Roadtrip USA, deel III: “Ze hebben hier van die grote cactussen”.

Howdy!

Even niks meer van mij gehoord, maar dat heeft zijn logische redenen. Laat ons de draad oppikken waar ik hem heb laten rondslingeren. Ergens in Palm Springs.

Woensdagmorgen, 6u, Maarten ligt klaarwakker in zijn bed te zweten dat het niet meer netjes is. Buiten heeft het daglicht al een flink pad langs de hemel afgelegd. Tijd verliezen is niks voor mij, en slapen is toch wel een beetje tijdverlies, dus schiet ik in mijn kleren en trek ik erop uit voor een fotografische verkenning van de omgeving. Het moment was uitstekend: de enige levende zielen die ik tegenkwam waren gesportschoende senioren met hoogopgetrokken witte kousen die hun keffer aan het uitlaten waren. Sommigen keken in het voorbijgaan even over de rand van hun sportzonnebril en knikten daarbij even. Overal sisten de automatische bewateringsbuisjes die de straatbeplanting in het gareel moest houden. Zoniet zou elke plant hier binnen de korste keren een gewisse dood sterven. Dit was tenslotte nog steeds de woestijn. Palm Springs lijkt overigens goed op een soort van Zorro-stadje met Europese invloeden zoals  pleintjes en terrasjes. In hoeverre het allemaal authentiek is weet ik niet, maar laat ons er maar niet te enthousiast over worden.

Die dag lag ons eerste nationale park in het verschiet: Joshua Tree. Op papier het minst tot de verbeelding sprekend, maar dat was tot we over een eenzame tweevaksbaan een landschap binnentuften dat eigenlijk redelijk buitenaards aandeed. Ik had een woestijnlandschap verwacht met hier en daar een Joshua tree. Wat ons echter werd voorgeschoteld was een landschap van machtige granietrotsen, met daartussen sprookjesachtige valleien die krioelden van de Joshua trees en de cactussen. Boven ons cirkelden roofvogels en telkens we uitstapten om foto’s te maken zagen we wel ergens een hagedis tussen de gloeiende stenen wegglippen. We waren op voorhand gewaarschuwd voor ratelslangen en schorpioenen, en met een beetje verbeelding zat er wel ergens een coyote op de loer in afwachting van een eventuele roadrunner. Ik vond het allemaal fantastisch tot de verbeelding sprekend. Op ons dooie gemak reden we naar Keys’ View om er het uitzicht te bewonderen dat tot de Salton Sea ging, om daarna à l’ aise dwars door het park naar de zuidelijke uitgang te rijden. Het klinkt kort maar het nam wel ettelijke uren in beslag.

Daarna wachtte ons de dodelijk saaie rit over de Interstate 10 naar Phoenix. Die ging rechtdoor, rechtdoor en aan de andere kant van de horizon nog wat verder rechtdoor. Tot we volledig murw in Phoenix aankwamen, stad van snelwegen die dwars door het centrum lopen in plaats van eromheen, stad van recht op recht, stad van geen restaurants, stad die eigenlijk één grote suburb lijkt te zijn, stad van het fantastische Best Western motel. We stapten uit en de hitte sloeg ons in het gezicht met een mokerhamer. Even dacht ik dat ik voor een heteluchtblazer stond. Dit was extreem. Na de checkin bij – het dient gezegd – de vriendelijkste receptioniste van het Westelijk Halfrond, sleurden we onze bagage onze kamer in en repten ons naar het zwembad. De thermometer aan de muur wees 47 graden, maar erg betrouwbaar vond ik die meting toch niet echt gezien de warme muur waaraan hij hing.
Na een uurtje zwemmen en bubbelbaden ben ik een beetje stilgevallen. Mijn maag plakte tegen mijn rug, maar toch had ik in de verste verte geen honger. We gingen later op de avond op zoek naar een plaats om op het gemak wat te eten (tegen mijn zin, maar niet eten is ook geen optie), maar we vonden niks behalve wat groezelige fastfoodketens waar je liever niet binnengaat na 21u. Evi kwam met een fantastisch en o zo Amerikaans idee: diepvriesmaaltijden uit de supermarkt. En zo kwam het dat we een half uurtje later allebei op het bed uit een kartonnen bordje zaten te scheppen terwijl we op CNN naar het zoveelste geleuter over Michael Jackson luisterden. Ik ging slapen met barstende hoofdpijn en ik werd er ’s morgens weer mee wakker. Oh yes.

