Cross Country

Vervolg Jordanië (7/8)

Kwart kilo baksteen

Ik werd wakker met een kwart kilo baksteen in mijn darmstelsel, of zo voelde het toch aan. Ik liet even een kreun ontsnappen, wat beantwoord werd door gekreun links en rechts van mij.
Aan de ontbijttafel bleek dat net als ik niemand veel trek had in eten. Alle vier hadden we last van dezelfde kwaal: buikkrampen. Godzijdank was ik de hele nacht van het toilet kunnen wegblijven. Ik had een sterk vermoeden wat de boosdoener was: het water dat Nasser bij de Arak gedaan had. Dat kwam uit een plastieken fles en bestond voor het grootste deel uit ijs. Vermoedelijk was die fles gevuld geweest met leidingwater. Aan het eten kon het niet liggen, want waarom zou het de eerste avond niet, en de tweede avond wel last berokkend hebben?

Na het ontbijt had ik de grootste moeite om mijn spullen opnieuw in mijn rugzak te krijgen. Om één of andere raadselachtige reden pasten mijn bergschoenen niet meer in het onderste compartiment van mijn rugzak; een raadsel waar ik tot op vandaag geen antwoord voor heb gevonden.

Aqaba

De avond voordien was onze nieuwe chauffeur aangekomen: Ibrahim. Het was een jonge kerel die beste maatjes leek met Nasser. Vandaag zou hij ons eerst naar Aqaba, en vervolgens naar Amman voeren, maar blijkbaar had hij de avond ervoor zijn neus te diep in de arakbeker gestoken en tot onze consternatie bleek het Nasser zelf te zijn die achter het stuurwiel plaats nam om ons naar het zuidelijkste punt van de reis te voeren: de havenstad Aqaba aan de Rode Zee. Daar zouden we Greg vaarwel zeggen, want die had nog een rondreis in Egypte voor de boeg waarvoor hij de ferry van Aqaba naar Nuweiba in Egypte moest nemen. Daar zou hij een vertegenwoordiger van onze reisorganisatie ontmoeten die hem naar Caïro zou voeren.
Het was ons al snel duidelijk waarom Nasser een chauffeur nodig had om ons Jordanië te laten zien. De chauffeur zelf liet het stuntelige bochtenwerk van onze gids niet aan zijn hart komen en lag vredig te slapen.

Aqaba is het Blankenberge van Jordanië. Het strand zat afgeladen vol met kinderen in zwembroek, vrouwen in “bedekkend badpak”, en tonnen aangespoeld of achtergelaten afval. Het was alsof iemand een reusachtige PMD-zak tot ontploffing had gebracht, maar niemand scheen zich om de troep te bekommeren. Misschien kon je de grote hoeveelheid blikjes verklaren door de belachelijk lage prijzen die in Aqaba golden voor eten en drinken. Plots was een literfles Pepsi nog slechts een halve dinar (50 eurocent). De hele stad was een duty-free zone, en het mag een raadsel heten hoe de Jordaniërs konden voorkomen dat Aqaba vergleed tot het drinkhol van het land.
Nasser had ons anderhalf uur gegeven om de stad te verkennen, maar veel viel er niet te ontdekken en de combinatie van 38°C, drukte en buikkrampen deden me al snel wensen dat ik ergens anders was.

Greg

Nasser had Greg gerustgesteld: hij hoefde de onbetrouwbare en trage ferry niet te nemen. De reisorganisatie had een plaats voor hem gereserveerd op een meer “exclusieve” ferry, die in de praktijk een heus jacht bleek te zijn. We namen afscheid op de waterkant, maar toen kwam Nasser met een bezorgde blik uit het douanekantoortje. Greg bleek niet op de passagierslijst te staan.
Het betekende het begin van een nerveuze 20 minuten waarin Nasser voortdurend zou bellen met de baas van de reisorganisatie en de baas van de rederij om Greg alsnog op de boot te krijgen. Greg zelf stond met een ongemakkelijke blik stilletjes naar de boot te kijken terwijl die zich steeds verder vulde met passagiers. Het vertrekuur naderde zienderogen tot iedereen, behalve Greg, uiteindelijk aan boord was. De kapitein begon van zijn neus te maken over de vertraging die we hem berokkenden. Ten slotte beëindigde Nasser hoofdschuddend het zoveelste telefoongesprek. Er was niks aan te doen. De loopbrug werd ingehaald en de boot vertrok. Zonder Greg.

Er zat niks anders op dan Greg weer in de kofferbak te laden en ermee naar een hotel te rijden dat vlakbij lag, om daar te “beraadslagen”, gelijk Jommeke het altijd treffend weet te verwoorden. “Waarom in een hotel”, vraagt u zich af? Omdat er daar airco is.
De lobby voelde koud genoeg aan om er een paar geslachte schapen aan het plafond op te hangen, en we aarzelden dan ook niet om ons luid zuchtend in de zetels neer te laten zijgen. Greg ging op zoek naar een computer met internetaansluiting om uit te pluizen wat de mogelijkheden waren om naar Caïro te vliegen. En wij…..tja, wij wachtten enkel. Nasser kon geen enkel telefoontje meer plegen omdat het vrijdag was, en dan iedereen ’s middags in de moskee zit, behalve hij en de chauffeur.
“I have to wait till they’re out of the mosque before I can make another call”.

