten de automatische bewateringsbuisjes die de straatbeplanting in het gareel moest houden. Zoniet zou elke plant hier binnen de korste keren een gewisse dood sterven. Dit was tenslotte nog steeds de woestijn. Palm Springs lijkt overigens goed op een soort van Zorro-stadje met Europese invloeden zoals  pleintjes en terrasjes. In hoeverre het allemaal authentiek is weet ik niet, maar laat ons er maar niet te enthousiast over worden.

Die dag lag ons eerste nationale park in het verschiet: Joshua Tree. Op papier het minst tot de verbeelding sprekend, maar dat was tot we over een eenzame tweevaksbaan een landschap binnentuften dat eigenlijk redelijk buitenaards aandeed. Ik had een woestijnlandschap verwacht met hier en daar een Joshua tree. Wat ons echter werd voorgeschoteld was een landschap van machtige granietrotsen, met daartussen sprookjesachtige valleien die krioelden van de Joshua trees en de cactussen. Boven ons cirkelden roofvogels en telkens we uitstapten om foto’s te maken zagen we wel ergens een hagedis tussen de gloeiende stenen wegglippen. We waren op voorhand gewaarschuwd voor ratelslangen en schorpioenen, en met een beetje verbeelding zat er wel ergens een coyote op de loer in afwachting van een eventuele roadrunner. Ik vond het allemaal fantastisch tot de verbeelding sprekend. Op ons dooie gemak reden we naar Keys’ View om er het uitzicht te bewonderen dat tot de Salton Sea ging, om daarna à l’ aise dwars door het park naar de zuidelijke uitgang te rijden. Het klinkt kort maar het nam wel ettelijke uren in beslag.

Daarna wachtte ons de dodelijk saaie rit over de Interstate 10 naar Phoenix. Die ging rechtdoor, rechtdoor en aan de andere kant van de horizon nog wat verder rechtdoor. Tot we volledig murw in Phoenix aankwamen, stad van snelwegen die dwars door het centrum lopen in plaats van eromheen, stad van recht op recht, stad van geen restaurants, stad die eigenlijk één grote suburb lijkt te zijn, stad van het fantastische Best Western motel. We stapten uit en de hitte sloeg ons in het gezicht met een mokerhamer. Even dacht ik dat ik voor een heteluchtblazer stond. Dit was extreem. Na de checkin bij – het dient gezegd – de vriendelijkste receptioniste van het Westelijk Halfrond, sleurden we onze bagage onze kamer in en repten ons naar het zwembad. De thermometer aan de muur wees 47 graden, maar erg betrouwbaar vond ik die meting toch niet echt gezien de warme muur waaraan hij hing.
Na een uurtje zwemmen en bubbelbaden ben ik een beetje stilgevallen. Mijn maag plakte tegen mijn rug, maar toch had ik in de verste verte geen honger. We gingen later op de avond op zoek naar een plaats om op het gemak wat te eten (tegen mijn zin, maar niet eten is ook geen optie), maar we vonden niks behalve wat groezelige fastfoodketens waar je liever niet binnengaat na 21u. Evi kwam met een fantastisch en o zo Amerikaans idee: diepvriesmaaltijden uit de supermarkt. En zo kwam het dat we een half uurtje later allebei op het bed uit een kartonnen bordje zaten te scheppen terwijl we op CNN naar het zoveelste geleuter over Michael Jackson luisterden. Ik ging slapen met barstende hoofdpijn en ik werd er ’s morgens weer mee wakker. Oh yes.