Advertenties

Roadtrip USA, dag II: Run to the hills

Dag 1 in het hopeloos failliete Californië dat desalniettemin in één ding geïnteresseerd is: de uitvaartplechtigheid voor Michael Jackson. Het dwong ons tot een verandering van reisroute: downtown L.A. links laten liggen en een meer noordelijke highway uitkiezen. Die bracht ons na een trip door een waas van smog, in het woestijnlijke Palms Springs, na een rit van twee uur. We reden bij het binnenrijden van dit stadje voorbij het tourist information center en besloten hier een eerste keer te stoppen, in de hoop een plattegrond op te scharrelen. Toen we uitstapten sloeg de woestijnwarmte ons in het gezicht met een zware mokerhamer. Vreemd: in de woestijn is het niet zozeer de zon die warmte geeft, de warmte komt evenzeer uit de grond. De twee tesamen zorgen voor een echt bakoveneffect waar zelfs de schaduw niet aan ontsnapt. Een plattegrond hadden ze er wel, en daarmee reden we verder naar ons motel waar ze ons vertelden dat we nog niet konden inchecken. Ons programma voor die dag bestond erin dat we de gloeiend hete woestijnbodem zouden ontvluchten en toevlucht zouden zoeken in de bergen die aan Palm Springs grenzen. Die bergen bereik je het beste door middel van de Aerial Tramway, in mijn streek beter bekend onder de naam “telefriek”, en in meer beschaafde delen van het land onder de naam “kabelbaan” of misschien zelfs “gondelbaan”. Anyways, om die kabelbaan te bereiken moest je aan de tourist information rechts afslaan (wat we ook gezien hadden toen we er de eerste keer passeerden), dus konden we weer wat tijd vullen met de volstrekt nutteloze terugrit na de volstrekt nutteloze heenrit naar ons hotel.

Rond kwart na 1 kwamen we aan in het dalstation (laat ons het maar zo noemen). De gondel bracht ons naar  enkele duizenden feet, vraag me niet hoeveel want ik weet het al niet meer. Ik heb geen verstand van die Amerikaanse eenheden. De lucht rook er naar sparren en het was er ook aangenaam koel en groen. Eekhoorntjes kwamen er praktisch aan je enkels snuffelen en hagedissen bevolkten de zongewarmde rotsblokken. De tuin van Eden zal er niet erg verschillend uitgezien hebben; op de appelboom na. We maakten er een kleine fijne wandeltocht met prachtige uitzichten op de zonovergoten woestijn en de stad.

In de latere namiddag keerden we terug naar ons hotel in Palms Springs, beter bekend als het Benidorm van Californië. Of er veel zestigplussers toeven weet ik niet echt want het is hier niet bepaald het toeristisch hoogseizoen, getuige de vele gesloten eetgelegenheden, maar het is wel een shop- en horecawalhalla. Daarna is het ook een enorme waterslokop. Zeg nu zelf: een stad in de woestijn die volgeplant staat met palmbomen, waar achter elke straathoek een nieuw golfterrein roept, en waar er her en der zwembaden worden bijgetankt.

Over zwembaden gesproken: ons motel had er ook één en daar kon je ons de rest van de dag vinden. Zei ik zwembad? Ik bedoelde eigenlijk bubbelbad. Openlucht, jazeker. Mét uitzicht op de bergen ja. En praktisch privé want er was slechts één andere familie aanwezig.

Later op de avond, daarnet dus, hebben we Mexicaans gegeten op een terras dat verkoeld werd door waterverstuivers. Logisch. Verstandig. Het is als een clochard die op krediet elke avond in de Hilton gaat slapen alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Program voor morgen: Joshua Tree National Park. Nooit van gehoord? Dan bent u beslist geen U2-fan (ennnnnn googlen maar!). Daarna rijden we naar Phoenix, Arizona voor onze volgende overnachting. Tot daar!