Aan de andere kant van de glazen salontafel ging een niet onknappe vrouw met hoofddoek zitten die mij voortdurend op een onbehaaglijke manier observeerde. Ik probeerde zo gewoon mogelijk te doen, maar ik kon niet voorkomen dat mijn blik keer op keer die van haar kruiste. Ze keek op een soort afkeurende manier, alsof ik een kwalijke lijfgeur verspreidde of zo. Ik dacht aan wat ik in de Lonely Planet over gedragsregels had gelezen en ik toetste mijn eigen voorkomen daaraan. Is het de korte broek? Ik was evenwel niet de enige met zichtbare onderbenen, en daarbij had ik het na een week wel gehad met lange of halflange broeken. Ik keek naar mijn been en toen wist ik wat ik verkeerd deed. In de Lonely Planet had ik gelezen dat het niet respectvol is om de onderkant van je schoenen te laten zien aan vreemden wanneer je zit. De onderkant van mijn sandaal stond als een denkbeeldige spot op het meisje gericht en ik haalde snel mij enkel van mijn knie. Daarna besteedde ze geen aandacht meer aan mij, hoewel als gevolg van de temperatuur mijn lijfgeur ook niet bepaald een item was om mee naar buiten te komen. Nu kon ik haar eerdere blik beter interpreteren: “Je mag stinken zoveel je wil, beste vreemdeling, zolang ik maar niet op de zool van je voet hoef te staren.”

Greg kwam opnieuw de lobby ingewandeld. Op een computer zonder muis was hij er op één of andere manier in geslaagd de vluchten van Royal Jordananian te checken, maar die waren te duur en vertrokken vanuit Amman.
Een uur later kon Nasser eindelijk weer bellen en na veel over en weer-getelefoneer waarbij zijn beltoon ons steeds irritanter in de oren klonk, was de kogel door de kerk. Greg zou in het hotel blijven en ’s avonds naar de haven gevoerd worden door iemand van het reisagentschap. Hij zou de ferry van 19u nemen naar het Egyptische Taba. Voor de tweede keer namen we afscheid, waarna we weer de Jordaanse bakoven instapten. Als je je het contrast met de hotellobby wil voorstellen, steek dan even je hoofd in een voorverwarmde heteluchtoven. Zelfs het geluid van de ventilator doet ergens denken aan het geluid van het verkeer.

The long and straight road

Voor we Aqaba verlieten stopten we een laatste keer bij een kleine supermarkt om goedkoop eten en drank in te slaan. In mijn geval was dat een fles Pepsi, wat ik normaalgezien nooit drink (ik ben geen fan van cola) maar mijn gedachten waren bij mijn geteisterd darmstelsel.

De autorit van Aqaba naar Amman duurde 4u en was zo saai dat ik het met geen creatievere uitdrukking kan omschrijven dan gewoon te zeggen dat het saai was. Ik had me veilig ingedekt tegen de praatjes van Rowan door vrijwel onmiddelijk mijn iPod boven te halen, die me vier uur lang onafgebroken zou voorzien van een soundtrack die bij een roadmovie zou passen (dat had meer met de omstandigheden te maken dan met de muziek zelf). Onze chauffeur en Nasser hadden hun rol verwisseld: de chauffeur zat nu achter het stuur en Nasser lag te slapen. De snelweg, die de enige snelweg is in Jordanië, ging helemaal van zuid naar noord en werd vooral bevolkt door vrachtwagens die goederen van de haven landinwaarts brachten. Het tergend trage tempo waarmee ze de hellingen optuften verbaasde me telkens opnieuw. Mercedes, Daf, het maakte niet uit welk merk de vrachtwagens hadden, allen reden ze aan een slakkengangetje bergop. De brandstof in Jordanië mocht dan wel goedkoop zijn, volgens mij doen ze er water bij. Ook ons minibusje had minstens een halve minuut nodig om weer op tempo te komen na een verkeersdrempel. En er waren héél wat verkeersdrempels op die snelweg tussen Aqaba en Amman. Er waren stroken waarin het asfalt heel oneffen lag, of bezaaid was met putten. In tegenstelling tot de verkeersdrempels waren deze voor onze chauffeur geen reden tot vertragen en in gedachten zag ik onze schokdempers kreunen en de assen kraken.

Geregeld was er een aparte strook voor tanks en ander legermaterieel. Op het einde van zo’n strook was er een afslag die aangegeven werd door een pijl met daaronder “IRAQ”. Jordanië is een partner van de VS, en op deze manier droeg het zijn steentje bij aan de Amerikaanse operaties in hun buurland. Eén keer haalden we een legerkonvooi in: een lange sliert lichtbruine jeeps, vrachtwagens, tanks en pantservoertuigen. Ik vond het een fascinerende gedachte dat ik me zo dicht bij het actieterrein bevond.

Nasser beloofde ons dat we ’s middags ergens zouden stoppen om te eten, maar heimelijk hoopte ik dat we dat niet zouden doen. Hoewel mijn maag even leeg was als de ons omringende woestijn, had ik helemaal geen eetlust. Gelukkig bleken beide heren voorin al te oefenen voor de ramadan: we lasten enkel een plaspauze in. Dat was het signaal voor mijn spijsverteringsstelsel, dat zich al de hele dag kloek had gehouden om …em hoe zeg ik dit fatsoenlijk … ‘de strijd te staken’. 20 toiletminuten later en 2 immodiumtabletten lichter, klom ik opnieuw op de achterbank en hervatten we onze reis.

Terug bij het begin

Amman was verre van mijn favoriete stad geweest op deze reis. Niettemin voelde het een beetje aan als thuiskomen toen ik uitkeek over de golvende zee van grijze en witte huizen en de twee wolkenkrabbers in aanbouw die de skyline kenmerkten. Ik verlangde naar het hotel, dat eigenlijk buitensporig luxueus leek in vergelijking met de hotels/tentenkamp op de rest van de reis. Ik was wel tevreden over onze accomodatie, maar na twee nachten in de woestijn hunkerde ik naar een groot bed, een net toilet en een warme douche.

In de lobby regelde Nasser onze check-in waarna hij ons alle drie een bear hug gaf. Ik gaf hem een enveloppe met onze fooien die hij naar Jordaanse gewoonte redelijk koel in ontvangst nam, alsof het niet meer dan normaal was dat we hem een geschenk gaven.
“Take care guys!” En weg was hij.

In de hotelkamer, die nog groter was dan die van een week geleden, plofte ik me voor één keer niet direct op het bed, maar sloot me in plaats daarvan op in het toilet. Na de plichtpleging keek ik wat naar het tafeltennis op de olympische spelen. Griet loste kruiswoordpuzzels op.
Mijn verstand zei “eten”, maar mijn darmen zeiden “no way”, dus probeerde ik het avondmaal zo lang mogelijk uit te stellen. We hadden niet echt een afspraak gemaakt met Rowan over het avondeten, maar we verwachtten haar aan te treffen in het restaurant.

Daar aangekomen bleek het er vol oudere mannen te zitten die zich bezigden met gezelschapspelen. Van Rowan was er geen spoor. We gingen op het terras zitten en ik bestelde linzensoep. Geen idee of dat enig effect heeft op je spijsvertering, maar wie niet waagt wint niks.
Iedereen had die ochtend krampen gehad, maar bij Griet waren die weggeëbt en dat wilde ze natuurlijk zo houden. Zorgvuldig viste ze het ijs uit haar Fanta en wachtte geduldig tot de oudere mannen, die binnen zaten maar ons niettemin in de gaten hielden, de andere kant op keken om de blokjes in een plantenbak te keilen.
“Problem solved”, dachten we, maar toen verscheen er op het uiteinde van het terras een man, met in zijn handen een tuinslang. Daarmee begon hij de planten water te geven. Ik zag een gênante situatie op ons afkomen en nauwelijks een mogelijkheid om die te ontwijken. Ik stelde me het gezicht van die bediende voor als hij de ijsblokjes zou zien, maar net op dat ogenblik nam hij zijn tuinslang weer mee naar binnen.

Rowan bleek onvindbaar. Na het eten en een nieuwe call of nature hadden we bij haar aangeklopt, maar uit de kamer kwam geen enkel geluid. We stonden op het punt om een briefje onder de deur te schuiven toen vanop de balustrade een blonde vrouw in de mot kreeg die beneden alleen zat te eten. Het was Rowan. Ik geef toe: onwillekeurig kon ze me serieus op de zenuwen werken, maar ik kreeg spontaan medelijden toen ik haar daar alleen zag zitten. We schoven bij haar aan voor een laatste praatje te maken, waarin zij zoals verwacht het hoogste woord zou voeren en wij er knikkend zouden bijzitten. We wisselden emailadressen uit en ik gaf haar van mijn eigen voorraad nog enkele Buscopans tegen de buikkrampen, alvorens definitief afscheid te nemen. De volgende ochtend om 10u zou haar vlucht vertrekken. Ons vliegtuig zou pas de zondagochtend (nacht) vertrekken rond 3u30, dus hadden wij nog een bijzonder lange dag in Amman voor de boeg.

Voor ik in mijn bed kroop nam ik nog een misdadig lange douche, en ik nam me voor misdadig lang te slapen. Een hele dag in Amman, dat beloofde heel zwaar te worden want vanaf 12u zouden we geen hotelkamer meer hebben om in de late namiddag naar terug te keren om er languit op een opgemaakt bed te gaan liggen tot je je gaat klaarmaken voor het avondeten. De boodschap was dus zo lang mogelijk van onze kamer te profiteren, en dat begon met uitslapen. Het inslapen was alvast geen enkel probleem.

Wordt vervolgd

I think somebody’s ass exploded in there

Here comes the sun

Vanuit het zuiden kwam hondengeblaf aangewaaid van over de zanderige leegte van de woestijn. Het geluid was afkomstig van meer dan één hond en het klonk niet bepaald verwelkomend. Ik aarzelde even en vertraagde subtiel mijn pas. Greg, van zijn kant, liep onverstoorbaar verder in de richting van een zwart niets waaruit ik heel vaag een silhouet kon ontwaren. Het enige teken van leven naast het geblaf waren enkele lichtjes ter hoogte van het dichtstbijzijnde dorp, aan de andere kant van de “wadi”, want zo werden de kilometersbrede kloven genoemd die zo typerend zijn voor de Wadi-Rumwoestijn. De wadi’s liggen noord-zuid georiënteerd en worden begrensd door indrukwekkende rotsformaties. De rode kleur van de rotsen werd op dit moment van de dag nog gecamoufleerd door een grijze waas, net zoals het rood van het zand. De lucht was donkerblauw en lichtte op aan de oostelijke horizon.
“It’s like a gate under the railway trace”, zei ik tegen Greg, doelend op het silhouet op de weg voor ons.
“Really? I don’t see anything!”
Toen we dichter kwamen bleek het een halfafgewerkte poort te zijn, volledig in Arabische stijl met twee wachttorentjes. Het ding stond in de stellingen en de weg werd versperd door hopen zand en bouwmaterialen. Achter de poort lag iets dat leek op een toekomstige parkeerplaats, met aan de rand een sierlijk gebouwtje. Daar hield de weg op. Vlak voor de poort hielden we halt.