Roadtrip USA, deel I: van de grond gaan

Wat doen jullie op lange transatlantische vluchten? Slapen? Eten? Slapen? Film kijken? Een boek lezen? Kruiswoordraadsels oplossen? Vast wel. En dit zijn ook de activiteiten waarmee ik een hele dag heb weten te vullen op de vlucht van Londen naar LA. 11u20min waren vooropgesteld. 12u en 20 minuten zijn het geworden, nadat ons geduld eindeloos op de proef was gesteld, eerst door een stel druiloren die naar verluid (zo zei de captain toch) niet tevreden waren met het gegeven dat hun stoelen kapot waren en niet achterover konden leunen. Daarna konden we niet opstijgen vanwege het naderende slechte weer. Als vliegtuigen enigszins evenveel beenruimte zouden bieden als treinen, dan zou het nog draaglijk geweest zijn. Maar waarschijnlijk is dat ook de reden waarom iedereen klaagt dat de treinen altijd te kort zijn. Soit, andere discussie. Vliegen is dus lastig. Eerst moet je de gedachte volledig verbannen dat er een mogelijkheid bestaat dat het ding de dieperik induikt en je de vreselijkst denkbare doodsangst staat te wachten. Daarna moet je je benen in één of andere plooi zien te leggen die anatomisch onmogelijk medisch verantwoord genoemd kan worden, en daarna moet je de verveling verdrijven met activiteiten waar je je nooit mee bezig gehouden zou hebben als je niet in een vliegtuig had gezeten. Als een trip naar het toilet een “verademing” genoemd kan worden, dan weet je dat je dodelijk verveeld bent. Uiteindelijk zijn we wel veilig geland. Vlotte vlucht, geen enkel probleem. Vervolgens de auto opgepikt. Budget heeft wel interessante prijzen, hun personeel is wel wat minder interessant. Ik vroeg om assistentie aan een latino personeelslid dat heel gebrekkig Engels sprak. Die zei dat we een auto uit rij 3 mochten kiezen en ons daarna naar de uitgang begeven, zoals je bij de péage op een Franse autosnelweg passeert. We kozen (of tenminste: ik koos, want Evi had er niet echt een mening over) een zwarte Nissan Almira. Vinnig ding. Trekt hard op. Bij de uitgang gekomen werden we resoluut teruggewezen door het personeelslid aldaar. We waren geen lid van het zogenaamde “Fasttrack”, dus moesten we eerst naar de inschrijvingsbalie. En zo geschiedde. Gelukkig was het meisje achter die laatste balie wel heel behulpzaam. Met auto en al scheurden we (zei het heel behoedzaam) de freeway op. In de verkeerde richting. En dat zou niet de laatste keer zijn. Op de Interstate aangekomen verzandden we in een dampen wasemende file waardoor we – goed idee, Evi, – uiteindelijk onze toevlucht zochten in Mulholland Drive, de befaamde heuvelweg met verbluffende uitzichten op de stad, en natuurlijk een hoofdrolspeler uit de gelijknamige film van David Lynch. De uitzichten waren inderdaad verbluffend. En de weg zelf leek weggelopen uit een BMW-reclamespot. Na nog enkele kleine, maar onvermijdelijk verkeersovertredingen, zijn we erin geslaagd in onze eerste lodge aan te komen, vanwaar ik nu deze blogpost schrijf in een Word-document. Het is 19u ’s avonds maar de klok van de laptop zegt dat het 4u ’s nachts is. Echt moe voelen we ons nochtans niet echt. Ok, misschien wel een beetje moe, maar alleszins geen allesverwoestende, ooglidneerslaande klap van de hamer. Voorstel: morgen schrijf ik hier een vervolg op en zoek ik een manier om dit online te krijgen.

Go west

Pursue your dreams! Ookal zijn ze heel ambitieus. Verken de wereld! Nu het nog kan. Nu je nog jong bent.

Een tijd geleden ventileerde ik hier op mijn blog het voornemen om een echte roadtrip te maken in het westen van de VS, langs de nationale parken. Het idee heeft me niet meer los gelaten, met als gevolg dat ik afgelopen zaterdag zat te nagelbijten in de wachtrij bij Connections.

Kleine moeite in vergelijking met adrenalineshots die ons te wachten staan. We gaan naar Amerika. Mijn meisie en ik. Het zuidwesten. Tour ligt vast, slaapplaatsen liggen vast, vliegtuigtickets liggen vast. Enkel de auto zorgt nog voor twijfel. Moet hij goedkoop en degelijk zijn of mag hij wat duurder zijn,  in combinatie met enkele extra paarden onder de motorkap? Stel dat hij het loodje legt in het midden van de woestijn….  Stel dat de airco het begeeft….  Zo’n zaken.