Die ochtend was ik om 5u opgestaan, nadat ik 5 minuten eerder vanzelf wakker geworden was uit een heel diepe slaap. Blij dat ik ondanks het primitieve comfort toch een degelijke nachtrust achter de rug had, en gedreven door een kleine adrenalinestoot bij de gedachte aan een zonsopgang in de woestijn, was ik klaarwakker toen ik in mijn kleren schoot. Samen met Greg was ik in zuidelijke richting vertrokken, langs de weg die in het duister volledig onzichtbaar was.

“Let’s wait here”, zei Greg en we gingen zitten op het nog koude asfalt, met onze blik op het oosten gericht. Ik nam enkele testfoto’s om de belichting wat af te stellen. Het duurde niet lang voor de koude woestijnlucht de bovenhand begon te krijgen op mijn centrale verwarming.
“Where is the sun when you need her?”, vroeg ik me af.
Mijn horloge gaf 5.40u aan.
“I’d like to go up there”, zei Greg na een tijdje, en hij wees naar een zandheuveltje rechts achter ons. “Let’s get off the beaten track!”
Toen we door het woestijnzand begonnen te ploegen, hoorden we opnieuw het hondengeblaf en links voor ons zag ik in de verte een stofwolk opdoemen. Het bleek een terreinwagen te zijn die met grote snelheid in de richting van het gebouwtje en de parkeerplaats reed. De wagen zigzagde wild alsof hij een raceparcours afwerkte. Het geblaf werd luider, en toen merkte ik de hond op die vlak voor de wagen voor zijn leven rende. Het beest zigzagde, alsof hij wist dat de auto meer problemen met het bochtenwerk zou hebben. Op een afstand zag ik een tweede hond parallel meerennen terwijl hij het tafereel net als ons gadesloeg. Ter hoogte van het gebouwtje hadden de dierenbeulen genoeg van hun wrede spelletje en lieten ze de hond met rust. De wagen verdween noordelijke richting en de rust keerde terug.
Achter ons kleurden de rotsen langzamerhand roder, een voorbode van de blijde intrede van de zon. Het spektakel begon toen de eerste zonnestralen zich over de zwarte bergen in het oosten gooiden en de rotsen achter ons in lichterlaaie zetten. Onze lichamen wierpen meterslange schaduwen over het nu bloedrode zand. In mijn hoofd zetten de Beatles ‘Here comes the sun’ in en ik schoot foto na foto, panorama na panorama. Het silhouet van een eenzame kamelendrijver maakte het plaatje compleet.

Toen het magische moment voorbij was en de zon aan haar steile klim begon, die uiteindelijk zou resulteren in een opnieuw veel te hete dag, keerden we terug met in ons kielzog twee blaffende honden.

Chillen in een heteluchtoven

Het kamp was verlaten toen ik rond 9u30 het tentzeil opzijsloeg, op zoek naar frisse lucht. Om 6u30 was ik opnieuw tussen de dekens gekropen om mezelf weer op te warmen, maar 3u later was ons kampementje al een echte sauna. Ik slofte door het zand naar de toiletten, omgeven door een magische stilte die alleen gebroken werd door het sporadische suizen van de wind en een verre radio die Arabiche keelgezangen uitbraakte. Af en toe hoorde ik iemand meeneuriën terwijl er vaatwerk klaterde. De sfeer deed me denken aan de openingsscène van een typische spaghettiwestern uit de jaren ’70. Ik was een cowboy die behoedzaam het spookstadje betrad, mijn handen op mijn geweerholsters, begeleid door het kraken van een schommelstoel die in de wind op en neer beweegt, en het regelmatige gesnurk van een dronkaard die de vorige avond in de saloon in slaap gevallen is.
Het gesnurk bleek afkomstig te zijn van Nasser, die in een open tent languit op een bank lag. Vanonder zijn te korte deken staken twee blote voeten en een arm die tegen de grond bungelde.

Toen ik terugkwam van de toiletten realiseerde ik me dat de andere kampgasten vertrokken waren en dat wij de enigen waren die twee nachten in de woestijn zouden doorbrengen. Er viel buiten Nasser en de muzikale Jordaniër in de keuken geen levende ziel te bespeuren, en op een half opgegeten koek na was de ontbijttafel leeg. Ik liet me in de halfopen etenstent op één van de zetels ploffen die rond de ontbijttafels stonden, en gaf me over aan de loomheid. Ik werd daarin spoedig vergezeld door mijn medereizigers, en in die toestand werden we aangetroffen door een personeelslid. Zich ervan bewust dat ze het ontbijt te vroeg hadden opgeruimd, trommelde hij een drietal man op om de tafel opnieuw te zetten en een oogwenk later bedienden we ons van thee, brood, yoghurt, en een vreemde brij van zaadjes waar je olie moest bij gieten. Ik weet niet wat het was, maar het was lekker.