De reis gaat van LA naar LA. In de twee weken daartussen komen we voorbij Joshua Tree National Park, Phoenix, Grand Canyon, Lake Powell (Glen Canyon dus), Bryce Canyon, Zion National Park, Las Vegas, Death Valley, Yosemite National Park, San Francisco, en daarna cruisen we zuidwaarts langs de Pacific Coast op de legendarische kustweg die het decor lijkt voor een BMW-reclamespot.

Wees gerust: there will be sunshine, there will be heat, there will be mountains, there will be desert, there will be astonishing views, there will be photography and there will be blogging!

Wie is de domste?

Obama-moeheid? Freaq, jongen, best dat je niet in de VS woont. Voor mij zijn alle middelen goed om die vent op de troon te krijgen. Een reclamespot van een half jaar? Kan me niet schelen, zolang er maar geen roodnek verkozen wordt. Als ik moet kiezen tussen Bush-moeheid en Obama-moeheid dan moet ik toch niet lang nadenken.

Nadenken is soms niet mijn sterkste kant. Als ik naar de reportages kijk in ‘TerZake’ van Robin Ramaekers, vanuit zijn greyhound bus (de journalist reisde per bus door Arizona, New Mexico en enkele Bible belt-staten), dan zit ik mij letterlijk de ogen uit te wrijven bij het horen van redenen waarom de geïnterviewde US-citizens voor McCain zouden stemmen (bij nader inzien hebben mijn ogen daar weinig mee te zien, maar swat). Ik kan er überhaupt niet bij waarom wie dan ook wanneer dan ook op hem zou stemmen. Hier ontbreekt natuurlijk een dosis relativeringsvermogen en empathie van mijn kant, maar toch…. Dat heb je wel meer als je mensen aanhoort die er een andere mening op nahouden dan jijzelf terwijl je heilig overtuigd bent van je eigen gelijk. Dan durft het wel eens zwart te worden voor een mens zijn ogen en begint hij opzettelijk fel overdreven statements en zwart-wit-voorstellingen in het rond te strooien. Zo van: “die Amerikanen zijn toch eigenlijk oliedom!” of “ze zouden sommige mensen toch wel moeten verbieden van te gaan stemmen”, en andere elitaire omhooggevallen praat.

Nadenken is ook niet de sterkste kant van een groot deel van de republikeinse kiezers uit de buik van de VS. Die stemmen op hun gevoel, volgens de traditie. Volgens The American Way of Life. En wat houdt die in?
Exclusiviteit
– Zoveel freedom van vanalles en nog wat, zodat men erin gaat stikken. Teveel vrijheid mondt onvermijdelijk uit in een beperking ervan. Vb: “We willen onze vrije samenleving en haar liberale waarden vrijwaren….. En daarom bouwen we een muur rondom ons…… Zoals in de middeleeuwen. Jaaa, goed idee!”
Freedom houdt ook in dat je gewapenderhand iedereen van je property mag verjagen. En je hebt ook de vrijheid om met een Kalashnikov een school binnen te gaan om aldaar enkele leerlingen af te knallen.
Socialisme = de duivel, dus Obama = de duivel. “Do you read the Bible sir? It says the Devil will take the shape of a charismatic leader!” Dan zou ik willen antwoorden: “Do yóu read the Bible sir? It says that helping the poor and the weak is every Christian’s task.” Dan zal de andere antwoorden: “But his name is Hussein!”, waarop ik lachend wegwandel.

Citaat van één van de sympathieke inwonders van een stadje in Oklahoma: “I can’t believe the American people can have a candidate whose name is Obama. That’s very close to Osama.” Hij sprak het heel traag en dreigend uit, alsof hij net een nieuwe baanbrekende ontdekking had gedaan die de kaarten in de verkiezingsstrijd wel eens grondig zou kunnen schudden.
Hij heeft een punt, die man. Ik roep bijgevolg iedereen op nooit meer op Patrick Dewael te stemmen, want afgaande op zijn naam heult hij met de Franstaligen.