Daarna begon voor mij het tweede moment waarop het gevoel van een strandvakantie doorbrak. Het eerste moment was aan de Dode Zee geweest, nu was het in de Wadi-Rumwoestijn, in een verlaten tentenkamp, in de beschutting van een dak van palmboombladeren, op een zachte zetel, met het interessante boek van Jan Leyers. Terwijl ik lag te lezen zag ik vanuit mijn ooghoek Nasser door het zand strompelen, op zoek naar thee en met een fles water in de hand. Ik zat eerst alleen onder dat palmboombladerendak, maar werd daarna vergezeld door achtereenvolgens Greg, Griet (op de vlucht voor Rowan), Rowan (in achtervolging op Griet maar al gauw een blok aan het been van Greg), en een gestrande Italiaan die een uurtje eerder met zijn motorfiets was aangekomen en die een merkwaardige behoefte vertoonde om stuntelige gesprekken op te starten met Rowan (hij sprak geen Engels). Tenslotte kwam Nasser ons vijven vervoegen. Uitgestrekt op een bank lag hij zijn kater te verwerken terwijl hij zachtjes zong. De rust die er aanvankelijk hing, hield het voor bekeken: aan mijn linkerzijde Nasser met zijn hypnosezang, en rechts van mij het monotone gezeur van Rowan over haar vermoeden dat ze een voedselvergiftiging had opgedaan, afgaande op het ongemakkelijke gevoel in haar buik.

Is het de moeite waard om te vertellen dat zowel die Italiaan als één van de personeelsleden uit het kamp een wijsvinger misten, en dat dat veel jolijt opleverde (“now we can be twins!”)? Nee? Ach, laat ons maar direct naar het interessante deel van de dag gaan: de jeepsafari.

De jeepsafari

Een pickup stond ons aan de ingang van het kamp op te wachten. In de laadbak stonden twee banken waarop we plaatsnamen, het gezicht naar elkaar. In de loop van de middag was de wind opgestoken en het beloofde een stoffige rit te worden. Met mijn Stubrusjaal over mijn hoofd getrokken, mijn sportzonnebril tegen mijn oogkassen, en met mijn lange broek en bergschoenen, hoopte ik voldoende beschutting te hebben. Het was geen verloren moeite.
Toen we de weg verlieten en het ruime zand kozen gaf de chauffeur plankgas. Een golf van opwinding ging door de laadbak van de pickup en ik voelde me Indiana Jones. Het principe van winderosie werd in real time op mijn eigen lijf en leden toegepast, dat eerder al door een lading Dode-Zeemodder was gladgepolijst.
Mijn tweede filmisch moment van de dag werd nog versterkt toen we stopten voor een grot en Nasser ons voorging naar binnen. Op een platte steen was een oude Bedoeïnenkaart uitgekerfd, vergezeld van afbeeldingen van schorpioenen op de wand.
“That means that the Bedouins wanted to warn each other that there are scorpions in this place”, zei Nasser.
Wetend dat ik geen grote fan ben van mijn eigen sterrenbeeld, prikte Rowan met haar vinger in mijn nek. Mijn schrikreactie en gealarmeerde blik waren natuurlijk bron van hilariteit. Laat ons er verder geen woorden aan vuil maken.

De rit nam twee uur in beslag en gaf nog heel wat voer voor herinneringen, zoals de filmset van Lawrence of Arabia (derde filmisch moment), een duinencross, een duinenklim (te voet dan), en het obligate glas zoete muntthee. Toen we in het kamp aankwamen konden we een paar verse kilo’s zand uit onze kleren schudden, maar onze ervaring met het sanitair blok was niet van die aard dat we stonden te springen om er opnieuw gebruik van te mogen maken. Misschien zijn Gregs kurkdroge, maar lyrische omschrijvingen nog het best geplaatst om een indruk te geven: “I think somebody’s ass exploded in there. I can’t see another way for poo to get all over the place, even at the side of the toilet seat” (over één van de mannentoiletten).
“I feel abused. I mean… there I was… naked… with my feet at the side of that poo hole, carefully avoiding any body contact with the bottom and pooring some cold water over me. This will have a lasting impact on me.” (over de douches).
Het hield me niet tegen toch nog een tweede douche-ervaring te trotseren en even later fris aan het kampvuur te gaan zitten, waar ik een gesprek aanknoopte met de eigenaar van het kamp over de weldaden van kamelenmelk. Intussen waren we al lang niet meer de enige gasten: het kamp zat vol Italianen en Nederlanders.

Het was de arak

Het avondeten was identiek aan dat van de vorige avond, maar het degustief was anders. Nasser kwam bij ons zitten en vroeg voor de eerste keer of iemand zin had in arak. Ik hield niet van anijstoestanden en paste aanvankelijk, maar anderzijds was er de eeuwige dorst en ik was het nog steeds beu water te moeten drinken. Ik proefde dus wat van Griets beker.
“What do you think, Maarten?”, vroeg Nasser.
-“It has too much water in it, it needs to be stronger”, antwoordde ik.
-“Hahaaa, give me a cup, I’ll make you a proper arak!”
Zogezegd, zogedaan: ik kreeg een beker “echte” arak en die smaakte al heel wat beter (wat ook de anderen beaamden). Zo waren we vertrokken voor wat een leuke avond aan het kampvuur moest worden.
Alleen…. mijn darmen hadden het zo niet begrepen. Ik weet niet wat het was dat zich in mijn buik aan het roeren was, maar het voelde aan alsof er zich fauna tussen mijn darmflora bewoog. Het eerste toiletbezoek liet zich niet lang uitstellen en was goed voor minstens een half uur vrolijk tijdverdrijf in de befaamde faciliteiten van het woestijnkamp.
Toen ik terug bij het kampvuur kwam aangewaggeld – de ene beker arak steeg bijzonder snel naar het hoofd -, zag ik dat Nasser zijn zangtalenten aan het demonstreren was, gezeten tussen een man in een wit kleed met een soort Arabisch snaarinstrument, en een andere man, eveneens in tafellaken, die driftig met zijn hand op een trommel timmerde. Het duurde niet lang voor enkele mannen hand zich in hand aan een huppeldansje waagden. Vrouwen die samen met mannen dansen is dan wel haram, maar dat weerhield één van hen er niet van Greg en Griet uit hun luie zetel te komen trekken en mee te sleuren in de plaatselijke line-dance, wat voor mij reden genoeg was om met mijn camera ‘de sfeer vast te leggen’. Het leverde enkele grappige beelden op, vooral wanneer Greg en Griet op een onbewaakt moment de benen namen om te ontsnappen aan verdere dansverplichtingen.

Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Ik had last van krampen, van luidruchtige Italianen en Amerikanen, en iemand die onafgebroken pogingen ondernam één van zijn longen op te hoesten. Ik weet niet of ik het gedroomd had, of dat ik klaarwakker was, maar op een gegeven moment riep ik “shut the f*ck up” naar de zoveelste lawaaierige passant. Zonder resultaat.

– Wordt vervolgd –

Don’t mention the Romans!

(vervolg reisverslag)

Wereldwonder

Op de website van de zeven nieuwe wereldwonderen begint de voorstelling van Petra als volgt:

“On the edge of the Arabian Desert, Petra was the glittering capital of the Nabataean empire of King Aretas IV (9 B.C. to 40 A.D.).”

In de National Geographic Traveller Special waarin 50 droombestemmingen worden beschreven, begint het stuk over Petra met een citaat van Edward Lear:

“Petra moet een wonder blijven dat je alleen kunt begrijpen door de plek zelf te bezoeken”.

Aan u om uit te maken welke openingszin de meeste aanleiding geeft om verder te lezen.
Ik zal ook een poging doen om met woorden het fenomeen Petra te omvatten. Ik weet nu al dat het niet zal lukken.

Als ik over Petra praat dan krijg ik niet bepaald blikken van herkenning. Ofwel heeft men er nog nooit over gehoord, ofwel wordt het geassocieerd met de Schatkamer, het bekendste gebouw (met dank aan Indiana Jones). In werkelijkheid is de Schatkamer enkel een soort appetizer, een teaser die je uitnodigt verder te gaan kijken.

De Siq

Zoals de website van de 7 wereldwonderen beschrijft, was Petra inderdaad 2000 jaar geleden de hoofdstad van het Nabateese koninkrijk. Petra is niet gebouwd, het is uitgehakt. Uitgehakt in de rotsen en goed verborgen in het bergland aan de rand van de woestijn. De stad kon enkel bereikt worden door de Siq, een 800m lange, smalle kloof tussen de rotsen, uitgesleten en gepolijst door het wassende water. En als ik ‘smal’ zeg, dan bedoel ik dat u er met de wagen in geen geval door kunt.

Aan de ingang van de kloof begon Nasser aan zijn uitleg maar hij bleef voortdurend halverwege zijn zinnen steken. Als hij niet bleef haperen, dan vergat hij dingen te zeggen of herhaalde hij zaken die hij al 5 keer had gezegd. Iemand had duidelijk last van een kater.
Ik had niet het geduld om te blijven luisteren en toen we de Siq inliepen was ík degene die voortdurend bleef haperen, omdat de mogelijkheden voor iemand met een spiegelreflex simpelweg overweldigend waren. De relatieve duisternis van de Siq, in combinatie met de staalblauwe hemel en de oranje rotsen die baadden in het zonlicht, maakte dat het vinden van de correcte belichtingsinstellingen een huzarenstukje zou worden. Als ik na het nemen van een foto vijf meter verder liep, merkte ik dat mijn instellingen alweer achterhaald waren. Op deze manier beloofde de Siq zeer lang te gaan worden. Gelukkig had ik (R.) gezelschap van Greg (L.) die zich in dezelfde hypnotiserende extase bevond.

De leerkracht aardrijkskunde in mij leefde op bij het zien van dit wonder van de geomorfologie: het lijnenspel in de rotsen, de lagen, de kleuren, de vormen. Het was werkelijk schitterend. De bodem van de Siq was vlak en hier en daar geplaveid met grote stenen: een overblijfsel van de Romeinse passage in Petra.

Indiana Jones

De Siq kronkelt door de rotsen, die tientallen meters boven je uittorenen en na 800 meter zie je plots in een kier tussen de rotsen de Schatkamer. Een warm geelrood licht zet het bouwwerk in lichterlaaie en als je tenslotte uit de Siq het voorplein op stapt…… dan lijken het Colloseum in Rome, de Eiffeltoren en het Vrijheidsbeeld futiel. Kinderspel. Mathematisch en steriel. Het resultaat van een techniek die de mens op allerlei vlakken toepast, en dus eigenlijk niet zó bijzonder. Maar de Schatkamer daarentegen is uitgehakt. Als een standbeeld, maar dan uit één stuk en reusachtig. Eén fout, één uitschietende beitel, en het werk is onherstelbaar beschadigd. Je hebt slechts één kans om het goed te doen.
In werkelijkheid is het gebouw geen schatkamer maar een graftombe voor één van de Nabatese koningen. De urnen op de indrukwekkende gevel vertoonden kogelgaten, het resultaat van verwoede pogingen van ontdekkingsreizigers die dachten dat de Schatkamer werkelijk een schat voor de buitenwereld verborgen hield. Op dat thema werd ook gealludeerd in ‘Indiana Jones and the Last Crusade’, waarin gesuggereerd werd dat de Schatkamer van Petra de geheime locatie was van de Heilige Graal.

In werkelijkheid ziet de Schatkamer er vanbinnen zo uit.

We zaten op het plein voor de Schatkamer aan een tafeltje. Nasser dronk thee om zijn kater te verjagen (wat hem wonderwel lukte, want een uur later zou hij weer zijn oude zelf zijn) en vertelde in horten en stoten wat hij wist over de Schatkamer. De aardrijkskundeleerkracht in mij schoof even op om plaats te maken voor mijn inwendige geschiedenisleerkracht, die er gezellig kwam bijzitten om te genieten van het schouwspel.

Als je vanaf de Schatkamer verder door de ravijn loopt dan vergaap je je aan de ene façade naast de andere. Het zijn allen graftomben. Nasser nam ons mee over een “alternatieve weg” door de rotsen boven de ravijn. Na wat klauterwerk kwamen we op een uitzichtsplatform. Onder ons liepen talloze groepen toeristen in de dezelfde richting. ’s Avonds zouden ze druppelgewijs terugkeren, maar om Petra helemaal te ontdekken moet je eigenlijk een paar dagen uittrekken.

Naar het Klooster

In de namiddag liet Nasser ons vrij en gingen we op weg naar de Monastry, het grootste bouwwerk in de stad en gelegen op het einde van een 1 uur lang durende klim door een smalle kloof die door de Nabateeërs omgevormd is tot één lange trap, uitgehakt in het zandsteen. Onze lunch wilden we niet verorberen tussen de vele toeristen die al dan niet per ezel naar boven gingen, dus namen we onze toevlucht tot een soort natuurlijk balkon in de rotsen, dat we toevallig ontdekt hadden. Op een gegeven moment merkten we namelijk dat er een zijtrapje was uitgehakt dat recht omhoog leidde. Na een korte klim bevonden we ons zo’n 20 meter boven het pad en was het enige wat we hoorden het geschreeuw van twee lokale kinderen die aan de overkant van de kloof tussen de rotsen speelden.

De klimtijd tot aan de Monastry was zogezegd een uur maar met onze jonge benen stonden we er al na amper 40 minuten. De monumentale gevel kwam als een verrassing. Ten eerste had ik niet verwacht dat we al zo snel boven zouden zijn, en ten tweede had het er op de foto’s uit de reisgidsen veel kleiner uitgezien. Het is pas als je het in perspectief bekijkt, dat je je realiseert hoe groot het is. Ter illustratie: voor de drempel van de ingang lag een steen, zodat je een opstapje had om erop te klimmen. Op de drempel. That’s right: Je moest op de drempel klimmen. Die ‘drempel’ was anderhalve meter hoog. Het voelde alsof we voor het huis van de reus stonden.

Rowan had gehoord dat we beter gewoon konden verderlopen naar het uitzichtspunt dat een eind verder op de bergtop lag. In werkelijkheid was er geen sprake van “het uitzichtspunt” en “de bergtop”. Er was wel “één van de drie uitzichtspunten” en “één van de drie bergtoppen”. Van de drie mogelijkheden beklommen we er twee. De regel dat het kouder wordt naarmate je hoger klimt was blijkbaar hier niet van toepassing want toen ik en Greg op de top een fotoshoot van het landschap en van elkaar aan het houden waren, was het alsof een gigantische haardroger mijn hoed van mijn hoofd probeerde te blazen. Het uitzicht was overigens best te pruimen. Voor ons ontvouwde zich ongeveer het begin (of het einde, het is maar hoe je het bekijkt) van de ‘Grote Riftvallei’ of de ‘Grote Afrikaanse Slenk’, de grens tussen de Arabische en Afrikaanse aardplaat. Hij begint hier, loopt daarna door de Wadi Rum woestijn waar hij een oogverblindend landschap heeft gecreëerd, en daarna door de Rode Zee waar hij ook voor verantwoordelijk is. Daarna verlaat de Riftvallei de grens tussen de platen en gaat hij dwars door Oost-Afrika waar hij symptomatisch is voor een breuk in de Afrikaanse plaat waardoor Oost-Afrika langzaam maar zeker van de rest van het continent afgesplitst wordt. Hier heeft de Grote Riftvallei een resem meren en vulkanen doen ontstaan waarvan het Victoriameer en de Kilimanjaro de bekendste zijn. Voor onze ogen waren rotsen en bergen allemaal noord-zuid georiënteerd, in het verlengde van de Grote Riftvallei. De inwendige aardrijkskundeleerkracht juichte en werd daarin bijgetreden door de inwendige geschiedenisleerkracht toen ik me omdraaide en neerkeek op de Monastry, die vanuit vogelperspectief nog groter leek.

One dinar sir!

Toen we de lange trap door de kloof naar beneden liepen kreeg ik een klein meisje in de mot dat op het pad zat. Op haar schoot hield ze een baby-geitje. De foto lag zo voor de hand dat ik hem niet kon laten liggen. Ik greep snel naar mijn camera die al de hele dag kruislings over mijn schouder hing, ik richtte en ik drukte. Net op dat moment stak het meisje een vinger op: “One dinar sir!”
Ik vond het belachelijk dat ik voor een foto zou betalen die ik zelf genomen had. En 1 JD is in een land als Jordanië betrekkelijk veel. Ik hief beide handen op in een soort excuus terwijl ik onverstoord wilde doorlopen. Maar het kind liet het er niet bij. Ze kwam achter me aan en greep mijn pink.
“One dinar sir!”
-“One dinar for the goat? That’s cheap”
-“One dinar for picture!”
-“That’s not fair, it’s my own picture.”
Intussen hield ze niet op met aan mijn pink te trekken terwijl ik bleef doorlopen. Uiteindelijk gaf ze zich gewonnen en keerde ze terug naar haar geit tot de volgende toerist zou langskomen. Achteraf kreeg ik spijt dat ik het kind niet wat kleingeld had gegeven. Het hoefde geen 1 JD te zijn, maar ik had wel nog 500 fils (0,5 JD) in mijn portefeuille zitten die ik ook had kunnen geven. Zeker toen bleek dat de foto best wel geslaagd was.

I hate the Romans

Tot op vandaag wordt Petra steeds groter. Hier en daar zie je vlaggen wapperen van universiteiten die er opgravingen verrichten. Langs de Romeinse weg die ons terugbracht naar de kloof die tot de Schatkamer en de ingang van de Siq leidde, verrezen resten van tempels en paleizen.
“That and that and that wasn’t here five years ago”, had Nasser mij verteld toen we eerder op de dag vanop een hoogte over de Romeinse weg hadden uitgekeken, wijzend naar bouwwerken die links en rechts van de poort stonden.
“Is that a Roman gate?”, had Greg hem gevraagd, en dat had bij Nasser een vurige preek doen opwellen over de verderfelijke Romeinse praktijk van steden te veroveren om ze vervolgens ‘Romeins’ te noemen.
“Nothing in Petra is Roman. Nothing! Don’t ever say or mention that. It is a big misunderstanding. I don’t like the Romans. I hate them! They destroyed cultures and took credit for things they’d never done!”
Een minuut eerder had ik staan luistervinken bij een Franstalige gids die vertelde over de Romeinse weg en de Romeinse plaveisels in de Siq.

“But the road is Roman, isn’t it?”, zei ik om Nasser daarmee te confronteren. Ik ving bot want hij reageerde er niet op. Ik heb het nog minstens 3 keer herhaald, maar hij wilde er kennelijk niks over horen. De verachting voor de Romeinen zat behoorlijk diep.

Grote Dorst

De omvang van Petra en het aandeel dat de Romeinen daarin hadden waren al lang geen item meer in mijn gedachten toen ik over de Romeinse weg terugsjokte richting Schatkamer en Siq. We hadden het laatste restje warm water dat in mijn rugzak zat al opgesoupeerd, en ik was druk bezig een ferme dorst te ontwikkelen terwijl ik mij met zinderende voeten onder een genadeloze namiddagzon voorbewoog. Links en rechts van de weg waren terrasjes waar grote koelkasten volgepakt stonden met Pepsi en Fanta. Ik vervloekte de woekerprijzen en ik vervloekte ze opnieuw en opnieuw. We waren van plan in Wadi Musa nog een pak water te kopen alvorens verder te rijden naar Wadi Rum, maar eerlijkgezegd was ik het water meer dan beu. Vergelijk het met jezelf: als je voelt dat je moet niezen, dan wil je niezen. Als dat gevoel plots verdwijnt nog voor je deftig hebt kunnen niezen, dan ben je teleurgesteld, ookal is het eindresultaat hetzelfde. Idem met dorst: als je dorst hebt wil je een ijskoude pint drinken. Met lauw water zal je dorst ook wel gestild worden, maar je wil natuurlijk geen lauw water! Je wil van het moment genieten en je dorst optimaal gebruiken om tot dat ontzettend deugddoende gevoel te komen van ijskoud bier dat in je uitgedroogde keel klatert. Die sensatie zou ik weer niet beleven want een uur later – we hadden Petra intussen verlaten – stopte de auto voor een winkel, waar we zes flessen water kochten.

T.E. Lawrence-land

Het was ongeveer 18u, en we hadden ongeveer een half uur door de Wadi-Rumwoestijn gereden, toen de auto stopte voor het ‘Zawaideh Desert Camp’. In dat half uur had ik naar buiten zitten staren en mij in Monument Valley gewaand, met deze prachtige muziek in mijn iPod. Het rode zand, de rode rotsen, de desolaatheid, het stof. Het zag eruit als-, en het was ook, een filmdecor. We zouden de volgende twee nachten in dit tentenkamp verblijven en de woestijn verkennen.

Het Zawaideh Desert Camp was als een kleine camping. Er was een sanitair blok en een bescheiden bar. Er stonden lange tenten die ingedeeld waren in compartimenten. Elk compartiment telde twee ijzeren bedden die voorzien waren van lakens en muskietennetten. Er was een kampvuur met daarrond een rechthoek van lage, maar zachte zitbanken. Het kamp lag in de beschutting van een rotswand, en werd zo beschermd tegen zandstormen. In de talrijke gaten en nissen die de rotswand rijk was, had men lichtjes geïnstalleerd wat tot de sfeer bijdroeg.

Die avond vielen we het riante buffet aan, waarvan een deel (vraag me niet welk) de hele dag in een olievat had zitten garen, begraven in het hete woestijnzand. Het was best een fijne avond. Ik vulde mijn bord tot de rand en at het leeg aan het kampvuur, waar het niettemin te donker was om te zien wat ik aan het eten was. We dronken onze tweede fles hard core Mount-Nebowijn leeg, maakten een avondwandeling in het licht van de maan (waardoor de befaamde sterrenhemel achter een zwart gordijn bleef), ik probeerde mij te douchen met behulp van een waterslang waar enkel een klein straaltje koud water uit kwam, en ik slaagde er daadwerkelijk in om direct in slaap te vallen in het veel te korte bed en tussen de vermoedelijk ongewassen lakens. Faut le faire!
Mijn wekker stond ingesteld op 5u.

– Wordt vervolgd –